IV.

Den volgenden morgen hervatten wij onzen tocht, door een prachtig

landschap, waar het anders zoo dichte, bijkans ondoordringbare woud

schier de gedaante aannam van een park met schilderachtige, verspreide

boomgroepen. Na een marsch van eenige uren bereikten wij een open

plek, waar onze aandacht getrokken werd door steenhoopen, in halven

cirkel of rechte lijn nevens elkander geplaatst. Onze cascarilleros

stonden in twijfel, of hier aan de arbeid van menschenhanden dan

wel aan de werking van het water der rivier moest worden gedacht:

en wij waren juist bezig hierover te praten, toen ons eensklaps uit

het bosch een geweldig geschreeuw tegenklonk, dat ons eene huivering

door de leden joeg. Wij keerden ons allen te gelijk om naar den kant,

vanwaar dat geluid kwam, en zagen, op nauwelijks twintig schreden

afstands van ons, een troep Chunchos, met den boog in de hand en de

kroon van vederen op het hoofd.

De Indianen hervatten nu hun geschreeuw, en begonnen tegelijk te

springen en allerlei gebaren te maken, maar niemand kwam naar ons toe:

zij bleven springen en hunne armen en beenen bewegen, doch zonder

te naderen. Wij begrepen de reden hunner terughouding, toen wij een

hunner het woord _tasa-tasa_ hoorden uitspreken, terwijl hij op onze

geweren wees. In dien man herkende ik dadelijk, aan zijn eigenaardig

hoofdtooisel, een der Siriniris, wier ontmoeting ons bewogen had,

de rivier Ayapata over te trekken. De Indiaan had ons dus gevolgd,

zonder dat wij daar iets van hadden gemerkt, en hij was het, die ons

nu deze nieuwe bezoekers op het lijf stuurde.

Toen de Chuncho bemerkte dat wij hem herkend hadden: trad hij eenige

schreden vooruit, en zijne armen uitbreidende, alsof hij ons wilde

omhelzen, riep hij ons toe: _Amico Dunkinpuna huayri_. Volgens Pepe

Garcia wilde hij daarmede zeggen, dat hij onze vriend was, en dat wij

te doen hadden met een opperhoofd (_huaijri_), Dunkinpuna genaamd. Wij

beantwoordden deze mededeeling met de verzekering, dat hij zonder

vrees naderbij kon komen. De Siriniri liet zich dit geen tweemaal

zeggen: hij liep naar ons toe en sloot ons in zijne armen, daarbij

tevens, met eene komische mengeling van angst en nieuwsgierigheid,

onze geweren aanrakende. Door ons vriendelijk onthaal gerustgesteld,

begon hij nu met zijne handen over onze kleederen en straks ook langs

ons gelaat te strijken. Deze bijzondere gemeenzaamheid, die wij kalm

afweerden, gaf nu ook aan de anderen moed, naderbij te komen en ons

ook een weinig te betasten. Wij lieten hen eenige oogenblikken begaan;

toen, oordeelende dat het nu genoeg was, maakten wij eene beweging

met de geweren, die hen dadelijk op een eerbiedigen afstand deed

terugwijken. Daar hielden zij stil, zetten zich gedeeltelijk op den

grond neder, en bleven ons onafgebroken aanstaren.

Nog meer dan hunne plotselinge verschijning, verwonderde mij hun

bescheiden zwijgen over onze messen en bijlen. Hield de vrees voor onze

geweren hun den mond gesloten? of wisten zij door hun gids, dat wij

de messen en bijlen niet voor niet gaven, maar slechts tegen andere

voorwerpen inruilden? Daar zij nu niets hadden om ons aan te bieden,

hielden zij zich maar stil, wetende dat zij toch niets krijgen zouden.

