De oever van den Cconi, dien wij volgden, bleef altijd even dor
en eentonig; daarentegen zagen wij langs den anderen oever een
onafgebroken heuvelreeks, met dicht bosch bedekt, en met zachte
hellingen afdalende tot de weelderig begroeide oevers der rivier. Onze
Bolivianen meenden, dat zij wellicht in die bosschen kinaboomen zouden
vinden; wij besloten daarom van de eerste gelegenheid de beste gebruik
te maken om den tegenoverliggenden oever te bereiken. Natuurlijk
moesten wij daartoe eene waadbare plaats afwachten. Den volgenden
dag kwamen wij aan een punt, waar eene bank of een rotsachtig eiland
de rivier in twee armen splitste, en dus den overtocht gemakkelijker
maakte. Daar stond echter tegenover, dat deze bank de snelvlietende
wateren in hare vaart tegenhield, en daardoor eene branding deed
ontstaan, die niet zonder gevaar was. Aan waden viel niet te denken:
te minder daar iedere arm stellig vijftien tot twintig ellen breed
was. Eindelijk kwam een onzer Bolivianen op een gelukkigen inval. Door
een zijner kameraden geholpen, begon hij de biezen af te snijden, die
langs den oever groeiden. Toen zij een genoegzamen voorraad hadden,
maakten zij daarvan een grooten bos, die in de rivier werd geworpen,
en waaraan een touw werd vastgemaakt. De Boliviaan, die het eerst op
deze gedachte gekomen was, wilde nu ook de proef nemen. Zich ontkleed
hebbende, zette hij zich schrijlings op den bos, stiet van wal, en
trachtte met behulp van een stok, die als pagaai dienst deed, het
eiland te bereiken. Zijn makker hield het uiteinde van het touw vast,
en belette daardoor het biezen vlot met den stroom af te drijven. Tot
tweemaal toe mislukte de proef; maar voor de derde maal gelukte het
den koenen varensgast de bank te bereiken. Dadelijk haalde hij zijn
vlot op den oever, maakte het touw los, bevestigde dat stevig aan
eene uitstekende rotspunt, en riep zijn kameraad toe, het stevig aan
te trekken. Wij begrepen nu waartoe het strak gespannen touw dienen
moest. Een voor een gingen wij nu te water, dat ons bijna tot aan
de lippen kwam, omklemden het touw, en baanden ons zoo, niet zonder
moeite, een weg door de schuimende, snelvlietende rivier, tot aan
het eilandje, waar wij behouden aankwamen. Na eenige oogenblikken
uitgerust te hebben, werd nu de tweede arm van den Cconi op dezelfde
wijze doorwaad, en zonder ongeval, maar druipnat, stonden wij weldra
op den linkeroever.
Het was prachtig weer; de zon straalde aan den onbewolkten hemel. Eer
wij het nabijzijnde bosch ingingen, trokken wij onze kleederen uit,
en spreidden die op den met gras begroeiden grond, om in de zon te
drogen. Juist terwijl wij daarmede bezig waren, hoorden wij eensklaps
aan den anderen oever het geschreeuw van een ara (eene soort van
papegaai). Daar het drie uren in den middag en helder weer was, kwam
dit geluid mij verdacht voor. De ondervinding had mij toch sedert
lang geleerd, dat, uitgenomen bij de nadering van een onweder, de
papegaaien en aras zich nooit anders laten hooren dan bij het op- of
ondergaan der zon. Het overige van den dag zoeken zij de schaduw op,
en zitten daar stil, nu eens op dezen, dan weder op den anderen poot
rustende, en middelerwijl op eene noot of palmschors knabbelende, om
zich den bek te scherpen. Terwijl ik hierover met Pepe Garcia sprak,
die, als een ervaren jager, de juistheid mijner opmerking erkende,
verscheen ons eensklaps die bovennatuurlijke ara, en wel in de gedaante
van onzen bekenden Chuncho. Hij ging langzaam langs den Cconi voort,
nauwkeurig de sporen van onzen marsch gadeslaande. Toen hij aan de
plek gekomen was, waar wij de rivier waren overgestoken, begreep hij
dadelijk, bij het zien van den platgetreden grond en het afgesneden
riet, wat er geschied was: want, stilstaande, hief hij het hoofd op en
keek naar den anderen oever, waar hij ons dadelijk gewaar werd, bezig
zijnde onze kleederen bijeen te zamelen en haastig aan te trekken. Hij
hief nu een luid geschreeuw aan, waarop een gansche zwerm wilden,
mannen, vrouwen en kinderen, uit het kreupelhout te voorschijn kwam;
wij telden er minstens veertig. Aanvankelijk zetten zij zich op den
oever neder, en schenen met elkander te overleggen, wat te doen; want
zij hadden gezien dat de kolonel zijn geweer ter hand had genomen; maar
toen zij na eenige oogenblikken hem dat wapen uit de hand zagen leggen,
begrepen zij, dat er geen gevaar was. Onze gast trad nu vooruit, en
riep, met een smeekend gebaar, zeer duidelijk het woord: _Siruta!_
(mes).
