Den volgenden morgen vertrokken wij van Huatinmio, na van onze
vriendelijke gastheeren afscheid genomen te hebben, en vervolgden
onzen weg. Allengs nam het woud een schilderachtiger karakter aan,
en alleen de begeerte om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik der
Siriniris te komen, dreef ons zoo haastig voort, dat wij aan de schoone
partijen, die ons omringden, niet de aandacht konden schenken, die
zij zoo ruimschoots verdienden. Doch weldra scheen de vrees voor eene
ontmoeting geen beletsel meer om het landschap rondom ons goed op te
nemen; onze cascarilleros begonnen weder de bosschen te onderzoeken,
of zij ook kinaboomen konden vinden: en hunne nasporingen waren niet
altijd vruchteloos. Zoo ging het voort, dagen achtereen, altijd door
de bosschen en wouden; des nachts ons kamp opslaande op een open plek
of aan den oever der rivier, en des daags onzen tocht vervolgende,
die niets bijzonders opleverde.
Op zekeren dag opende zich eensklaps voor ons oog een wijde, dorre
vlakte, schitterende in de zonnestralen, en aan den gezichteinder
begrensd door het woud, waarboven zich de toppen van twee, geheel met
bosch bedekte heuvelen verhieven. Juist toen wij uit de schaduw te
voorschijn kwamen, en ons gereed maakten om de vlakte over te steken,
bespeurden wij een troep inboorlingen, mannen, vrouwen en kinderen,
die naar ons toe kwamen. Deze ontmoeting was ons hoogst onaangenaam,
en wij peinsden op een middel om die nog te vermijden. Dit was alleen
mogelijk door zoo spoedig doenlijk in het woud terug te keeren, en eene
andere richting te volgen. Wij deden dit ook dadelijk: maar helaas,
het was reeds te laat! Plotseling verhief zich een oorverdoovend
geschreeuw, dat duidelijk genoeg bewees, dat de wilden ons gezien
hadden, en het niet meer mogelijk zou zijn, de gevreesde ontmoeting
te vermijden. Wij bleven dus waar wij waren, en wachtten de nadering
dezer onbekenden af. Wij behoefden niet lang te wachten. Zoodra zij
ons in het bosch hadden zien terugtrekken, hadden zij het op een loopen
gezet, en weldra was de geheele bende bij ons. In een oogenblik waren
wij nu omringd en ingesloten, en begonnen de Chunchos ons met luid
geschreeuw en allerlei wilde gebaren te omhelzen en aan hunne borst te
drukken. Niet dan met eenige moeite konden wij er in slagen, ons aan
deze onstuimige liefkozingen te onttrekken, en de wilden een weinig
van het lijf te houden, zoodat wij ons althans vrij bewegen konden.
Wij maakten daarvan gebruik om het bosch te verlaten en naar de vlakte
te gaan, waar wij onze bezoekers beter in het oog konden houden, en zoo
noodig alle vijandelijkheden dadelijk konden keeren; maar onze vrees
bleek weldra ongegrond. Zoodra zij zagen, dat hunne wijze van handelen
ons niet beviel, veranderden zij van houding, en maakte de vrijpostige
familiariteit van zooeven plaats voor aanhalige nederigheid. Toch was
het ons duidelijk, dat zij van begeerte brandden om de fraaie messen
te bezitten, die in onze gordels staken; zij konden er de oogen niet
afwenden, en wezen er naar, terwijl zij met de lippen smakten als
kinderen, die een of andere lekkernij zien. Wij hielden ons evenwel
of wij die wenken niet begrepen en zwegen stil.
Door onze onbekende bezoekers begeleid, trokken wij tot midden in de
vlakte voort. Wij wilden niet doorgaan naar het bosch, waar zij ons
ongetwijfeld zouden volgen, maar hielden halt, in de hoop, dat de
zeer koele ontvangst hen weldra zou bewegen, ons te verlaten. Wij
zetten ons neder op de rotsblokken, die zich hier en daar uit het
zand verhieven; terwijl de Chunchos zich in verschillende houdingen
op den grond zetten; zij wenden hunne blikken niet van ons af, en
begonnen tevens met elkander een druk gesprek, dat op zoo gedempten
toon gevoerd werd, dat wij er geen woord van konden verstaan. Dit
onderhoud, dat natuurlijk in de eerste plaats over onze personen en
onze messen liep, had reeds ongeveer een half uur geduurd, toen ik,
vreezende dat er geen eind aan komen zou, onze tolken verzocht, aan
de wilden te zeggen, dat zij ons verveelden, en dat zij, in plaats
van ons te blijven aankijken, beter zouden doen met heen te gaan en
zich niet verder met ons te bemoeien. Ik weet niet of de tolken mijne
woorden trouw overbrachten; maar wel verre dat de Chunchos den gegeven
raad zouden volgen, begon er nu een levendig gesprek tusschen hen en
onze woordvoerders. Weldra vernamen wij wat er gaande was.