Na verloop van een half uur, oordeelde ik dat het nu tijd was,

afscheid van onze nieuwe bekenden te nemen. Ik stond juist op het

punt aan onze dragers te gelasten, den tocht te hervatten, toen Pepe

Garcia, die zich onder de Chunchos begeven had en met hen praatte,

op den inval kwam om hun te vragen, van waar die steenhoopen afkomstig

waren, die wij in den omtrek hadden opgemerkt. In het eerst scheen hun

de vraag bespottelijk en antwoordden zij alleen met een luid gelach;

maar eindelijk deelden zij onzen tolk mede, dat die steenhoopen in

vroeger tijd waren opgeworpen door menschen van onzen eigen stam en

kleur; met het doel om goud op te zamelen, dat door de rivier, welke

toen langs die plaats haar weg nam, werd medegevoerd. Deze rivier

had zich sedert teruggetrokken, wilden wij haar zien, dan moesten

wij links afslaan.

De rivier, waarvan deze Siriniris spraken, moest de San-Gaban zijn,

in de zeventiende eeuw beroemd vanwege de goudwasscherijen, aan hare

oevers gevestigd. Ik besloot zoo mogelijk, eenige nadere inlichtingen

in te winnen, en verzocht den tolk aan de Indianen eenige vragen

te doen, die ik hem zou opgeven, met de belofte dat zoo zij die

behoorlijk beantwoordden, zij eenige messen ten geschenke zouden

ontvangen. Aanstonds hield hunne luidruchtigheid op, en luisterden

zij met ingespannen aandacht naar hetgeen hun zou worden gevraagd.

Ik liet hun daarop door Pepe Garcia vragen of zij hunne vaders of

grootvaders nooit hadden hooren spreken van eene stad, in vroeger

tijd door de Spanjaarden hier in den omtrek gebouwd, en die door de

Caranga- en Suchimani-Indianen van de rivier Inambari was verbrand

geworden. Deze vraag bracht eene geweldige opschudding onder de

Chunchos te weeg: zij riepen en schreeuwden, en wilden allen te

gelijk antwoorden. Ik verstond niets dan de woorden _sacapa huyaris

Jpanos_, die met groote levendigheid en drift werden uitgesproken; maar

toch begreep ik, dat de geschiedenis van San-Graban en de spaansche

avonturiers, als overlevering bij deze stammen bekend was. Verder

bleek dat de Carangas en de Suchimanis sedert langen tijd deze streek

verlaten hadden; en dat de plaats, waar de oude stad gestaan had,

niet meer dan een dagreis verwijderd was.

De verzoeking om deze eenmaal zoo beroemde plek te gaan zien,

was mij te sterk; ook de kolonel en de Bolivianen namen met deze

geringe afwijking van onzen weg genoegen. Terwijl wij nog daarover

beraadslaagden, lieten de Siriniris ons door Pepe Garcia vragen,

of wij de bedoelde plaats, die zij Sacapa noemden, wilden bezoeken;

en op mijn bevestigend antwoord, bood Dunkinpuna, die de aanvoerder

scheen te zijn, aan, ons derwaarts te geleiden, tot belooning een bijl

vragende. Aanstonds wilde de gansche troep medegaan, waar ik volstrekt

geen zin in had. Na lange onderhandelingen, kwam men eindelijk overeen,

dat drie van de oudsten met den chef Dunkinpuna mede zouden gaan; deze

gidsen zouden ieder een bijl krijgen, en, na volbrachten tocht, voor

de anderen, die achterbleven, een zeker aantal messen, vischhaken,

belletjes en andere snuisterijen, medebrengen. De achterblijvende

mannen keerden daarop naar de vrouwen en kinderen terug, die op eenigen

afstand waren gebleven. Vergezeld van onze vier gidsen trokken wij

het woud in, dat allengs dichter en dichter werd, en ons noodzaakte,

met bijlen en messen een doortocht te banen, tot groote verwondering

der wilden, die de lianen en struiken eenvoudig op zij schuiven.

