DE OOIEVAAR IN HET OUD-GERMAANSCHE VOLKSGELOOF.

Hoewel bij onze heidensche voorvaderen de dierendienst niet tot dien

hoogen trap van ontwikkeling gekomen was, als, bij voorbeeld, bij de

Egyptenaren, zoo geloofden toch ook de oude Germanen, gelijk alle

volkeren van indo-germaanschen stam, aan eene zekere geheimzinnige

betrekking tusschen het dier en de godheid, en bewezen ook zij aan

sommige dieren eene zekere mate van vereering. De goden zelf namen,

volgens de germaansche voorstelling, nu en dan de gedaante van

sommige dieren aan, welke om die reden voor heilig werden gehouden;

andere dieren werden geacht in de bijzondere dienst van eene of andere

godheid te staan, en uit dien hoofde met zekeren eerbied en ontzag

behandeld. Vele dieren droegen zinrijke, eervolle bijnamen; en vele

sagen en bijgeloovige voorstellingen van allerlei aard stonden met

de dierenwereld in rechtstreeksch verband: sagen en voorstellingen,

die nog eeuwen lang in de heugenis des volks bewaard bleven, lang

nadat de wezenlijke beteekenis verloren was gegaan.

In den regel zijn het meest viervoetige dieren (en onder dezen meer

de wilde, dan de tamme), die in de oude mythen en volksoverleveringen

een rol spelen; maar toch is daarin ook aan sommige vogels, zooals de

zwaluw, de specht, de koekoek, eene meer of minder belangrijke plaats

ingeruimd; bovenal echter is het de ooievaar, die in het volksgeloof

der duitsche stammen eene zeer gewichtige rol speelt.

Door geheel Duitschland en Nederland gold en geldt de ooievaar ten

deele nog, als een heilige vogel, die het huis tegen onweer beveiligt;

hij die moedwillig een ooievaar doodt, zal weldra--volgens het

bijna in geheel Duitschland heerschende volksgeloof--tot straf voor

deze euveldaad, zijne woning door den bliksem zien vernield. In het

algemeen neemt men eene zekere verwantschap aan tusschen den ooievaar

en het vuur. Zal in het dorp een brand uitbarsten, dan fladderen

de ooievaars reeds van te voren angstig om de kerktoren. De uit

hunne nesten verdreven ooievaars, heet het elders, komen met een

brandend stuk hout in den bek aanvliegen, om de woning, waar men

hen verjoeg, in brand te steken. Neemt de landman daarentegen den

ooievaar vriendelijk op, en legt hij, zooals op zeer vele plaatsen

in Duitschland pleegt te geschieden, een wiel op het dak, zoodat de

vogel daarop gemakkelijk zijn nest kan bouwen, dan is de woning ook

tegen alle gevaar van brand beveiligd.

Maar nog eene geheel andere en schijnbare volstrekt heterogeene

rol is den ooievaar in het volksgeloof toebedeeld. Bijna in geheel

Duitschland en ook in de Nederlanden, heerscht onder de kinderen ten

platten lande de meening, dat de kleine broertjes en zusjes door den

ooievaar worden gebracht; eene menigte kinderliedjes weten daarvan

te verhalen, en bijna overal weet men een bepaalden vijver, een bron

of iets dergelijks aan te wijzen, waaruit de ooievaar de kinderen

haalt. Dat deze voorstelling zeer oud is, blijkt onwedersprekelijk uit

het feit, dat een der oud-hoogduitsche bijnamen van den ooievaar juist

aan deze mythe is ontleend: namelijk het oud-duitsche woord _odebero_,

dat nog in het tegenwoordige plat-duitsche _atjebar_, en bij ons in het

verouderde _eidebaar_, waarvan ooievaar een verbastering is, bewaard is

gebleven. De laatste helft van dit woord is van het oud-hoogduitsche

_bëran_ afgeleid, dat dragen beteekent, en in dien zin ook nog in

andere, duitsche zoogoed als nederlandsche, woorden voorkomt, zooals:

baar, vruchtbaar. _Ode_, _atje_, _eide_, is zeer waarschijnlijk

hetzelfde als ons _adem_, (duitsch _Odem, Athem_); de naam _odebero_

zou dus zooveel als levensbrenger, letterlijk ademdrager, beteekenen.

