III.

Den volgenden morgen vertrokken wij van Huatinmio, na van onze

vriendelijke gastheeren afscheid genomen te hebben, en vervolgden

onzen weg. Allengs nam het woud een schilderachtiger karakter aan,

en alleen de begeerte om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik der

Siriniris te komen, dreef ons zoo haastig voort, dat wij aan de schoone

partijen, die ons omringden, niet de aandacht konden schenken, die

zij zoo ruimschoots verdienden. Doch weldra scheen de vrees voor eene

ontmoeting geen beletsel meer om het landschap rondom ons goed op te

nemen; onze cascarilleros begonnen weder de bosschen te onderzoeken,

of zij ook kinaboomen konden vinden: en hunne nasporingen waren niet

altijd vruchteloos. Zoo ging het voort, dagen achtereen, altijd door

de bosschen en wouden; des nachts ons kamp opslaande op een open plek

of aan den oever der rivier, en des daags onzen tocht vervolgende,

die niets bijzonders opleverde.

Op zekeren dag opende zich eensklaps voor ons oog een wijde, dorre

vlakte, schitterende in de zonnestralen, en aan den gezichteinder

begrensd door het woud, waarboven zich de toppen van twee, geheel met

bosch bedekte heuvelen verhieven. Juist toen wij uit de schaduw te

voorschijn kwamen, en ons gereed maakten om de vlakte over te steken,

bespeurden wij een troep inboorlingen, mannen, vrouwen en kinderen,

die naar ons toe kwamen. Deze ontmoeting was ons hoogst onaangenaam,

en wij peinsden op een middel om die nog te vermijden. Dit was alleen

mogelijk door zoo spoedig doenlijk in het woud terug te keeren, en eene

andere richting te volgen. Wij deden dit ook dadelijk: maar helaas,

het was reeds te laat! Plotseling verhief zich een oorverdoovend

geschreeuw, dat duidelijk genoeg bewees, dat de wilden ons gezien

hadden, en het niet meer mogelijk zou zijn, de gevreesde ontmoeting

te vermijden. Wij bleven dus waar wij waren, en wachtten de nadering

dezer onbekenden af. Wij behoefden niet lang te wachten. Zoodra zij

ons in het bosch hadden zien terugtrekken, hadden zij het op een loopen

gezet, en weldra was de geheele bende bij ons. In een oogenblik waren

wij nu omringd en ingesloten, en begonnen de Chunchos ons met luid

geschreeuw en allerlei wilde gebaren te omhelzen en aan hunne borst te

drukken. Niet dan met eenige moeite konden wij er in slagen, ons aan

deze onstuimige liefkozingen te onttrekken, en de wilden een weinig

van het lijf te houden, zoodat wij ons althans vrij bewegen konden.

Wij maakten daarvan gebruik om het bosch te verlaten en naar de vlakte

te gaan, waar wij onze bezoekers beter in het oog konden houden, en zoo

noodig alle vijandelijkheden dadelijk konden keeren; maar onze vrees

bleek weldra ongegrond. Zoodra zij zagen, dat hunne wijze van handelen

ons niet beviel, veranderden zij van houding, en maakte de vrijpostige

familiariteit van zooeven plaats voor aanhalige nederigheid. Toch was

het ons duidelijk, dat zij van begeerte brandden om de fraaie messen

te bezitten, die in onze gordels staken; zij konden er de oogen niet

afwenden, en wezen er naar, terwijl zij met de lippen smakten als

kinderen, die een of andere lekkernij zien. Wij hielden ons evenwel

of wij die wenken niet begrepen en zwegen stil.

