XVI. Nu kunnen wij zeggen, dat in een enkel mensch de wijsheid in de
rede huist; de moed in het toornige deel der ziel, dat steeds het
oordeel der rede, omtrent het al of niet verschrikkelijke volgt; de
ingetogenheid in den geheelen mensch, voor zoo ver rede, toorn en
begeerte in goede harmonie met elkander zijn; de regtvaardigheid ook in
den geheelen mensch, voor zoo ver rede, toorn en begeerte ieder zijn
eigen werk doen.
XVII. De regtvaardigheid werkt dus op het inwendige van den mensch, en
eerst ten gevolge daarvan werkt zij naar buiten.
XVIII. Onregtvaardigheid en alle andere ondeugd is bij gevolg een
verkeerde, onnatuurlijke toestand en verhouding van de gezegde deelen,
en dus is deugd gelijk aan gezondheid, ondeugd aan ziekte der ziel. Dus
is deugd geluk, ondeugd ongeluk. Dit moet echter naauwkeuriger bezien
worden, en daarom is het goed door vergelijking met de staten na te
gaan, welke vormen van ondeugd er gevonden worden.