Ziende, dat wij volstrekt niet gezind waren; hen gratis van bijlen
en messen te voorzien, en van hun kant niets bezittende om ons aan
te bieden, waren deze Siriniris op de gedachte gekomen, de begeerde
voorwerpen in te ruilen tegen levensmiddelen, die zij ergens in het
woud verborgen hadden. Hun voorraad bestond in een halven gerookten
pecari; eene zekere hoeveelheid bananen, zoete aardakers en eenige
andere vruchten; en onze tolken hadden het der moeite waard geacht,
daarover nader in onderhandeling te treden, want onze eigene voorraad
was bijna verteerd. De Chunchos hielden echter hunne waren op prijs:
voor den halven pecari vroegen zij een bijl, voor de bananen en
andere vruchten zes groote messen. De prijs was buitensporig; maar
het vooruitzicht van een goeden maaltijd te kunnen doen, was zoo
uitlokkend, dat de koop weldra gesloten werd. Doch, wenschende zoo
spoedig mogelijk van hen verlost te worden, drongen wij er op aan,
dat de zaak onmiddellijk zou worden ten einde gebracht. De Siriniris
stonden een oogenblik in beraad; toen verwijderden zich twee hunner
en begaven zich, van hunne vrouwen vergezeld, met snelle schreden
naar het bosch.
Reeds waren sedert hun vertrek eenige minuten verloopen, toen ik,
werktuigelijk het hoofd omwendende, zag, hoe deze afgevaardigden al
langzamer en langzamer begonnen te loopen, en eindelijk aan den rand
van het bosch gekomen, in plaats van daarin te gaan, onder een boom
gingen zitten, en uit de verte naar ons bleven kijken. Dit scheen mij
minstens zonderling; ik maakte daar den kolonel opmerkzaam op, die
zich weldra overtuigde, dat mijne oogen mij niet misleidden. Zoodra
zij bemerkten, dat wij hen ontdekt hadden, stonden zij allen op en
verdwenen in het woud.
Toen, na verloop van een uur, de uitgezondenen nog niet waren
teruggekeerd, liet ik aan de Siriniris zeggen, dat, daar de
levensmiddelen niet kwamen, wij den koop als nietig beschouwden,
en onze tocht zouden vervolgen. Deze mededeeling scheen hen niet te
bevallen; door zeer duidelijke uitroepen en gebaren gaven zij aan hunne
ontevredenheid lucht. Ik stoorde mij daaraan niet, maar gaf het sein
tot vertrekken. Toen onze dragers zich daartoe gereed maakten, gingen
sommigen dezer wilden zoover, dat zij hen omringden en aangrepen, en
aanstalten schenen te maken om hen van hunne kleederen te berooven. De
verschrikte Quechuas begonnen als kinderen te schreeuwen, waardoor
de vroolijkheid der plunderaars niet weinig werd opgewekt. Reeds
had een hunner de montera van een onzer lieden weggekaapt en die
opgezet, en maakte hij zich gereed daarmede weg te loopen, toen wij
tusschenbeiden kwamen om aan dit tooneel, dat ernstige gevolgen kon
hebben, een einde te maken. Het gelukte ons, met groote woorden en
dreigementen, de Siriniris in bedwang te houden, waarop wij onze
schreden naar het bosch richtten.