Door onze onbekende bezoekers begeleid, trokken wij tot midden in de

vlakte voort. Wij wilden niet doorgaan naar het bosch, waar zij ons

ongetwijfeld zouden volgen, maar hielden halt, in de hoop, dat de

zeer koele ontvangst hen weldra zou bewegen, ons te verlaten. Wij

zetten ons neder op de rotsblokken, die zich hier en daar uit het

zand verhieven; terwijl de Chunchos zich in verschillende houdingen

op den grond zetten; zij wenden hunne blikken niet van ons af, en

begonnen tevens met elkander een druk gesprek, dat op zoo gedempten

toon gevoerd werd, dat wij er geen woord van konden verstaan. Dit

onderhoud, dat natuurlijk in de eerste plaats over onze personen en

onze messen liep, had reeds ongeveer een half uur geduurd, toen ik,

vreezende dat er geen eind aan komen zou, onze tolken verzocht, aan

de wilden te zeggen, dat zij ons verveelden, en dat zij, in plaats

van ons te blijven aankijken, beter zouden doen met heen te gaan en

zich niet verder met ons te bemoeien. Ik weet niet of de tolken mijne

woorden trouw overbrachten; maar wel verre dat de Chunchos den gegeven

raad zouden volgen, begon er nu een levendig gesprek tusschen hen en

onze woordvoerders. Weldra vernamen wij wat er gaande was.

Ziende, dat wij volstrekt niet gezind waren; hen gratis van bijlen

en messen te voorzien, en van hun kant niets bezittende om ons aan

te bieden, waren deze Siriniris op de gedachte gekomen, de begeerde

voorwerpen in te ruilen tegen levensmiddelen, die zij ergens in het

woud verborgen hadden. Hun voorraad bestond in een halven gerookten

pecari; eene zekere hoeveelheid bananen, zoete aardakers en eenige

andere vruchten; en onze tolken hadden het der moeite waard geacht,

daarover nader in onderhandeling te treden, want onze eigene voorraad

was bijna verteerd. De Chunchos hielden echter hunne waren op prijs:

voor den halven pecari vroegen zij een bijl, voor de bananen en

andere vruchten zes groote messen. De prijs was buitensporig; maar

het vooruitzicht van een goeden maaltijd te kunnen doen, was zoo

uitlokkend, dat de koop weldra gesloten werd. Doch, wenschende zoo

spoedig mogelijk van hen verlost te worden, drongen wij er op aan,

dat de zaak onmiddellijk zou worden ten einde gebracht. De Siriniris

stonden een oogenblik in beraad; toen verwijderden zich twee hunner

en begaven zich, van hunne vrouwen vergezeld, met snelle schreden

naar het bosch.

Reeds waren sedert hun vertrek eenige minuten verloopen, toen ik,

werktuigelijk het hoofd omwendende, zag, hoe deze afgevaardigden al

langzamer en langzamer begonnen te loopen, en eindelijk aan den rand

van het bosch gekomen, in plaats van daarin te gaan, onder een boom

gingen zitten, en uit de verte naar ons bleven kijken. Dit scheen mij

minstens zonderling; ik maakte daar den kolonel opmerkzaam op, die

zich weldra overtuigde, dat mijne oogen mij niet misleidden. Zoodra

zij bemerkten, dat wij hen ontdekt hadden, stonden zij allen op en

verdwenen in het woud.

Toen, na verloop van een uur, de uitgezondenen nog niet waren

teruggekeerd, liet ik aan de Siriniris zeggen, dat, daar de

levensmiddelen niet kwamen, wij den koop als nietig beschouwden,

en onze tocht zouden vervolgen. Deze mededeeling scheen hen niet te

bevallen; door zeer duidelijke uitroepen en gebaren gaven zij aan hunne

ontevredenheid lucht. Ik stoorde mij daaraan niet, maar gaf het sein

tot vertrekken. Toen onze dragers zich daartoe gereed maakten, gingen

sommigen dezer wilden zoover, dat zij hen omringden en aangrepen, en

aanstalten schenen te maken om hen van hunne kleederen te berooven. De

verschrikte Quechuas begonnen als kinderen te schreeuwen, waardoor

de vroolijkheid der plunderaars niet weinig werd opgewekt. Reeds

had een hunner de montera van een onzer lieden weggekaapt en die

opgezet, en maakte hij zich gereed daarmede weg te loopen, toen wij

tusschenbeiden kwamen om aan dit tooneel, dat ernstige gevolgen kon

hebben, een einde te maken. Het gelukte ons, met groote woorden en

dreigementen, de Siriniris in bedwang te houden, waarop wij onze

schreden naar het bosch richtten.