Het begon duister te worden, en wij moesten eene geschikte plaats

opzoeken om in het woud te overnachten. Vooraf wilden wij echter

gaarne onzen honger stillen: maar de voorraad ontbrak. Op mijn last

wonnen onze beide tolken den raad in der Chunchos, die, gewoon in deze

bosschen te leven, beter dan wij bekend moesten zijn met de middelen

om ons een avondmaal te bezorgen. Zij waren aanstonds bereid, ons te

helpen, en gingen met onze beide tolken het bosch in; terwijl onze

dragers inmiddels hout bijeen zochten en een vuur aanmaakten. Weldra

vielen vijf geweerschoten, en kort daarop keerden onze lieden terug

met wildbraad en vruchten in overvloed. Het wildbraad bestond in een

afschuwelijk leelijken brulaap, drie hoccos en vijf patrijzen. De

maaltijd smaakte ons heerlijk, en wel verkwikt begaven wij ons ter

rust. Onze gidsen, die het vuur zouden aanhouden, sliepen echter niet,

maar bleven den geheelen nacht door babbelen.

Den volgenden morgen zetten wij onzen marsch voort, en bereikten

omstreeks den middag een plek, waar de boomen zeer ver uit elkander

stonden en een soort van open vlakte lieten, van ongeveer twee

kilometer in omtrek, waarachter weder het dichte woud begon. De met

gras begroeide grond was zeer ongelijk, vol kloven en gaten en diepten,

overal omgewoeld als ten gevolge eener vulkanische werking. Deze

eigenaardigheid viel te meer in het oog, omdat wij sedert den vorigen

dag bijna over een geheel effen bodem waren voortgetrokken.

De wilden hadden zich onmiddellijk en zonder zich verder om ons te

bekommeren, op den grond neder gezet. Ik dacht eerst, dat zij wat

verlangden te rusten, maar vernam weldra, dat wij te San-Gaban waren,

en dat zij afwachtten of wij nog verder wilden gaan. Deze mededeeling

verbaasde mij zoozeer, dat ik de gidsen op nieuw door Pepe Garcia

liet ondervragen, waarop zij nogmaals verzekerden dat wij ons op de

eigen plek bevonden, waar San-Gaban gestaan had. Nu was geen twijfel

langer mogelijk; werktuigelijk zag ik in het rond, of ik niet een of

ander overblijfsel van menschelijken arbeid vinden kon; ik zag niets

dan gras, mos, struiken en groote boomen. Toch was deze eenzaamheid

eenmaal getuige geweest van een koortsachtig overspannen leven.

Het was omstreeks het jaar 1550. De valleien van Caravaya, destijds

door de stammen Suchimani en Caranga bewoond, waren door spaansche

deserteurs ontdekt geworden, die, zoodra zij zich vergewist hadden,

dat hier goud in overvloed voorhanden was, de Indianen verdreven,

zich hier vestigden, en de toevallig gevonden schatten gingen

exploiteeren. Intusschen verspreidde zich spoedig het gerucht dezer

ontdekking. Don Antonio de Mendoza, onderkoning van Peru, ook zijn

aandeel in de winst begeerende, had eene kolonie Spanjaarden, soldaten

en commissarissen, ingenieurs en metselaars, daarheen gezonden, en

in de nieuw ontdekte streek de dorpen Ollachea, San-Gaban, Aporoma,

Sandia, San-Juan-del-Oro, Inambari en Pari, doen bouwen. De vereenigde

mijnwerkers van San-Gaban en San-Juan-del-Oro zonden aan Karel V een

klomp goud ten geschenke van tweehonderd achttien pond; de keizer had,

tot belooning, aan de beide vlekken den titel van keizerlijke stad

geschonken en al de inwoners in den adelstand verheven.

De exploitatie der negentien valleien van oostelijk Caravaya werd

gedurende ongeveer twee eeuwen voortgezet, en bracht den koningen

van Spanje vele millioenen op. Na dien tijd werden de meeste werken

verlaten; de vlekken ontvolkten zich; de mijnwerkers, nu pachters

geworden, gingen op hunne nieuw ontgonnen plantages leven; toen, later

nog, het echte spaansche ras was uitgestorven of zich naar elders had

verstrooid, werd de landstreek ingenomen door eene gemengde bevolking,

die er heden nog gevestigd is.

