Den volgenden morgen hervatten wij onzen tocht, door een prachtig
landschap, waar het anders zoo dichte, bijkans ondoordringbare woud
schier de gedaante aannam van een park met schilderachtige, verspreide
boomgroepen. Na een marsch van eenige uren bereikten wij een open
plek, waar onze aandacht getrokken werd door steenhoopen, in halven
cirkel of rechte lijn nevens elkander geplaatst. Onze cascarilleros
stonden in twijfel, of hier aan de arbeid van menschenhanden dan
wel aan de werking van het water der rivier moest worden gedacht:
en wij waren juist bezig hierover te praten, toen ons eensklaps uit
het bosch een geweldig geschreeuw tegenklonk, dat ons eene huivering
door de leden joeg. Wij keerden ons allen te gelijk om naar den kant,
vanwaar dat geluid kwam, en zagen, op nauwelijks twintig schreden
afstands van ons, een troep Chunchos, met den boog in de hand en de
kroon van vederen op het hoofd.
De Indianen hervatten nu hun geschreeuw, en begonnen tegelijk te
springen en allerlei gebaren te maken, maar niemand kwam naar ons toe:
zij bleven springen en hunne armen en beenen bewegen, doch zonder
te naderen. Wij begrepen de reden hunner terughouding, toen wij een
hunner het woord _tasa-tasa_ hoorden uitspreken, terwijl hij op onze
geweren wees. In dien man herkende ik dadelijk, aan zijn eigenaardig
hoofdtooisel, een der Siriniris, wier ontmoeting ons bewogen had,
de rivier Ayapata over te trekken. De Indiaan had ons dus gevolgd,
zonder dat wij daar iets van hadden gemerkt, en hij was het, die ons
nu deze nieuwe bezoekers op het lijf stuurde.
Toen de Chuncho bemerkte dat wij hem herkend hadden: trad hij eenige
schreden vooruit, en zijne armen uitbreidende, alsof hij ons wilde
omhelzen, riep hij ons toe: _Amico Dunkinpuna huayri_. Volgens Pepe
Garcia wilde hij daarmede zeggen, dat hij onze vriend was, en dat wij
te doen hadden met een opperhoofd (_huaijri_), Dunkinpuna genaamd. Wij
beantwoordden deze mededeeling met de verzekering, dat hij zonder
vrees naderbij kon komen. De Siriniri liet zich dit geen tweemaal
zeggen: hij liep naar ons toe en sloot ons in zijne armen, daarbij
tevens, met eene komische mengeling van angst en nieuwsgierigheid,
onze geweren aanrakende. Door ons vriendelijk onthaal gerustgesteld,
begon hij nu met zijne handen over onze kleederen en straks ook langs
ons gelaat te strijken. Deze bijzondere gemeenzaamheid, die wij kalm
afweerden, gaf nu ook aan de anderen moed, naderbij te komen en ons
ook een weinig te betasten. Wij lieten hen eenige oogenblikken begaan;
toen, oordeelende dat het nu genoeg was, maakten wij eene beweging
met de geweren, die hen dadelijk op een eerbiedigen afstand deed
terugwijken. Daar hielden zij stil, zetten zich gedeeltelijk op den
grond neder, en bleven ons onafgebroken aanstaren.
Nog meer dan hunne plotselinge verschijning, verwonderde mij hun
bescheiden zwijgen over onze messen en bijlen. Hield de vrees voor onze
geweren hun den mond gesloten? of wisten zij door hun gids, dat wij
de messen en bijlen niet voor niet gaven, maar slechts tegen andere
voorwerpen inruilden? Daar zij nu niets hadden om ons aan te bieden,
hielden zij zich maar stil, wetende dat zij toch niets krijgen zouden.