De Indianen, bevreesd voor onze geweren, durfden ons niet volgen;

maar nauwelijks waren wij het bosch ingegaan, of eensklaps drong

ons een luid en langgerekt geschreeuw in de ooren, dat wij voor een

signaal der wilden hielden. Daardoor verschrikt, en niet wetende, welk

gevaar ons bedreigen kon, zetten wij het op een loopen, vooral toen,

eenige minuten later, hetzelfde geschreeuw zich nog eens liet hooren,

maar nu, zoo het scheen, meer in onze nabijheid. Wij renden nu zoo

hard mogelijk voort, dwars door kreupelhout en struikgewas, tot wij

bijkans buiten adem waren, en ons mochten vleien, dat de vijand,

indien hij ons al vervolgde, zeker wel ons spoor zou verloren hebben.

Intusschen had deze overhaaste vlucht ons eenigszins van den weg

doen afdwalen: in plaats van, zooals tot dusver, eene zuidelijke

richting te volgen, waren wij westwaarts afgeslagen. Na raadpleging

met onze Bolivianen, besloten wij, nog een paar dagen in westelijke

richting voort te gaan, en ons dan weder naar het zuiden te wenden. Wij

zouden op die wijze nader bij de Cordilleras komen, maar ons tevens

verwijderen van de Siriniris, wier gedurige verschijning ons hoogst

onaangenaam was en bovendien onze cascarilleros telkens in hunne

onderzoekingen stoorde.

Nadat wij een paar uren in westelijke richting waren voortgegaan,

merkten wij een verandering in het woud op. De boomen schenen zich

gaandeweg te ontdoen van het net van slingerplanten en lianen, die

hen tot dusverre hield omwoeld; hier en daar vertoonden zich open

plekken, waar zich bevallige palmen verhieven. Tegelijk werd de vlakke

grond telkens hobbeliger en het gaan bezwaarlijker. De majordomo der

cascarilleros, wien ik naar de reden van deze veranderingen vroeg,

antwoorde mij, dat het gewijzigd karakter der vegetatie een gevolg

was van de nabijheid der Cordilleras; en dat wat het hobbelige en

ongelijke van den grond aanging, dit te wijten was aan eene of andere

rivier, die wij weldra zouden bereiken.

Weldra bewees de uitkomst dat hij gelijk had. Hijgend van vermoeienis

en erg gehavend door de doornen, die het laatste gedeelte van ons

pad hadden versperd, bereikten wij den oever van de rivier Ayapata,

die wij moesten overtrekken, Maar, aangezien wij noch een pont,

noch een vlot, zelfs geen boomstam hadden, om den overtocht te

doen, was het zaak, vooraf zoo nauwkeurig mogelijk de gesteldheid

der rivier te onderzoeken. De Ayapata, hier ongeveer honderd ellen

breed, stroomde voort tusschen vlakke oevers, ter wederzijde geheel

met zware boomen bedekt, die door een net van lianen aan elkander

waren verbonden. De verschillende kleurschakeeringen in de tamelijk

snelvlietende wateren bewezen dat de diepte zeer verschillend was,

en dus ook dat er op sommige plaatsen meer of minder geschikte voorden

moesten zijn. Twee rijen rotsen, op eenige ellen afstands van elkander,

veroorzaakten eene branding, sterk genoeg om eene gewone boot te

verbrijzelen. Na zorgvuldige waarneming van alle deze teekenen,

kozen wij voor den overtocht eene plaats, die door een witachtige

streep op de oppervlakte der rivier werd aangewezen, en waar, naar

de schatting der Bolivianen, de diepte niet meer dan tusschen de

vier of zes voet moest bedragen. Wij grepen elkander bij de hand,

en daalden in de Ayapata af. In het midden der rivier gekomen, hadden

wij al onze krachten noodig om ons te verdedigen tegen den stroom, die

ons optilde, omver wierp en ons ongetwijfeld zou hebben medegevoerd,

indien wij niet de voorzorg hadden gebruikt van elkander vast te

houden en zoo een soort van keten te vormen. Toch kwamen de meesten

er niet zonder eene onderdompeling af.