In 1767 was de stad San-Gaban de eenige, die nog van hare vroegere

mededingsters was overgebleven, en nu ook de algemeene verzamelplaats

der schatten van Caravaya. Al het goud, hetzij erts, hetzij korrels,

hetzij goudzand, dat ergens in het land werd gevonden, werd door

Indianen of op muildieren naar San-Gaban gebracht, en in loodsen

geborgen, vanwaar het eenmaal per jaar, na gesmolten en tot staven

gevormd te zijn, naar Lima werd vervoerd, om vervolgens naar Spanje

te worden overgebracht. In den nacht van 15 op 16 December dezes

jaars 1767, werd de keizerlijke stad, die hoegenaamd geen gevaar

vermoedde, door de Carangas en de Suchimanis overvallen, die haar

in brand staken en al de inwoners vermoordden. Zoo werd door de

afstammelingen der eerste bezitters van Caravaya, de overweldiging

van voor twee eeuwen gewroken. Dit feit baarde destijds groot opzien,

en was het onderwerp van alle gesprekken; maar het geslacht, dat van

deze verwoesting getuige was geweest, werd door een ander vervangen,

en de treurige geschiedenis van San-Gaban werd langzamerhand eene

geheimzinnige legende. Zelfs als ge hier te midden van het woud staat,

waar niets u van de tegenwoordigheid van menschen spreekt, zoudt ge

bijkans aan de waarheid der historie gaan twijfelen.

Ik liet aan onze gidsen vier bijlen ter hand stellen, als loon voor

hunne dienst; en toen ik zag, dat zij daarmede zeer in hun schik waren,

liet ik hun verzoeken zich ook met de zorg voor ons ontbijt te willen

belasten, gelijk zij den vorigen avond zoogoed voor ons souper hadden

gezorgd. Zij toonden zich daartoe bereid, en verdwenen weldra in het

bosch; de kolonel en de beide tolken togen mede, op hunne eigene

gelegenheid, ter jacht. Al spoedig keerden deze laatsten terug,

met geen anderen buit dan een eekhoorn en een paar vogels, maar de

Chunchos lieten zich te vergeefs wachten. Doch nauwelijks hadden wij

ons schraal ontbijt verorberd, of een dier onbeschrijfelijke kreten,

waarvan geen taal eenig denkbeeld geven kan, drong ons door merg en

been. Opziende zagen wij een ganschen troep wilden, mannen, vrouwen

en kinderen, die in draf naar ons toekwamen. Wij hadden ternauwernood

den tijd, eenigszins van onze verbazing te bekomen, toen wij reeds

aan alle kanten omsingeld waren, en onder luid geschreeuw en geschater

werden omhelsd, geschud, en op allerlei manieren geliefkoosd.

Te vergeefs poogde ik onder de wilden onze gidsen van zooeven te

herkennen; ik hoorde en zag niets, versuft door het oorverdoovend

geschreeuw: _Siruta inta menea!_--geef mij een mes!--dat door het bosch

weerklonk. Ieder onzer was door minstens een zestal Chunchos omringd,

zonder de vrouwen en kinderen te rekenen, die even dapper meededen. Met

groote moeite, en door met onze vuisten en onze geweren dapper om ons

heen te slaan, gelukte het ons eindelijk een weinig ruimte te maken;

de Chunchos vormden nu een kring om ons, terwijl anderen inmiddels

pogingen aanwendden om zich van onze bagage meester te maken. Ziende

wat er gaande was, haastten wij ons, onze dragers ter hulp te komen,

die van schrik als verlamd waren. Van de daardoor ontstane verwarring

maakten de Chunchos gebruik, om haastig alles weg te pakken wat zij

grijpen konden, en daarmede in het bosch te verdwijnen.

Na een weinig de orde hersteld te hebben, togen wij weder op weg,

op eenigen afstand gevolgd door de wilden. Daar ik den schijn niet

wilde aannemen, alsof wij voor den vijand vluchtten, beval ik halt

te houden, en onze vervolgers af te wachten. Het duurde ook niet

lang, of zij hadden ons op nieuw omsingeld. Onder luid geschreeuw

wierpen de Indianen zich nu op onze bagage, als tijgers op hunne

prooi. Onze dragers namen verschrikt de vlucht; de cascarilleros,

aan dergelijke tooneelen niet gewoon, beefden over al hunne leden. In

weinige oogenblikken waren wij bijna van alles beroofd wat wij hadden,

waarna de Chunchos zich, lachende en juichende, verwijderden.

