NEGENDE BOEK.

I. Om den tirannischen man goed te beoordeelen bedenke men, dat van

natuur in den mensch vele onwettige begeerten huisvesten, die zich

vooral in droomen openbaren.

II. Worden nu in den zoon van een democratischen man die begeerten door

slecht gezelschap opgewekt, zoodat hij aan wijn en wellust verslaafd

raakt, dan wordt hij tirannisch.

III. Door den wellust geprikkeld, brengt hij dan zijn geld door, en

zoekt daarna door list en geweld aan geld te komen. Eerst berooft hij

zijne ouders, dan wordt hij een dief of neemt dienst onder de lijfwacht

van een tiran, of, als hij er kans voor ziet, onderwerpt hij zijn

vaderland.

IV. Nu is de staat onder koninglijk gezag het gelukkigst, die onder een

tiran het rampzaligst, en ditzelfde geldt ook van den waren wijsgeer,

en den tirannischen man. ~Plato~ deelt hier mede, wat hij zelf gezien

heeft.

V. In ’t algemeen is een tirannisch mensch even ongelukkig onder de

heerschappij zijner driften, als een tirannisch beheerschte staat onder

die van eenen tiran; maar het allerongelukkigst is een werkelijk tiran,

daar die geen oogenblik zijn leven zeker is.

VI. En het ergste is, dat, naarmate dit langer duurt, zijn karakter en

zijn lot hoe langer hoe meer verslimmert.

VII. Een ander bewijs is dit: Men kan de menschen in drie soorten

verdeelen, wijsgeerigen, eerzuchtigen, winzuchtigen. Ieder hunner noemt

zijne levenswijs de gelukkigste.

VIII. Nu wordt ieder ding beoordeeld door ondervinding, kennis en

redenering. De wijsgeer heeft ondervinding van het vermaak der eer en

van dat van het geldwinnen; kennis en redenering zijn alleen in zijn

bezit. Dus is zijn oordeel het beste.

IX. Eindelijk zijn er drie toestanden, vermaak, smart en afwezigheid

van beiden, die in vergelijking met de twee anderen, smart of vermaak

wordt genoemd, maar het eigenlijke niet is. Het meeste zoogenaamde

vermaak behoort op dit gebied.

X. En dat dit als vermaak wordt beschouwd, is aan de onwetendheid der

menschen te wijten. Het vervullen van behoefte toch wordt als vermaak

beschouwd. Nu wordt bij het meeste zoogenaamde vermaak onze behoefte

door stoffelijke middelen bevredigd, en de stoffelijke wereld heeft

geen deel aan het ware zijn, dus is die vervulling niet wezenlijk en

het daardoor ontstaande vermaak evenmin.

XI. Ja, voor zoo ver er nog eenig zinnelijk vermaak bestaat, kan dit

alleen onder de leiding der rede waarlijk genoten worden.

XII. Verder is bij den regtvaardigen het goddelijke in den mensch, bij

den onregtvaardigen het dierlijke meester.

XIII. En het goddelijke wordt door alle goede handelingen, het

dierlijke door alle slechte versterkt. Daarom is het ieders waarachtig

belang de deugd te beoefenen.

De republiek van Plato · 第 35 / 65 题