Druipnat kwamen wij op den anderen oever, waar ons eerste werk was

een plekje op te zoeken, waar de Siriniris ons niet konden ontdekken,

ingeval zij bij toeval aan den anderen oever kwamen; en vervolgens,

nadat wij zulk een plekje gevonden hadden, onze kleederen uit te

trekken om die in de zon te drogen. Na een oponthoud van een paar

uur, maakte wij ons gereed, onzen tocht te hervatten. Eerst waren wij

voornemens, den zandigen oever der rivier te volgen, maar de vrees dat

de Siriniris ons zouden zien, bracht ons van dit denkbeeld terug. Wij

gingen dus het bosch in, ver genoeg om niet van de overzijde gezien

te kunnen worden, en toch dicht genoeg bij de rivier om haar niet

uit het oog te verliezen. Intusschen ontdekken wij, noch aan dezen,

noch aan den tegenover liggenden oever, een enkel spoor, waaruit de

nabijheid der wilden viel af te leiden. Na verloop van eenigen tijd

werd de weg zoo steil en zoo moeilijk, dat wij genoodzaakt waren,

in zuidwestelijke richting af te wijken, zoodat wij de rivier uit

het oog verloren. Daarentegen hadden wij nu, aan onze linkerhand,

een dier barrancas of steile kloven, die hier zoo menigvuldig zijn,

en die wij besloten tot het einde te volgen.

Aanvankelijk moesten wij, niet zonder moeite en gevaar, voortklauteren

over opeengestapelde rotsblokken, die een soort van amphitheater

vormden. Toen werd het beter: de rots was nu, bij wijze van een

natuurlijke trap, in dunne lagen verdeeld, zoodat wij zonder veel

inspanning naar boven konden komen. Deze geheele rotshelling was

bovendien met de fraaiste en zeldzaamste planten en bloemen bedekt,

die aan het geheele dal een allerschilderachtigst voorkomen gaven. Toen

wij, na een half uur klimmens, den top der rots hadden bereikt, strekte

zich voor onze blikken een dier onmetelijke panorama's uit, waarbij

de details zich in de massa verliezen, en die eene eigenaardige kalmte

en rust ademen, welke zich als van zelve aan den beschouwer mededeelt.

Van het noorden naar het oosten was het ééne onafzienbare zee van

groen, wier dicht opeengedrongen golven tot den horizon reikten, waar

zij zich in een lichtenden nevel verloren. Hier en daar verhief zich

uit deze bewegelijke oppervlakte een heuvel, een spits, een bergkegel,

als het ware een baken te midden dezer grenzenloosheid. Enkele

zilveren strepen, nu eens verdwijnende in het dichte groen, dan van

verre zichtbaar, teekenden den loop der rivieren, die haar wateren

in de Madre-de-Dios of de Inambari uitstorten. Een wolkelooze,

donkerblauwe hemel welfde zich over dit wijde landschap.

Als ge u omkeerd, ziet ge voor u, van het westen naar het zuiden,

een verwarde en outzaggelijke mengeling van punten, naalden, spitsen,

bergkammen, regelmatige of zonderling afgebroken kegels, van toppen en

kruinen, allen behoorende tot de bergketenen, die, van de hoofdketen

der Andes uitgaande, met, steile hellingen naar de vlakte afdalen. Deze

geheele ontzagwekkende berggroep, die bij morgen- of avondverlichting

ongetwijfeld een prachtig effect moet maken, vertoonde nu, onder de

loodrechte stralen der middagzon, niet veelmeer dan ééne saamgepakte

levenlooze massa. Hier en daar dreven langs de lagere hellingen lichte

wolken en nevels, opstijgende uit de rivieren, die zich tusschen deze

bergen een weg baanden.

Maar wat nog meer dan dit onmetelijk vergezicht onze aandacht trok, was

de rivier de Ayapata zelve, die ver beneden ons haar loop vervolgde,

doch nu niet meer vrijelijk tusschen vlakke oevers, door maagdelijke

wouden omzoomd, zooals op het punt waar wij haar hadden doorwaad,

maar nu gevangen en ingesloten tusschen de loodrechte rotswanden,

op welker top wij stonden. Als wij tot den rand der rots voortgingen,

konden wij, ons voorover buigende en ons vasthoudende aan de planten,

die hare wortels in den steen geslagen hadden, in de diepe kloof

afzien, waarin onze rivier gevangen was.

Deze eenigszins bochtige kloof had eene lengte van honderdvijftig el;

de breedte bedroeg nog geen derde van die der Ayapata. De rivier, in

haar loop nog versneld door de helling van den bodem, stortte zich

met donderend geweld in de bergengte; spatte haar vlokkig schuim

tegen en over enkele rotsen, die hier en daar boven de kokende

wateren uitstaken; weerspiegelde in haar oppervlakte de donkere

tinten der sombere rotswanden, die aan alle zijden loodrecht oprezen;

en ontsnapte dan uit haar kerker, terwijl zij hare woelende wateren

in een aantal takken en armen verdeelde.

