I. Stel nu dat menschen in een hol bij schemerlicht hun leven
doorgebragt, en daar niets dan schaduwen gezien hadden.
II. Als dan één hunner naar boven werd gebragt, zou dit hem eerst smart
veroorzaken, maar als hij boven gewend was, zou hij niet weer naar
beneden willen, en als hij nog eens naar beneden kwam, daar niet meer
op zijne plaats wezen.
III. Het hol is de zigtbare wereld; de plaats boven is de denkbare
wereld; de persoon die naar boven gaat, is de wijsgeer. Dus is het geen
wonder, dat de wijsgeeren weinig belangstelling of bekwaamheid in de
zaken van het dagelijksch leven betoonen.
IV. Daarom is het onderwijs eigenlijk omwenden der ziel van de
zinnelijkheid naar de waarheid, en daarom kan een staat slechts goed
bestuurd worden, als de wijsgeeren gedwongen worden, zich harer aan te
trekken.
V. Want zijn zij eens weer aan de zaken van het dagelijksch leven
gewend, dan besturen zij die beter dan iemand anders; en voor de rust
van den staat is het heilzaam, dat de regerende personen het regeren
als een last, niet als een voorregt, beschouwen.
VI. Om nu die omkeering der ziel te doen plaats hebben, moeten de
wachters eerst in het rekenen onderwezen worden.
VII. Vooreerst is de kennis daarvan praktisch noodig. Ten andere zijn
alle waarnemingen, die eenige tegenstrijdigheid opleveren, geschikt om
het oordeel te scherpen.