ZEVENDE BOEK.

I. Stel nu dat menschen in een hol bij schemerlicht hun leven

doorgebragt, en daar niets dan schaduwen gezien hadden.

II. Als dan één hunner naar boven werd gebragt, zou dit hem eerst smart

veroorzaken, maar als hij boven gewend was, zou hij niet weer naar

beneden willen, en als hij nog eens naar beneden kwam, daar niet meer

op zijne plaats wezen.

III. Het hol is de zigtbare wereld; de plaats boven is de denkbare

wereld; de persoon die naar boven gaat, is de wijsgeer. Dus is het geen

wonder, dat de wijsgeeren weinig belangstelling of bekwaamheid in de

zaken van het dagelijksch leven betoonen.

IV. Daarom is het onderwijs eigenlijk omwenden der ziel van de

zinnelijkheid naar de waarheid, en daarom kan een staat slechts goed

bestuurd worden, als de wijsgeeren gedwongen worden, zich harer aan te

trekken.

V. Want zijn zij eens weer aan de zaken van het dagelijksch leven

gewend, dan besturen zij die beter dan iemand anders; en voor de rust

van den staat is het heilzaam, dat de regerende personen het regeren

als een last, niet als een voorregt, beschouwen.

VI. Om nu die omkeering der ziel te doen plaats hebben, moeten de

wachters eerst in het rekenen onderwezen worden.

VII. Vooreerst is de kennis daarvan praktisch noodig. Ten andere zijn

alle waarnemingen, die eenige tegenstrijdigheid opleveren, geschikt om

het oordeel te scherpen.

De republiek van Plato · 第 32 / 65 题