Na een poos dit schouwspel te hebben aangestaard, maakten wij ons

gereed weder af te dalen. Ongelukkig was, aan deze zijde, geen spoor

te ontdekken van de natuurlijke trap, die ons bij het opklimmen van

zooveel dienst was geweest. De helling was hier bovendien zoo steil,

dat aan geen afdalen te denken viel, en wij genoodzaakt waren een

langen omweg te maken, en, op de manier der kreeften, met allerlei

bochten en slingeringen onzen weg te vervolgen. Wij kwamen zonder

ongeval beneden, en gingen het woud weder in, zoodat wij de rivier

uit het oog verloren.

In den namiddag hadden wij een dier lomas of boschrijke heuvels

bereikt, die aan deze streek eigen zijn en als vooruitgeschoven posten

van de Cordilleras kunnen worden beschouwd. Wij bestegen den heuvel,

die geheel met dicht struikgewas was bezet, waardoor wij ons met

onze bijlen en messen een weg moesten banen, en waren weldra op den

top, waar wij gemakkelijker konden voortgaan. Ik hield mij bezig met

de beschouwing van sommige merkwaardige bloemen, toen ik plotseling

eenige onderdrukte kreten vernam. Aanstonds herhaalde ik de stem onzer

dragers, en nieuwsgierig om te weten wat er gaande was, liep ik naar

hen toe. Toen ik bij hen kwam, schreeuwden zij niet meer, maar waren

zij nog geheel ontroerd door hetgeen zij gezien hadden. Een onzer had

namelijk den kamp gewaagd met een der bewoners van deze wildernis;

en allen, die getuigen van dezen strijd waren geweest, brandden van

begeerte om mij het voorgevallene te vertellen.

Een der Quechuas, die vooruit ging, had eensklaps in het bosch iets

vreemds gezien, en was stil blijven staan om dat onbekende voorwerp

meer van nabij op te nemen. Hij hield het eerst voor een kabeltouw;

maar Pepe Garcia, naderbij komende, zag dadelijk dat dit gewaande

touw niet anders was dan een groote boa-constrictor, die, saamgerold,

rustig lag te slapen. De Indiaan en zijne kameraden waren van meening,

dat men het dier stil moest laten liggen, daar zij blijkbaar geen lust

hadden, nader met de slang kennis te maken. Maar Pepe Garcia had daarop

geantwoord, dat het vleesch van de slang zeergoed was om te eten,

en dat hij van de huid scheden voor messen kon maken. Tegelijkertijd

had hij met beide handen een stevigen palmhouten boog gegrepen,

dien hij bij wijze van wandelstok gebruikte, en dat wapen, als een

knots, opheffende, had hij daarmede een geweldige slag aan de slang

toegebracht, die zich eensklaps had ontrold. Op het gezicht van het

gevreesde dier, dat vergeefs poogde zich op zijn gebroken ruggegraat

op te heffen en zijn bek dreigend tegen zijn aanvaller opensperde,

hadden de verschrikte dragers zich haastig uit de voeten gemaakt. Ik

had hun geschreeuw gehoord. De moedigsten waren op eenigen afstand

blijven staan, hadden zich achter de boomen verborgen, en vandaar den

verderen loop van het gevecht gadegeslagen. Pepe Garcia, zonder zich

door de machtelooze woede der slang van zijn stuk te laten brengen,

had met groote kracht en behendigheid zijn knots blijven gebruiken,

en was dan ook als overwinnaar uit de strijd gekomen. De slang lag

roerloos op den grond uitgestrekt. Ik trad naderbij, en zag dat

de slang tot een bijzondere soort van python behoorde, die in deze

streken veel voorkomt, en effen bruin van kleur is. Het dier was ruim

negentien voet lang, en had in het midden een omvang van veertien

duim. In onze omstandigheden was deze vondst een groot geluk: het

vleesch van de boa verschafte ons dien avond een zoo smakelijk en

zoo overvloedig souper, als wij in langen tijd niet hadden gebruikt.

Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 4 / 9 题