V. Verder is een wijsgeerige aanleg zoo als in II is opgegeven.

VI. Maar de beste aanleg wordt bij slechte opleiding het slechtste.

Nu heeft vooreerst de openbare meening geweldig veel kracht op ieders

gemoed.

VII. Verder gebruikt de menigte ook dwang, en dringt haar oordeel aan

ieder op, en daardoor wordt goed en kwaad, schoon en leelijk, enz.,

niet naar zijnen aard, maar hare meening beoordeeld.

VIII. Daarenboven munt iemand van goeden aanleg overal uit, en wordt

daardoor spoedig in allerlei praktische betrekkingen gewikkeld.

IX. Als dan de besten er zijn afgevallen, wordt de wijsbegeerte door

ongeschikte menschen aangepakt, die haar natuurlijk misbruiken, en dan

slechte wijsgeeren heeten.

X. En wanneer enkele wezenlijk geschikten door bijzondere

omstandigheden voor de wijsbegeerte bewaard blijven, zien zij geen

kans bij den tegenwoordigen toestand der maatschappij eenig nut te

doen, en leven voor zich zelven, en heeten onbruikbare wijsgeeren.

XI. Dus kan de wijsbegeerte slechts in een staat als den beschrevenen

bloeijen, mits zij niet door knapen, maar door volwassenen en vooral

grijsaards met ijver beoefend worde.

XII. En als zulke waarachtige wijsgeeren aan het hoofd van een staat

komen, zal alles goed gaan, en de wijsbegeerte hare eer weerom krijgen.

De republiek van Plato · 第 29 / 65 题