Waardoor werd nu de ooievaar, aan de eene zijde met het onweer en

het vuur in verband gebracht; en aan de andere zijde als drager

der kinderzielen beschouwd? Om deze dubbele vraag te beantwoorden,

moeten wij ons in de eerste plaats herinneren hoe de Indo-germanen,

en in het algemeen alle zoogenaamde natuurvolken zich vuur plegen te

verschaffen. Dit geschiedde, ook bij onze voorouders, door een stok

van hard hout zoo lang in een schijf van zachter hout om te draaien,

tot door de wrijving een vlam ontstond. Naar de voorstelling onzer

voorvaders, ontstond ook het bliksemvuur op geene andere wijze: de

dondergod draaide zijn staf zoolang in het gouden zonnerad om, tot

daaruit een vonk ontsprong.--Maar hoe kwam nu die bliksemstraal zoo

snel op aarde? Dit, zeiden zij, in hun beeldrijke taal, geschiedt door

een vogel: en naar gelang van de eigenaardige fauna der verschillende

landen, werden bij de onderscheidene indo-germaansche stammen,

ook verschillende vogels met die taak belast. In de vedische zangen

der Indiërs wordt de snelle valk als bliksemdrager vereerd; bij de

Grieken vervulde waarschijnlijk de arend, de lieveling van Zeus,

oorspronkelijk dezelfde rol; de Kelten beschouwden het winterkoninkje

als bliksemdrager; de Romeinen kozen daartoe vermoedelijk de specht,

die nog door Plinius _incendiaria avis_ genoemd wordt; en onze

germaansche voorvaderen belastten daarmede den ooievaar. Vermoedelijk

had hij deze onderscheiding vooral te danken aan de roode kleur van

zijn snavel en pooten, die als van zelf aan het vuur deed denken. Na

verloop van tijd ging natuurlijk de oorspronkelijke beteekenis der

mythe verloren; maar in het algemeen verbreide volksgeloof, dat de

tegenwoordigheid van dezen vogel het huis tegen bliksem en brand

beschermt; leeft nog altijd de herinnering voort aan den ooievaar als

drager van het bliksemvuur. Het wiel, dat voor hem op het dak werd

gelegd, duidt op dezelfde mythe: was het niet een symbool van het

gouden zonnerad, waaraan het door den ooievaar op de aarde gebrachte

vuur ontsprongen was?

Doch wat heeft nu deze bliksemdrager met de geboorte van kinderen te

doen? Ook dit is niet zoo onverklaarbaar, als men slechts bedenkt,

dat voor de oudste Indo-germanen, tusschen de wijze waarop het

vuur werd gewekt en het ontstaan van het menschelijk leven in

de moederschoot, eene zeer nauwe betrekking bestond; of liever

dat men zich deze beide werkingen der goddelijke natuurkracht als

tamelijk gelijk voorstelde. Wij kunnen te dien aanzien hier niet in

bijzonderheden treden; maar wijzen er alleen op, dat in de vedische

liederen de afzonderlijke deelen van den oudsten vuurtoestel dezelfde

namen dragen als de sexueele organen. Ook elders vinden wij hetzelfde

verschijnsel. Bij de Grieken bij voorbeeld is Prometheus niet alleen

de vuurbrenger, die het hemelsche vuur op aarde brengt, maar ook de

schepper, althans de formeerder der menschen [1]. Daar men zich nu het

bliksemvuur als door een vogel naar de aarde gevoerd dacht, was het

niet zoo vreemd dat men ook de kinderen, of liever de kinderzielen,

bij de geboorte door een vogel, en wel door denzelfden vogel, liet

overbrengen.

Op deze wijze is de bliksemdragende ooievaar in de sage tot den

brenger der kleine kinderen geworden: en ook in dit opzicht komt

hij overeen met de bliksemdrager der Romeinen, de specht. Want ook

deze vogel--of liever zijne personificatie, de halfgod Picus--stond

in nauwe betrekking met de geboorte der kinderen: hij gold namelijk

als beschermgod der kraamvrouwen, en wanneer een kind geboren en als

levensvatbaar erkend was, werd aan Picus een spijsoffer gebracht,

wel om geen andere reden dan omdat Picus zelf als de brenger des

levens werd beschouwd.

[1] De naam van den titan zelf wijst op die dubbele

beteekenis. Prometheus komt van het sanskriet _Pramantha_, de naam

van den stok die, om vuur te maken in de schijf werd rondgedraaid.

Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 7 / 9 题