XIV. Verder moeten de kinderen zoo jong mogelijk den oorlog zien.

XV. En dappere mannen moeten beloond en na hunnen dood als helden

vereerd worden. De krijgslieden moeten Grieksche staten in den oorlog

zoo menschelijk mogelijk behandelen.

XVI. Steeds bedenkende, dat alle Grieken stamgenooten zijn. Barbaren

echter behoeven zij niet te ontzien.

XVII. Deze staatsregeling is een ideaal, dat natuurlijk nergens geheel

verwerkelijkt is.

XVIII. En zij zal nooit werkelijk worden, voordat de wijsgeeren het

bestuur in handen krijgen.

XIX. Hiertoe bedenke men echter, dat slechts zij, die alle wetenschap

liefhebben, wijsgeeren zijn.

XX. Ware wetenschap is op het algemeene gerigt. Kennis op hetgeen is,

onkunde op hetgeen niet is, meening op hetgeen tusschen zijn en niet

zijn invalt.

XXI. Want als twee verschillende vermogens kunnen kennis en meening

niet op hetzelfde voorwerp gerigt zijn.

XXII. Verder is de kennis op de eeuwige idéen, de meening op het

zinnelijke, de stoffelijke wereld gerigt. Die naar de eerste streeft,

is een wijsgeer, die naar de laatste streeft, niet.

De republiek van Plato · 第 27 / 65 题