ACHTSTE BOEK.

I. Nu komen de slechte staatsregelingen aan de beurt, zij zijn: de

timocratie, de oligarchie, de democratie, en de tirannij.

II. En na iedere staatsregeling moet de man behandeld worden, die in

karakter met haar overeenstemt.

III. Als de beschrevene staatsregeling gebloeid heeft, zullen de

bestuurders langzamerhand de muzenkunst gaan minachten. Daardoor zullen

de zeden ruwer worden, de wachters zullen zich tot eigenaars van den

staat maken, ieder voor zich eigendom in bezit nemen, en de overige

burgers onderdrukken.

IV. Het kenmerk dezer staatsregeling is verachting van handenarbeid en

geleerdheid benevens waardering van oorlog en gymnastiek, en heimelijke

inhaligheid, en schraapzucht bij de regerende klasse.

V. De daarop gelijkende man is gehoorzaam aan zijne meerderen, hard

voor zijne minderen, zachtzinnig jegens zijne gelijken, een vijand van

geleerdheid en vriend van ligchaamsoefening, in zijne jeugd veracht hij

het geld, op zijnen ouden dag wordt hij gierig. Hij ontstaat als de

zoon van een braaf man, die in een slechten staat wonende zich rustig

houdt, op zijnen vader hoort schimpen en daardoor lust krijgt zich meer

te laten gelden.

VI. Nu gaat de timarchie door het heimelijke schrapen in oligarchie

over, want langzamerhand wordt het geld meer geëerd dan de deugd, en

eindelijk bepaalt men een trap van rijkdom tot maatstaf voor het regt

om meê te regeren. Die maatstaf is verkeerd, want geld brengt geen

wijsheid aan. Ook staan in zulk een staat armen en rijken vijandig

tegen elkander over, en die oneenigheid belemmert al zijne handelingen.

Ook worden hier de beroepen vermengd.

VII. In zulk een staat hoort het pauperismus te huis, en een gevolg

daarvan is het vermeerderen der bedelaars en der kwaaddoenders.

VIII. Wanneer nu een zoon van een timocraat zijnen vader het

slagtoffer van staatkundige vijanden ziet worden, krijgt hij een afkeer

van eerzuchtig pogen naar aanzien en werpt zich op het geldwinnen.

IX. En dan gelijkt hij op de oligarchie, want het geld gaat bij hem

bovenal, en zijne meeste begeerten en neigingen worden door enkele, die

met geldwinnen in verband staan, onderdrukt.

X. In een oligarchischen staat gaan de rijke geslachten in aantal en

beschaving steeds achteruit, totdat eindelijk de armen hun de baas

worden, eene omwenteling verwekken en de regering democratisch maken.

XI. Het kenmerk van de democratie is vrijheid voor allen, en volkomene

gelijkheid van allen in regten en deel aan het bestuur.

XII. Nu zijn sommige begeerten noodzakelijk en winstgevend, andere

niet noodzakelijk en verkwistend. De eerste worden door den gierigen

oligarch aangekweekt, de laatste met geweld onderdrukt.

XIII. Heeft deze nu een zoon, dan zoekt hij bij hem alleen de eerste

aan te kweeken, maar door omgang met liederlijke personen worden dan

de laatste versterkt, en eindelijk worden daardoor in de ziel van dien

zoon de verschillende begeerten ongeveer even sterk, wegen elkander op

en beheerschen hem bij beurten.

XIV. De democratie wordt eindelijk volslagen teugelloosheid, en de

burgers worden hoe langer hoe gevoeliger op het punt van vrijheid.

XV. Die bovenmatige vrijheid gaat in dienstbaarheid over, want in een

democratischen staat zijn steeds eene menigte verkwistende ledigloopers.

XVI. Deze zoeken de rijken te plunderen en geven aan het volk ook

een deel van den buit. Dan worden de rijken oligarchen en zoeken de

democratie om te werpen. Vooral hebben zij het dan op den voornaamsten

volksleider gemunt. Deze maakt daar gebruik van, vraagt van het volk

eene lijfwacht en verheft zich tot tiran.

XVII. Dan is het uit met de vrijheid, en de tiran zoekt, om te

blijven regeren, het volk te verarmen en alle krachtige, bekwame,

onafhankelijke menschen uit den weg te ruimen.

XVIII. En om zich te handhaven moet hij een lijfwacht hebben, die uit

huurlingen en vrijgemaakte slaven wordt zamengesteld.

XIX. Om die te onderhouden mergelt hij het volk uit, en als dat zich

verzet, onderdrukt hij alle oproeren met geweld, door de hulp zijner

huurlingen.

De republiek van Plato · 第 34 / 65 题