VII. Ook is hij moedig, en die moed huist in de wachters, die nooit de
hun ingeprente meeningen omtrent het al of niet verschrikkelijke laten
varen.
VIII. Verder moet de ingetogenheid gezocht worden. Deze bestaat vooral
in beheersching der lusten door de rede, en inwendige harmonie van de
verschillende deelen der ziel.
IX. Deze beheersching en harmonie heeft in den nieuwen staat plaats, en
dus is die ingetogen.
X. Verder doet ieder in den staat zijn eigen werk, zoowel de overheid
als de krijgslieden en de menschen der andere beroepen; en dit is een
van de heilzaamste dingen voor den staat.
XI. Deze eigenschap is regtvaardigheid. Nu zijn dezelfde rigtingen in
de enkele menschen, als in den staat, want uit de eersten komen zij in
den laatsten.
XII. Nu is dezelfde zaak in hetzelfde opzigt nooit in twee elkander
uitsluitende toestanden.
XIII. Wanneer verder bij betrekkingensbegrippen het ééne lid eenvoudig
is, is het andere dit ook, en omgekeerd.
XIV. Zoo haakt b. v. de dorst op zich zelven eenvoudig naar drinken.
Als dus iemand, die dorst heeft, toch niet wil drinken, werken er twee
verschillende krachten op zijne ziel. Meest behooren die tot rede of
begeerte. Als derde deel komt hier de toorn bij,