De Indianen, bevreesd voor onze geweren, durfden ons niet volgen;
maar nauwelijks waren wij het bosch ingegaan, of eensklaps drong
ons een luid en langgerekt geschreeuw in de ooren, dat wij voor een
signaal der wilden hielden. Daardoor verschrikt, en niet wetende, welk
gevaar ons bedreigen kon, zetten wij het op een loopen, vooral toen,
eenige minuten later, hetzelfde geschreeuw zich nog eens liet hooren,
maar nu, zoo het scheen, meer in onze nabijheid. Wij renden nu zoo
hard mogelijk voort, dwars door kreupelhout en struikgewas, tot wij
bijkans buiten adem waren, en ons mochten vleien, dat de vijand,
indien hij ons al vervolgde, zeker wel ons spoor zou verloren hebben.
Intusschen had deze overhaaste vlucht ons eenigszins van den weg
doen afdwalen: in plaats van, zooals tot dusver, eene zuidelijke
richting te volgen, waren wij westwaarts afgeslagen. Na raadpleging
met onze Bolivianen, besloten wij, nog een paar dagen in westelijke
richting voort te gaan, en ons dan weder naar het zuiden te wenden. Wij
zouden op die wijze nader bij de Cordilleras komen, maar ons tevens
verwijderen van de Siriniris, wier gedurige verschijning ons hoogst
onaangenaam was en bovendien onze cascarilleros telkens in hunne
onderzoekingen stoorde.
Nadat wij een paar uren in westelijke richting waren voortgegaan,
merkten wij een verandering in het woud op. De boomen schenen zich
gaandeweg te ontdoen van het net van slingerplanten en lianen, die
hen tot dusverre hield omwoeld; hier en daar vertoonden zich open
plekken, waar zich bevallige palmen verhieven. Tegelijk werd de vlakke
grond telkens hobbeliger en het gaan bezwaarlijker. De majordomo der
cascarilleros, wien ik naar de reden van deze veranderingen vroeg,
antwoorde mij, dat het gewijzigd karakter der vegetatie een gevolg
was van de nabijheid der Cordilleras; en dat wat het hobbelige en
ongelijke van den grond aanging, dit te wijten was aan eene of andere
rivier, die wij weldra zouden bereiken.
Weldra bewees de uitkomst dat hij gelijk had. Hijgend van vermoeienis
en erg gehavend door de doornen, die het laatste gedeelte van ons
pad hadden versperd, bereikten wij den oever van de rivier Ayapata,
die wij moesten overtrekken, Maar, aangezien wij noch een pont,
noch een vlot, zelfs geen boomstam hadden, om den overtocht te
doen, was het zaak, vooraf zoo nauwkeurig mogelijk de gesteldheid
der rivier te onderzoeken. De Ayapata, hier ongeveer honderd ellen
breed, stroomde voort tusschen vlakke oevers, ter wederzijde geheel
met zware boomen bedekt, die door een net van lianen aan elkander
waren verbonden. De verschillende kleurschakeeringen in de tamelijk
snelvlietende wateren bewezen dat de diepte zeer verschillend was,
en dus ook dat er op sommige plaatsen meer of minder geschikte voorden
moesten zijn. Twee rijen rotsen, op eenige ellen afstands van elkander,
veroorzaakten eene branding, sterk genoeg om eene gewone boot te
verbrijzelen. Na zorgvuldige waarneming van alle deze teekenen,
kozen wij voor den overtocht eene plaats, die door een witachtige
streep op de oppervlakte der rivier werd aangewezen, en waar, naar
de schatting der Bolivianen, de diepte niet meer dan tusschen de
vier of zes voet moest bedragen. Wij grepen elkander bij de hand,
en daalden in de Ayapata af. In het midden der rivier gekomen, hadden
wij al onze krachten noodig om ons te verdedigen tegen den stroom, die
ons optilde, omver wierp en ons ongetwijfeld zou hebben medegevoerd,
indien wij niet de voorzorg hadden gebruikt van elkander vast te
houden en zoo een soort van keten te vormen. Toch kwamen de meesten
er niet zonder eene onderdompeling af.