Gelukkig waren er verder geen ongelukken gebeurd, en kwamen wij, het

verlies onzer bagage daargelaten, verder met den schrik vrij. Wij

besloten nu evenwel, onmiddellijk den terugtocht aan te nemen,

hetgeen wij zooveel te gereeder doen konden, daar de nasporingen

onzer Bolivianen althans een voldoenden uitslag hadden opgeleverd,

en wij dus in zooverre het doel onzer reis hadden bereikt. Wij riepen

dus onze dragers, die zich in de struiken hadden verscholen, terug,

pakten het weinige, dat ons nog was overgebleven bijeen, en sloegen

den weg in naar Marcapata.

Wij liepen dien geheelen dag zoo snel wij konden, ten einde ons zoover

mogelijk van den noodlottigen vijand te verwijderen. Tegen den avond

bereikten wij een heuvel, waar wij besloten te overnachten. Met onze

messen baanden wij ons een weg door de struiken en slingerplanten,

waarmede de helling geheel bedekt was; en op den top gekomen,

vonden wij een pleintje, met mos begroeid en door groote boomen

omringd. Hier zetten wij ons neder; van avondeten kon geen spraak

zijn; vuur aanmaken durfden wij niet, uit vrees dat wij daardoor onze

schuilplaats aan de wilden zouden openbaren. Uitgeput van vermoeienis,

vielen wij eindelijk in slaap.

Tegen het krieken van den morgen werden wij eensklaps door het reeds

zoo welbekende geschreeuw gewekt. Er viel niet aan te twijfelen:

de wilden hadden ons wederom ingehaald. In een oogenblik waren zij

bij ons, en begon hetzelfde tumult op nieuw. Onder de bende waren er

ook, die aan de plundering van gisteren geen deel hadden genomen,

en nu ook hun deel van den buit verlangden. Om hen tot bedaren te

brengen, liet ik de valiezen openen, zoodat zij zelf konden zien,

dat wij niets meer bezaten om hun te geven. Maar, in plaats van heen

te gaan, hieven zij een nog luider geschreeuw aan; en een hunner,

een athletisch gebouwde jonkman van twintig jaren, van het hoofd

tot de voeten met roode en zwarte strepen beschilderd, wierp ons,

met eene uitdrukking van toorn en verontwaardiging, een hoop versch

afgesneden lianen voor de voeten. Dat waren de lianen, die wij den

vorigen avond, bij het beklimmen van den heuvel, hadden afgesneden:

de wilden wierpen ons die nu voor de voeten, om onze bewering te

logenstraffen, dat wij geen messen meer hadden. Ik haastte mij,

mijn kostbaar spaansch mes, dat in mijn gordel stak, te verbergen;

nauwelijks had ik dit gedaan, of de Chunchos onderzochten ons den

een na den ander, en ontnamen aan mijne reisgenooten de messen,

die zij niet in veiligheid hadden kunnen brengen.

Nu volgde een tooneel van uitgelaten dartelheid, waarvan wij

de weerlooze slachtoffers waren. De Chunchos bespotten ons met

woorden en gebaren, en begonnen eindelijk onze aangezichten, die hun

waarschijnlijk te bleek voorkwam, met plantensap te verven. Nadat

dit een poos geduurd had, en de wilden alles bijeen hadden geraapt

wat nog vatbaar was om medegenomen te worden, verwijderden zij zich,

lachende en met de hand afscheidsgroeten toewuivende.