Ik nam een mes in de hand, en toonde dat den Chuncho, hem tevens met
de andere hand wijzende op de vogelvellen, om aldus mijne begeerte te
kennen te geven een ruilhandel te drijven. Zij begrepen dadelijk mijne
bedoeling. De gansche bende rees haastig op, en begon te dansen en te
springen, onder het luide geroep van _Siruta! Siruta_! Toen brachten
zij aanstonds bijeen wat zij vinden konden: gevlochten mandjes,
hoofdtooisels van vederen, kettingen van bessen of pitten, huiden
van vogels,--zelfs levende, tamme aras. Toen, mij deze voorwerpen en
dieren toonende, als om daardoor te kennen te geven dat mijn wensch
ook de hunne was, liepen zij langs den oever voort, tot voorbij het
rotsige eiland, dat de rivier in twee takken deelde. Daar begaven
zij zich te water, met hunne handelsartikelen, die zij boven hun
hoofd in de hoogte hielden, om ze voor nat woorden te bewaren;
en alleen met den rechterarm zwemmende, begonnen zij de bruisende
rivier in schuine richting over te steken. Wij zagen bijna niets dan
hunne opgeheven linkerarmen, die als bronzen staven boven het blanke,
schuimende water uitstaken, en bewonderden de vlugheid, de kracht en
de aangeboren sierlijkheid dier forsche mannen, die zonder aarzelen
den heftigen stroom trotseerden. Weldra stonden zij, druipnat, voor
ons, en drukten ons in hunne armen; de gansche voorraad, dien zij
hadden medegebracht, ging aanstonds in onze handen over. Toen zij
niets meer hadden aan te bieden, stelden wij hun voor, hunne bogen en
pijlen tegen andere snuisterijen in te ruilen. Eerst aarzelden zij:
toen, na met een der oudsten van den troep te hebben geraadpleegd,
verklaarden zij zich bereid om die wapenen af te staan, ofschoon
hun dit blijkbaar eene zekere zelfverloochening kostte. Het was ons
daarbij niet zoo zeer te doen om die bogen en pijlen, hoewel die niet
zonder zekere kunst waren vervaardigd; maar voornamelijk om die ons
onbekende gasten te ontwapenen, en hen alzoo buiten de mogelijkheid
te stellen ons kwaad te doen, gesteld dat zij daaraan dachten.
Terwijl wij nog met deze onderhandelingen bezig waren, stonden
eensklaps de vrouwen der Chunchos, die eerst op den anderen oever
gebleven waren, met hare kinderen voor ons. Zij hadden eene waadbare
plek in de rivier opgezocht, en waren naar de overzijde gekomen,
waarschijnlijk om zich met eigen oogen te overtuigen van hetgeen
daar tusschen hare mannen en ons geschiedde. Uit achting voor het
schoone geslacht, waarvan zij de minder gelukkige vertegenwoordigers
waren, besloot ik eene uitdeeling te houden van koperen knoopen,
spelden en ringen, die bij uitnemendheid aan de dames schenen te
bevallen, maar tegelijk de begeerlijkheid der mannen opwekten, die,
luid schreeuwende en met heftige gebaren, ook hun aandeel van al dit
fraais vorderden. Het geschreeuw en gedrang begon mij eindelijk te
vervelen: bovendien werd mijne achterdocht opgewekt door herhaalde
half luide gesprekken met onzen bekenden gast en spion, en door de van
begeerte vlammende blikken, die zij steelsgewijze naar onze bagage
wierpen. Ik liet daarom de pakken weder dicht maken, en beval den
dragers zich daarop te zetten. Maar nu werd de aandacht der wilden
door iets anders getrokken. Aan den oever lagen nog enkele van onze
kleedingstukken op het gras; die gingen zij nu bekijken, beruiken,
betasten; trachtende zich rekenschap te geven van de wijze, waarop
deze vreemde dingen werden gebruikt. Eindelijk begonnen sommigen
proeven te nemen: de een probeerde een pantalon aan te trekken,
daarbij zijne armen in de pijpen stekende; een ander stak zijne voeten
in de mouwen van een wambuis, en zoo voorts. Het werd meer dan tijd,
aan deze dwaasheden een einde te maken. Wij namen onze kleederen op,
pakten ze bijeen en begaven ons op weg. De Siriniris, ziende dat
wij ons verwijderden, zonder afscheid van hen te nemen, begonnen
ons na te loopen, en met allerlei verzoeken lastig te vallen. Daar
zij ons wat al te dicht op de hielen zaten, keerden Pepe Garcia en
Aragon, die onzen trein sloten, zich eensklaps om, en zich houdende
alsof zij hunne geweren laadden, zagen zij de lastige indringers
zoo dreigend aan, dat deze plotseling stilstonden. Deze manoeuvre,
die onze tolken met eenige wijziging twee- of driemaal herhaalden,
maakte toch eindelijk de Chunchos bevreesd; althans zij hielden op,
ons na te loopen. Zij gingen nu in de schaduw van het geboomte zitten
om op hun gemak de voorwerpen te bekijken, die zij van ons gekregen
hadden. Een kromming der rivier onttrok hen weldra aan ons gezicht.