Na verloop van een half uur, oordeelde ik dat het nu tijd was,
afscheid van onze nieuwe bekenden te nemen. Ik stond juist op het
punt aan onze dragers te gelasten, den tocht te hervatten, toen Pepe
Garcia, die zich onder de Chunchos begeven had en met hen praatte,
op den inval kwam om hun te vragen, van waar die steenhoopen afkomstig
waren, die wij in den omtrek hadden opgemerkt. In het eerst scheen hun
de vraag bespottelijk en antwoordden zij alleen met een luid gelach;
maar eindelijk deelden zij onzen tolk mede, dat die steenhoopen in
vroeger tijd waren opgeworpen door menschen van onzen eigen stam en
kleur; met het doel om goud op te zamelen, dat door de rivier, welke
toen langs die plaats haar weg nam, werd medegevoerd. Deze rivier
had zich sedert teruggetrokken, wilden wij haar zien, dan moesten
wij links afslaan.
De rivier, waarvan deze Siriniris spraken, moest de San-Gaban zijn,
in de zeventiende eeuw beroemd vanwege de goudwasscherijen, aan hare
oevers gevestigd. Ik besloot zoo mogelijk, eenige nadere inlichtingen
in te winnen, en verzocht den tolk aan de Indianen eenige vragen
te doen, die ik hem zou opgeven, met de belofte dat zoo zij die
behoorlijk beantwoordden, zij eenige messen ten geschenke zouden
ontvangen. Aanstonds hield hunne luidruchtigheid op, en luisterden
zij met ingespannen aandacht naar hetgeen hun zou worden gevraagd.
Ik liet hun daarop door Pepe Garcia vragen of zij hunne vaders of
grootvaders nooit hadden hooren spreken van eene stad, in vroeger
tijd door de Spanjaarden hier in den omtrek gebouwd, en die door de
Caranga- en Suchimani-Indianen van de rivier Inambari was verbrand
geworden. Deze vraag bracht eene geweldige opschudding onder de
Chunchos te weeg: zij riepen en schreeuwden, en wilden allen te
gelijk antwoorden. Ik verstond niets dan de woorden _sacapa huyaris
Jpanos_, die met groote levendigheid en drift werden uitgesproken; maar
toch begreep ik, dat de geschiedenis van San-Graban en de spaansche
avonturiers, als overlevering bij deze stammen bekend was. Verder
bleek dat de Carangas en de Suchimanis sedert langen tijd deze streek
verlaten hadden; en dat de plaats, waar de oude stad gestaan had,
niet meer dan een dagreis verwijderd was.
De verzoeking om deze eenmaal zoo beroemde plek te gaan zien,
was mij te sterk; ook de kolonel en de Bolivianen namen met deze
geringe afwijking van onzen weg genoegen. Terwijl wij nog daarover
beraadslaagden, lieten de Siriniris ons door Pepe Garcia vragen,
of wij de bedoelde plaats, die zij Sacapa noemden, wilden bezoeken;
en op mijn bevestigend antwoord, bood Dunkinpuna, die de aanvoerder
scheen te zijn, aan, ons derwaarts te geleiden, tot belooning een bijl
vragende. Aanstonds wilde de gansche troep medegaan, waar ik volstrekt
geen zin in had. Na lange onderhandelingen, kwam men eindelijk overeen,
dat drie van de oudsten met den chef Dunkinpuna mede zouden gaan; deze
gidsen zouden ieder een bijl krijgen, en, na volbrachten tocht, voor
de anderen, die achterbleven, een zeker aantal messen, vischhaken,
belletjes en andere snuisterijen, medebrengen. De achterblijvende
mannen keerden daarop naar de vrouwen en kinderen terug, die op eenigen
afstand waren gebleven. Vergezeld van onze vier gidsen trokken wij
het woud in, dat allengs dichter en dichter werd, en ons noodzaakte,
met bijlen en messen een doortocht te banen, tot groote verwondering
der wilden, die de lianen en struiken eenvoudig op zij schuiven.