Druipnat kwamen wij op den anderen oever, waar ons eerste werk was
een plekje op te zoeken, waar de Siriniris ons niet konden ontdekken,
ingeval zij bij toeval aan den anderen oever kwamen; en vervolgens,
nadat wij zulk een plekje gevonden hadden, onze kleederen uit te
trekken om die in de zon te drogen. Na een oponthoud van een paar
uur, maakte wij ons gereed, onzen tocht te hervatten. Eerst waren wij
voornemens, den zandigen oever der rivier te volgen, maar de vrees dat
de Siriniris ons zouden zien, bracht ons van dit denkbeeld terug. Wij
gingen dus het bosch in, ver genoeg om niet van de overzijde gezien
te kunnen worden, en toch dicht genoeg bij de rivier om haar niet
uit het oog te verliezen. Intusschen ontdekken wij, noch aan dezen,
noch aan den tegenover liggenden oever, een enkel spoor, waaruit de
nabijheid der wilden viel af te leiden. Na verloop van eenigen tijd
werd de weg zoo steil en zoo moeilijk, dat wij genoodzaakt waren,
in zuidwestelijke richting af te wijken, zoodat wij de rivier uit
het oog verloren. Daarentegen hadden wij nu, aan onze linkerhand,
een dier barrancas of steile kloven, die hier zoo menigvuldig zijn,
en die wij besloten tot het einde te volgen.
Aanvankelijk moesten wij, niet zonder moeite en gevaar, voortklauteren
over opeengestapelde rotsblokken, die een soort van amphitheater
vormden. Toen werd het beter: de rots was nu, bij wijze van een
natuurlijke trap, in dunne lagen verdeeld, zoodat wij zonder veel
inspanning naar boven konden komen. Deze geheele rotshelling was
bovendien met de fraaiste en zeldzaamste planten en bloemen bedekt,
die aan het geheele dal een allerschilderachtigst voorkomen gaven. Toen
wij, na een half uur klimmens, den top der rots hadden bereikt, strekte
zich voor onze blikken een dier onmetelijke panorama's uit, waarbij
de details zich in de massa verliezen, en die eene eigenaardige kalmte
en rust ademen, welke zich als van zelve aan den beschouwer mededeelt.
Van het noorden naar het oosten was het ééne onafzienbare zee van
groen, wier dicht opeengedrongen golven tot den horizon reikten, waar
zij zich in een lichtenden nevel verloren. Hier en daar verhief zich
uit deze bewegelijke oppervlakte een heuvel, een spits, een bergkegel,
als het ware een baken te midden dezer grenzenloosheid. Enkele
zilveren strepen, nu eens verdwijnende in het dichte groen, dan van
verre zichtbaar, teekenden den loop der rivieren, die haar wateren
in de Madre-de-Dios of de Inambari uitstorten. Een wolkelooze,
donkerblauwe hemel welfde zich over dit wijde landschap.
Als ge u omkeerd, ziet ge voor u, van het westen naar het zuiden,
een verwarde en outzaggelijke mengeling van punten, naalden, spitsen,
bergkammen, regelmatige of zonderling afgebroken kegels, van toppen en
kruinen, allen behoorende tot de bergketenen, die, van de hoofdketen
der Andes uitgaande, met, steile hellingen naar de vlakte afdalen. Deze
geheele ontzagwekkende berggroep, die bij morgen- of avondverlichting
ongetwijfeld een prachtig effect moet maken, vertoonde nu, onder de
loodrechte stralen der middagzon, niet veelmeer dan ééne saamgepakte
levenlooze massa. Hier en daar dreven langs de lagere hellingen lichte
wolken en nevels, opstijgende uit de rivieren, die zich tusschen deze
bergen een weg baanden.
Maar wat nog meer dan dit onmetelijk vergezicht onze aandacht trok, was
de rivier de Ayapata zelve, die ver beneden ons haar loop vervolgde,
doch nu niet meer vrijelijk tusschen vlakke oevers, door maagdelijke
wouden omzoomd, zooals op het punt waar wij haar hadden doorwaad,
maar nu gevangen en ingesloten tusschen de loodrechte rotswanden,
op welker top wij stonden. Als wij tot den rand der rots voortgingen,
konden wij, ons voorover buigende en ons vasthoudende aan de planten,
die hare wortels in den steen geslagen hadden, in de diepe kloof
afzien, waarin onze rivier gevangen was.
Deze eenigszins bochtige kloof had eene lengte van honderdvijftig el;
de breedte bedroeg nog geen derde van die der Ayapata. De rivier, in
haar loop nog versneld door de helling van den bodem, stortte zich
met donderend geweld in de bergengte; spatte haar vlokkig schuim
tegen en over enkele rotsen, die hier en daar boven de kokende
wateren uitstaken; weerspiegelde in haar oppervlakte de donkere
tinten der sombere rotswanden, die aan alle zijden loodrecht oprezen;
en ontsnapte dan uit haar kerker, terwijl zij hare woelende wateren
in een aantal takken en armen verdeelde.
