XV. En dappere mannen moeten beloond en na hunnen dood als helden
vereerd worden. De krijgslieden moeten Grieksche staten in den oorlog
zoo menschelijk mogelijk behandelen.
XVI. Steeds bedenkende, dat alle Grieken stamgenooten zijn. Barbaren
echter behoeven zij niet te ontzien.
XVII. Deze staatsregeling is een ideaal, dat natuurlijk nergens geheel
verwerkelijkt is.
XVIII. En zij zal nooit werkelijk worden, voordat de wijsgeeren het
bestuur in handen krijgen.
XIX. Hiertoe bedenke men echter, dat slechts zij, die alle wetenschap
liefhebben, wijsgeeren zijn.
XX. Ware wetenschap is op het algemeene gerigt. Kennis op hetgeen is,
onkunde op hetgeen niet is, meening op hetgeen tusschen zijn en niet
zijn invalt.
XXI. Want als twee verschillende vermogens kunnen kennis en meening
niet op hetzelfde voorwerp gerigt zijn.
XXII. Verder is de kennis op de eeuwige idéen, de meening op het
zinnelijke, de stoffelijke wereld gerigt. Die naar de eerste streeft,
is een wijsgeer, die naar de laatste streeft, niet.