Het begon duister te worden, en wij moesten eene geschikte plaats
opzoeken om in het woud te overnachten. Vooraf wilden wij echter
gaarne onzen honger stillen: maar de voorraad ontbrak. Op mijn last
wonnen onze beide tolken den raad in der Chunchos, die, gewoon in deze
bosschen te leven, beter dan wij bekend moesten zijn met de middelen
om ons een avondmaal te bezorgen. Zij waren aanstonds bereid, ons te
helpen, en gingen met onze beide tolken het bosch in; terwijl onze
dragers inmiddels hout bijeen zochten en een vuur aanmaakten. Weldra
vielen vijf geweerschoten, en kort daarop keerden onze lieden terug
met wildbraad en vruchten in overvloed. Het wildbraad bestond in een
afschuwelijk leelijken brulaap, drie hoccos en vijf patrijzen. De
maaltijd smaakte ons heerlijk, en wel verkwikt begaven wij ons ter
rust. Onze gidsen, die het vuur zouden aanhouden, sliepen echter niet,
maar bleven den geheelen nacht door babbelen.
Den volgenden morgen zetten wij onzen marsch voort, en bereikten
omstreeks den middag een plek, waar de boomen zeer ver uit elkander
stonden en een soort van open vlakte lieten, van ongeveer twee
kilometer in omtrek, waarachter weder het dichte woud begon. De met
gras begroeide grond was zeer ongelijk, vol kloven en gaten en diepten,
overal omgewoeld als ten gevolge eener vulkanische werking. Deze
eigenaardigheid viel te meer in het oog, omdat wij sedert den vorigen
dag bijna over een geheel effen bodem waren voortgetrokken.
De wilden hadden zich onmiddellijk en zonder zich verder om ons te
bekommeren, op den grond neder gezet. Ik dacht eerst, dat zij wat
verlangden te rusten, maar vernam weldra, dat wij te San-Gaban waren,
en dat zij afwachtten of wij nog verder wilden gaan. Deze mededeeling
verbaasde mij zoozeer, dat ik de gidsen op nieuw door Pepe Garcia
liet ondervragen, waarop zij nogmaals verzekerden dat wij ons op de
eigen plek bevonden, waar San-Gaban gestaan had. Nu was geen twijfel
langer mogelijk; werktuigelijk zag ik in het rond, of ik niet een of
ander overblijfsel van menschelijken arbeid vinden kon; ik zag niets
dan gras, mos, struiken en groote boomen. Toch was deze eenzaamheid
eenmaal getuige geweest van een koortsachtig overspannen leven.
Het was omstreeks het jaar 1550. De valleien van Caravaya, destijds
door de stammen Suchimani en Caranga bewoond, waren door spaansche
deserteurs ontdekt geworden, die, zoodra zij zich vergewist hadden,
dat hier goud in overvloed voorhanden was, de Indianen verdreven,
zich hier vestigden, en de toevallig gevonden schatten gingen
exploiteeren. Intusschen verspreidde zich spoedig het gerucht dezer
ontdekking. Don Antonio de Mendoza, onderkoning van Peru, ook zijn
aandeel in de winst begeerende, had eene kolonie Spanjaarden, soldaten
en commissarissen, ingenieurs en metselaars, daarheen gezonden, en
in de nieuw ontdekte streek de dorpen Ollachea, San-Gaban, Aporoma,
Sandia, San-Juan-del-Oro, Inambari en Pari, doen bouwen. De vereenigde
mijnwerkers van San-Gaban en San-Juan-del-Oro zonden aan Karel V een
klomp goud ten geschenke van tweehonderd achttien pond; de keizer had,
tot belooning, aan de beide vlekken den titel van keizerlijke stad
geschonken en al de inwoners in den adelstand verheven.
De exploitatie der negentien valleien van oostelijk Caravaya werd
gedurende ongeveer twee eeuwen voortgezet, en bracht den koningen
van Spanje vele millioenen op. Na dien tijd werden de meeste werken
verlaten; de vlekken ontvolkten zich; de mijnwerkers, nu pachters
geworden, gingen op hunne nieuw ontgonnen plantages leven; toen, later
nog, het echte spaansche ras was uitgestorven of zich naar elders had
verstrooid, werd de landstreek ingenomen door eene gemengde bevolking,
die er heden nog gevestigd is.
