VI. Maar de beste aanleg wordt bij slechte opleiding het slechtste.
Nu heeft vooreerst de openbare meening geweldig veel kracht op ieders
gemoed.
VII. Verder gebruikt de menigte ook dwang, en dringt haar oordeel aan
ieder op, en daardoor wordt goed en kwaad, schoon en leelijk, enz.,
niet naar zijnen aard, maar hare meening beoordeeld.
VIII. Daarenboven munt iemand van goeden aanleg overal uit, en wordt
daardoor spoedig in allerlei praktische betrekkingen gewikkeld.
IX. Als dan de besten er zijn afgevallen, wordt de wijsbegeerte door
ongeschikte menschen aangepakt, die haar natuurlijk misbruiken, en dan
slechte wijsgeeren heeten.
X. En wanneer enkele wezenlijk geschikten door bijzondere
omstandigheden voor de wijsbegeerte bewaard blijven, zien zij geen
kans bij den tegenwoordigen toestand der maatschappij eenig nut te
doen, en leven voor zich zelven, en heeten onbruikbare wijsgeeren.
XI. Dus kan de wijsbegeerte slechts in een staat als den beschrevenen
bloeijen, mits zij niet door knapen, maar door volwassenen en vooral
grijsaards met ijver beoefend worde.
XII. En als zulke waarachtige wijsgeeren aan het hoofd van een staat
komen, zal alles goed gaan, en de wijsbegeerte hare eer weerom krijgen.