Wij bleven nog een poos roerloos zitten, niet anders denkende dan dat

de dieven aanstonds weder terug zouden komen. Toen wij ons eindelijk

overtuigd hadden dat zij voorgoed vertrokken waren, rezen wij op,

daalden van den heuvel af, en gingen het bosch in. Weldra werd onze

marsch een overhaaste vlucht: wij stormden voort, dwars door struiken,

kreupelhout en lianen en doornen, zonder ons te bekommeren over

onze gescheurde kleederen of opengereten handen en beenen. Eindelijk

bereikten wij den oever van de Ayapata, waar wij, verscholen onder

het dichte houtgewas, eenigen tijd rustten, en beraadslaagden wat

ons verder te doen stond. Onzen honger stilden wij met eenige wilde

vruchten, die de cascarilleros, op handen en voeten voortkruipende,

gingen opzoeken. Na een uur gerust te hebben, vervolgden wij onzen

tocht, altijd even hard loopende, en beurtelings den oever en het

bosch volgende, om de wilden het spoor bijster te doen worden. In

den namiddag vonden wij een grooten drijvenden boomstam, waarvan wij

gebruik maakten om naar den linker oever van de Ayapata over te steken,

waar wij dadelijk het woud ingingen. Wij moesten nu nog de rivier de

Ollachea oversteken, om de vallei van Marcapata te bereiken, vanwaar

wij uitgegaan waren.

Nog twee dagen verliepen er, eer wij de rivier de Ollachea bereikten:

twee dagen van bijna doodelijke vermoeienis en ontbering. Wij leefden

van wilde vruchten en wortelen, die het woud opleverde, en konden

niet dan met groote moeite voortgaan. Wij doorwaadden de Ollachea op

de plaats, waar zij, in twee armen zich splitsende, eene bruikbare

voorde heeft, en zetten onzen tocht voort naar de Camantis, waar wij

na verloop van nogmaals twee dagen aankwamen. Daar mochten wij ons

vleien veilig te zijn voor verdere ontmoetingen met de Chunchos, die

ons als onze schaduw gevolgd waren; wij maakten dus een groot vuur

aan, en deden ons te goed aan vruchten, benevens aan sprinkhanen en

slakken, die wij lieten braden. Onze dragers wisten bovendien, met

groote behendigheid, eenige palmboomen te beklimmen, en met behulp

van mijn mes, het eenige dat ons nog overgebleven was, de zoogenaamde

palmkool af te snijden, die eene ware lekkernij was.

Den volgenden morgen hervatten wij met frisschen moed, onzen tocht. Bij

het wederzien der bekende punten, was het ons of wij een nieuw leven

tegemoet gingen. Hoe ook vermoeid en uitgehongerd, trokken wij

opgewekt en blijmoedig voort, zeker, dat wij nu den eindpaal van

ons lijden naderden. Weldra bereikten wij Maniri, en dan, na een

geforceerden marsch, Sausipata, waar wij ons te goed deden aan de

onrijpe vruchten in den tuin van den gobernador van Marcapata, den oom

van Aragon. Zoo ging de tocht nu rustiger en met minder overhaasting

voort, van station tot station, tot wij eindelijk, op zekeren namiddag

Marcapata in het gezicht kregen, waar men bereids van onze nadering

onderricht was. Nauwelijks hadden wij het vlek betreden, of de pastoor

en de gobernador kwamen ons te gemoet om ons te begroeten. Toen zij

ons zagen, konden zij een uitroep van verbazing en medelijden niet

bedwingen: in plaats toch van de vroolijke, hoopvolle reizigers, die,

met blijden moed, nu twee maanden geleden, afscheid van hen genomen

hadden, vonden zij uitgeputte, uitgehongerde wezens, in lompen gehuld,

door de zon verbrand en door de venijnige insecten en de scherpe

doornen onbarmhartig toegetakeld. "Ach, mijn zoon, zeide de waardige

geestelijke tot mij, terwijl hij mij bij het afstijgen hielp; dat

komt er van, wanneer men in het land der ongeloovigen cascarillas

gaat zoeken."

Wij begaven ons nu naar de pastorie, waar wij twee dagen vertoefden. Na

met onze tolken en dragers afgerekend te hebben, namen wij afscheid

van den braven pastoor, en vervolgden onze reis naar Cuzco, waar ik

aan Juan Sanz de Santo-Domingo een uitvoerig verslag van het resultaat

onzer expeditie ter hand stelde. Acht dagen later had ik mij weder op

reis begeven, en stond ik aan den oever van het heilige meer Titicaca.

Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 5 / 9 题