In 1767 was de stad San-Gaban de eenige, die nog van hare vroegere
mededingsters was overgebleven, en nu ook de algemeene verzamelplaats
der schatten van Caravaya. Al het goud, hetzij erts, hetzij korrels,
hetzij goudzand, dat ergens in het land werd gevonden, werd door
Indianen of op muildieren naar San-Gaban gebracht, en in loodsen
geborgen, vanwaar het eenmaal per jaar, na gesmolten en tot staven
gevormd te zijn, naar Lima werd vervoerd, om vervolgens naar Spanje
te worden overgebracht. In den nacht van 15 op 16 December dezes
jaars 1767, werd de keizerlijke stad, die hoegenaamd geen gevaar
vermoedde, door de Carangas en de Suchimanis overvallen, die haar
in brand staken en al de inwoners vermoordden. Zoo werd door de
afstammelingen der eerste bezitters van Caravaya, de overweldiging
van voor twee eeuwen gewroken. Dit feit baarde destijds groot opzien,
en was het onderwerp van alle gesprekken; maar het geslacht, dat van
deze verwoesting getuige was geweest, werd door een ander vervangen,
en de treurige geschiedenis van San-Gaban werd langzamerhand eene
geheimzinnige legende. Zelfs als ge hier te midden van het woud staat,
waar niets u van de tegenwoordigheid van menschen spreekt, zoudt ge
bijkans aan de waarheid der historie gaan twijfelen.
Ik liet aan onze gidsen vier bijlen ter hand stellen, als loon voor
hunne dienst; en toen ik zag, dat zij daarmede zeer in hun schik waren,
liet ik hun verzoeken zich ook met de zorg voor ons ontbijt te willen
belasten, gelijk zij den vorigen avond zoogoed voor ons souper hadden
gezorgd. Zij toonden zich daartoe bereid, en verdwenen weldra in het
bosch; de kolonel en de beide tolken togen mede, op hunne eigene
gelegenheid, ter jacht. Al spoedig keerden deze laatsten terug,
met geen anderen buit dan een eekhoorn en een paar vogels, maar de
Chunchos lieten zich te vergeefs wachten. Doch nauwelijks hadden wij
ons schraal ontbijt verorberd, of een dier onbeschrijfelijke kreten,
waarvan geen taal eenig denkbeeld geven kan, drong ons door merg en
been. Opziende zagen wij een ganschen troep wilden, mannen, vrouwen
en kinderen, die in draf naar ons toekwamen. Wij hadden ternauwernood
den tijd, eenigszins van onze verbazing te bekomen, toen wij reeds
aan alle kanten omsingeld waren, en onder luid geschreeuw en geschater
werden omhelsd, geschud, en op allerlei manieren geliefkoosd.
Te vergeefs poogde ik onder de wilden onze gidsen van zooeven te
herkennen; ik hoorde en zag niets, versuft door het oorverdoovend
geschreeuw: _Siruta inta menea!_--geef mij een mes!--dat door het bosch
weerklonk. Ieder onzer was door minstens een zestal Chunchos omringd,
zonder de vrouwen en kinderen te rekenen, die even dapper meededen. Met
groote moeite, en door met onze vuisten en onze geweren dapper om ons
heen te slaan, gelukte het ons eindelijk een weinig ruimte te maken;
de Chunchos vormden nu een kring om ons, terwijl anderen inmiddels
pogingen aanwendden om zich van onze bagage meester te maken. Ziende
wat er gaande was, haastten wij ons, onze dragers ter hulp te komen,
die van schrik als verlamd waren. Van de daardoor ontstane verwarring
maakten de Chunchos gebruik, om haastig alles weg te pakken wat zij
grijpen konden, en daarmede in het bosch te verdwijnen.
Na een weinig de orde hersteld te hebben, togen wij weder op weg,
op eenigen afstand gevolgd door de wilden. Daar ik den schijn niet
wilde aannemen, alsof wij voor den vijand vluchtten, beval ik halt
te houden, en onze vervolgers af te wachten. Het duurde ook niet
lang, of zij hadden ons op nieuw omsingeld. Onder luid geschreeuw
wierpen de Indianen zich nu op onze bagage, als tijgers op hunne
prooi. Onze dragers namen verschrikt de vlucht; de cascarilleros,
aan dergelijke tooneelen niet gewoon, beefden over al hunne leden. In
weinige oogenblikken waren wij bijna van alles beroofd wat wij hadden,
waarna de Chunchos zich, lachende en juichende, verwijderden.
