III. Vooreerst moeten de vrouwen dezelfde opvoeding krijgen als de
mannen.
IV. Dit is niet in strijd met de stelling, dat verschil van aard
verschillend werk vordert.
V. Want over ’t geheel hebben vrouwen denzelfden aanleg als mannen,
maar zijn in alles zwakker.
VI. Dus moeten ook uit haar de beste gekozen worden, en dan is het heel
wel mogelijk, ze even als de mannen op te leiden, en voor de veredeling
van de geheele burgerij is dat allerheilzaamst.
VII. Verder moet bij de wachters gemeenschap van vrouwen plaats hebben.
De overheden moeten eerst de beste vrouwen uitkiezen.
VIII. Vervolgens moet de voortteling bepaald door de overheden
geregeld worden, opdat slechts goede, krachtige menschen kinderen
verwekken. Dit kan door eene kunstige wijs van loten geschieden.
IX. Ook moet die voortteling onder aanroeping der goden plaats hebben,
en in ’t geheel moet de zaak, om haar groot gewigt, met ernst behandeld
worden.
X. Nu is onderlinge eensgezindheid en belangstelling het grootste goed
voor een staat.
XI. En die onderlinge eensgezindheid wordt vooral door de gemeenschap
van vrouwen en kinderen veroorzaakt.
XII. Daardoor en doordien zij geen eigendom hebben, worden ook alle
twisten over mijn en dijn afgesneden.
XIII. Zulke wachters zullen den staat doen bloeijen en door de andere
burgers steeds geëerd worden, waardoor zij een zeer gelukkig leven
zullen hebben.