XVIII. Nu is het niet wel doenlijk het goede zelf te beschrijven, maar
zijn beeld in de zinnelijke wereld kunnen wij opgeven. Van alle zinnen
is het gezigt het edelste, en wordt door het schoonste hulpmiddel, het
licht, tot zijne werking in staat gesteld.
XIX. De bron van dat licht is de zon, en die zon is in de zigtbare
wereld het beeld van hetgeen het goede is in de denkbare wereld.
XX. Nu vervallen de voorwerpen der zigtbare wereld in twee deelen,
beelden en werkelijke dingen, en die der denkbare ook in twee deelen:
XXI. De meetkunstige waarheden, en de zuivere metaphysische begrippen.
In dezelfde orde als deze vier deelen komen deze vier vermogens van den
geest: vermoeden, geloof, verstandskennis, redekennis.