Gelukkig waren er verder geen ongelukken gebeurd, en kwamen wij, het
verlies onzer bagage daargelaten, verder met den schrik vrij. Wij
besloten nu evenwel, onmiddellijk den terugtocht aan te nemen,
hetgeen wij zooveel te gereeder doen konden, daar de nasporingen
onzer Bolivianen althans een voldoenden uitslag hadden opgeleverd,
en wij dus in zooverre het doel onzer reis hadden bereikt. Wij riepen
dus onze dragers, die zich in de struiken hadden verscholen, terug,
pakten het weinige, dat ons nog was overgebleven bijeen, en sloegen
den weg in naar Marcapata.
Wij liepen dien geheelen dag zoo snel wij konden, ten einde ons zoover
mogelijk van den noodlottigen vijand te verwijderen. Tegen den avond
bereikten wij een heuvel, waar wij besloten te overnachten. Met onze
messen baanden wij ons een weg door de struiken en slingerplanten,
waarmede de helling geheel bedekt was; en op den top gekomen,
vonden wij een pleintje, met mos begroeid en door groote boomen
omringd. Hier zetten wij ons neder; van avondeten kon geen spraak
zijn; vuur aanmaken durfden wij niet, uit vrees dat wij daardoor onze
schuilplaats aan de wilden zouden openbaren. Uitgeput van vermoeienis,
vielen wij eindelijk in slaap.
Tegen het krieken van den morgen werden wij eensklaps door het reeds
zoo welbekende geschreeuw gewekt. Er viel niet aan te twijfelen:
de wilden hadden ons wederom ingehaald. In een oogenblik waren zij
bij ons, en begon hetzelfde tumult op nieuw. Onder de bende waren er
ook, die aan de plundering van gisteren geen deel hadden genomen,
en nu ook hun deel van den buit verlangden. Om hen tot bedaren te
brengen, liet ik de valiezen openen, zoodat zij zelf konden zien,
dat wij niets meer bezaten om hun te geven. Maar, in plaats van heen
te gaan, hieven zij een nog luider geschreeuw aan; en een hunner,
een athletisch gebouwde jonkman van twintig jaren, van het hoofd
tot de voeten met roode en zwarte strepen beschilderd, wierp ons,
met eene uitdrukking van toorn en verontwaardiging, een hoop versch
afgesneden lianen voor de voeten. Dat waren de lianen, die wij den
vorigen avond, bij het beklimmen van den heuvel, hadden afgesneden:
de wilden wierpen ons die nu voor de voeten, om onze bewering te
logenstraffen, dat wij geen messen meer hadden. Ik haastte mij,
mijn kostbaar spaansch mes, dat in mijn gordel stak, te verbergen;
nauwelijks had ik dit gedaan, of de Chunchos onderzochten ons den
een na den ander, en ontnamen aan mijne reisgenooten de messen,
die zij niet in veiligheid hadden kunnen brengen.
Nu volgde een tooneel van uitgelaten dartelheid, waarvan wij
de weerlooze slachtoffers waren. De Chunchos bespotten ons met
woorden en gebaren, en begonnen eindelijk onze aangezichten, die hun
waarschijnlijk te bleek voorkwam, met plantensap te verven. Nadat
dit een poos geduurd had, en de wilden alles bijeen hadden geraapt
wat nog vatbaar was om medegenomen te worden, verwijderden zij zich,
lachende en met de hand afscheidsgroeten toewuivende.
