VI. Nu is deze staat wijs, en die wijsheid huist in de overheid.

VII. Ook is hij moedig, en die moed huist in de wachters, die nooit de

hun ingeprente meeningen omtrent het al of niet verschrikkelijke laten

varen.

VIII. Verder moet de ingetogenheid gezocht worden. Deze bestaat vooral

in beheersching der lusten door de rede, en inwendige harmonie van de

verschillende deelen der ziel.

IX. Deze beheersching en harmonie heeft in den nieuwen staat plaats, en

dus is die ingetogen.

X. Verder doet ieder in den staat zijn eigen werk, zoowel de overheid

als de krijgslieden en de menschen der andere beroepen; en dit is een

van de heilzaamste dingen voor den staat.

XI. Deze eigenschap is regtvaardigheid. Nu zijn dezelfde rigtingen in

de enkele menschen, als in den staat, want uit de eersten komen zij in

den laatsten.

XII. Nu is dezelfde zaak in hetzelfde opzigt nooit in twee elkander

uitsluitende toestanden.

XIII. Wanneer verder bij betrekkingensbegrippen het ééne lid eenvoudig

is, is het andere dit ook, en omgekeerd.

XIV. Zoo haakt b. v. de dorst op zich zelven eenvoudig naar drinken.

Als dus iemand, die dorst heeft, toch niet wil drinken, werken er twee

verschillende krachten op zijne ziel. Meest behooren die tot rede of

begeerte. Als derde deel komt hier de toorn bij,

De republiek van Plato · 第 23 / 65 题