Na een poos dit schouwspel te hebben aangestaard, maakten wij ons
gereed weder af te dalen. Ongelukkig was, aan deze zijde, geen spoor
te ontdekken van de natuurlijke trap, die ons bij het opklimmen van
zooveel dienst was geweest. De helling was hier bovendien zoo steil,
dat aan geen afdalen te denken viel, en wij genoodzaakt waren een
langen omweg te maken, en, op de manier der kreeften, met allerlei
bochten en slingeringen onzen weg te vervolgen. Wij kwamen zonder
ongeval beneden, en gingen het woud weder in, zoodat wij de rivier
uit het oog verloren.
In den namiddag hadden wij een dier lomas of boschrijke heuvels
bereikt, die aan deze streek eigen zijn en als vooruitgeschoven posten
van de Cordilleras kunnen worden beschouwd. Wij bestegen den heuvel,
die geheel met dicht struikgewas was bezet, waardoor wij ons met
onze bijlen en messen een weg moesten banen, en waren weldra op den
top, waar wij gemakkelijker konden voortgaan. Ik hield mij bezig met
de beschouwing van sommige merkwaardige bloemen, toen ik plotseling
eenige onderdrukte kreten vernam. Aanstonds herhaalde ik de stem onzer
dragers, en nieuwsgierig om te weten wat er gaande was, liep ik naar
hen toe. Toen ik bij hen kwam, schreeuwden zij niet meer, maar waren
zij nog geheel ontroerd door hetgeen zij gezien hadden. Een onzer had
namelijk den kamp gewaagd met een der bewoners van deze wildernis;
en allen, die getuigen van dezen strijd waren geweest, brandden van
begeerte om mij het voorgevallene te vertellen.
Een der Quechuas, die vooruit ging, had eensklaps in het bosch iets
vreemds gezien, en was stil blijven staan om dat onbekende voorwerp
meer van nabij op te nemen. Hij hield het eerst voor een kabeltouw;
maar Pepe Garcia, naderbij komende, zag dadelijk dat dit gewaande
touw niet anders was dan een groote boa-constrictor, die, saamgerold,
rustig lag te slapen. De Indiaan en zijne kameraden waren van meening,
dat men het dier stil moest laten liggen, daar zij blijkbaar geen lust
hadden, nader met de slang kennis te maken. Maar Pepe Garcia had daarop
geantwoord, dat het vleesch van de slang zeergoed was om te eten,
en dat hij van de huid scheden voor messen kon maken. Tegelijkertijd
had hij met beide handen een stevigen palmhouten boog gegrepen,
dien hij bij wijze van wandelstok gebruikte, en dat wapen, als een
knots, opheffende, had hij daarmede een geweldige slag aan de slang
toegebracht, die zich eensklaps had ontrold. Op het gezicht van het
gevreesde dier, dat vergeefs poogde zich op zijn gebroken ruggegraat
op te heffen en zijn bek dreigend tegen zijn aanvaller opensperde,
hadden de verschrikte dragers zich haastig uit de voeten gemaakt. Ik
had hun geschreeuw gehoord. De moedigsten waren op eenigen afstand
blijven staan, hadden zich achter de boomen verborgen, en vandaar den
verderen loop van het gevecht gadegeslagen. Pepe Garcia, zonder zich
door de machtelooze woede der slang van zijn stuk te laten brengen,
had met groote kracht en behendigheid zijn knots blijven gebruiken,
en was dan ook als overwinnaar uit de strijd gekomen. De slang lag
roerloos op den grond uitgestrekt. Ik trad naderbij, en zag dat
de slang tot een bijzondere soort van python behoorde, die in deze
streken veel voorkomt, en effen bruin van kleur is. Het dier was ruim
negentien voet lang, en had in het midden een omvang van veertien
duim. In onze omstandigheden was deze vondst een groot geluk: het
vleesch van de boa verschafte ons dien avond een zoo smakelijk en
zoo overvloedig souper, als wij in langen tijd niet hadden gebruikt.