Wij bleven nog een poos roerloos zitten, niet anders denkende dan dat
de dieven aanstonds weder terug zouden komen. Toen wij ons eindelijk
overtuigd hadden dat zij voorgoed vertrokken waren, rezen wij op,
daalden van den heuvel af, en gingen het bosch in. Weldra werd onze
marsch een overhaaste vlucht: wij stormden voort, dwars door struiken,
kreupelhout en lianen en doornen, zonder ons te bekommeren over
onze gescheurde kleederen of opengereten handen en beenen. Eindelijk
bereikten wij den oever van de Ayapata, waar wij, verscholen onder
het dichte houtgewas, eenigen tijd rustten, en beraadslaagden wat
ons verder te doen stond. Onzen honger stilden wij met eenige wilde
vruchten, die de cascarilleros, op handen en voeten voortkruipende,
gingen opzoeken. Na een uur gerust te hebben, vervolgden wij onzen
tocht, altijd even hard loopende, en beurtelings den oever en het
bosch volgende, om de wilden het spoor bijster te doen worden. In
den namiddag vonden wij een grooten drijvenden boomstam, waarvan wij
gebruik maakten om naar den linker oever van de Ayapata over te steken,
waar wij dadelijk het woud ingingen. Wij moesten nu nog de rivier de
Ollachea oversteken, om de vallei van Marcapata te bereiken, vanwaar
wij uitgegaan waren.
Nog twee dagen verliepen er, eer wij de rivier de Ollachea bereikten:
twee dagen van bijna doodelijke vermoeienis en ontbering. Wij leefden
van wilde vruchten en wortelen, die het woud opleverde, en konden
niet dan met groote moeite voortgaan. Wij doorwaadden de Ollachea op
de plaats, waar zij, in twee armen zich splitsende, eene bruikbare
voorde heeft, en zetten onzen tocht voort naar de Camantis, waar wij
na verloop van nogmaals twee dagen aankwamen. Daar mochten wij ons
vleien veilig te zijn voor verdere ontmoetingen met de Chunchos, die
ons als onze schaduw gevolgd waren; wij maakten dus een groot vuur
aan, en deden ons te goed aan vruchten, benevens aan sprinkhanen en
slakken, die wij lieten braden. Onze dragers wisten bovendien, met
groote behendigheid, eenige palmboomen te beklimmen, en met behulp
van mijn mes, het eenige dat ons nog overgebleven was, de zoogenaamde
palmkool af te snijden, die eene ware lekkernij was.
Den volgenden morgen hervatten wij met frisschen moed, onzen tocht. Bij
het wederzien der bekende punten, was het ons of wij een nieuw leven
tegemoet gingen. Hoe ook vermoeid en uitgehongerd, trokken wij
opgewekt en blijmoedig voort, zeker, dat wij nu den eindpaal van
ons lijden naderden. Weldra bereikten wij Maniri, en dan, na een
geforceerden marsch, Sausipata, waar wij ons te goed deden aan de
onrijpe vruchten in den tuin van den gobernador van Marcapata, den oom
van Aragon. Zoo ging de tocht nu rustiger en met minder overhaasting
voort, van station tot station, tot wij eindelijk, op zekeren namiddag
Marcapata in het gezicht kregen, waar men bereids van onze nadering
onderricht was. Nauwelijks hadden wij het vlek betreden, of de pastoor
en de gobernador kwamen ons te gemoet om ons te begroeten. Toen zij
ons zagen, konden zij een uitroep van verbazing en medelijden niet
bedwingen: in plaats toch van de vroolijke, hoopvolle reizigers, die,
met blijden moed, nu twee maanden geleden, afscheid van hen genomen
hadden, vonden zij uitgeputte, uitgehongerde wezens, in lompen gehuld,
door de zon verbrand en door de venijnige insecten en de scherpe
doornen onbarmhartig toegetakeld. "Ach, mijn zoon, zeide de waardige
geestelijke tot mij, terwijl hij mij bij het afstijgen hielp; dat
komt er van, wanneer men in het land der ongeloovigen cascarillas
gaat zoeken."
Wij begaven ons nu naar de pastorie, waar wij twee dagen vertoefden. Na
met onze tolken en dragers afgerekend te hebben, namen wij afscheid
van den braven pastoor, en vervolgden onze reis naar Cuzco, waar ik
aan Juan Sanz de Santo-Domingo een uitvoerig verslag van het resultaat
onzer expeditie ter hand stelde. Acht dagen later had ik mij weder op
reis begeven, en stond ik aan den oever van het heilige meer Titicaca.