Deze onaangename ontmoeting deed onze cascarilleros dadelijk besluiten,
het onderzoek der bosschen op dezen oever voorloopig uit te stellen. De
Chunchos, waarvan wij voor het oogenblik verlost waren, konden het
zeer licht in het hoofd krijgen, op nieuw ons spoor te volgen; en het
vooruitzicht van nogmaals met hen in aanraking te komen, was verre van
uitlokkend. Om ons zoo mogelijk aan hunne nasporingen te onttrekken,
besloten wij dezen oever te verlaten, waar zij ons, van verre of
van nabij, zouden blijven volgen, en naar den anderen oever terug te
keeren, waar de dichte rietbosschen onze bewegingen beter voor den
vijand zouden verbergen. De voorde, waarvan de vrouwen der Siriniris
zich hadden bediend om tot ons te komen, lag juist op onzen weg; eene
witte streep dwars over het groenachtige water wees de juiste plaats
aan. Wij gaven elkander de hand en doorwaadden de rivier, waarbij het
water ons tot aan de knieën kwam. Toen wij ons door de gansche breedte
der rivier van de Chunchos gescheiden wisten, haalden wij ruimer adem.
Den volgenden dag, toen wij met zekerheid konden aannemen dat onze
vervolgers van hun voornemen hadden afgezien en ons spoor waren
bijster geraakt, besloten wij naar den linker oever terug te keeren,
en het onderzoek der bosschen voort te zetten. Maar de Cconi was
hier zeer breed, en geen enkel eilandje daagde uit zijn schoot op, om
den overtocht te vergemakkelijken; ook bewees de kleur van het water
genoegzaam dat hier geen waadbare plek, maar veeleer eene groote diepte
gevonden werd. Wij waren tamelijk met de zaak verlegen, maar onze
Bolivianen wisten ook ditmaal raad; zij verzekerden ons al lachende,
dat zij ons zonder hinder naar de overzijde zouden brengen, en wel door
middel van een _callapeo_ (vlot), dat zij zouden vervaardigen. Zoo
gezegd, zoo gedaan. Vergezeld van eenige dragers, togen zij naar
het woud, en kwamen, na verloop van een paar uren, terug met eenige
stammen van een toroh _(cecropia)_, en eenige groote bossen lianen.
De vervaardiging van het vlot eischte niet veel tijd: blijkbaar waren
onze cascarilleros sinds lang met dit werk vertrouwd. Weldra was de
callapeo gereed: hij was ongeveer vier el lang en twee el breed. Het
was een eenvoudige vloer: de lichte poreuse stammen waren door middel
van lianen, steviger nog dan touwen, vast aaneengebonden. Zoodra het
vlot klaar was, werd het te water gelaten; om te zien of het goed in
elkaar zat en hoeveel personen het dragen kon, zou eerst een proef
worden genomen. Twee cascarilleros zetten zich in het midden neder;
terwijl hun aanvoerder, aan het eene uiteinde staande en met den langen
stok gewapend, die hem tot pagaai en roer tevens dienen moest, de
rol van stuurman op zich nam. Ik had grooten lust om van de partij te
zijn; de Bolivianen, hoewel mij vrij latende te doen wat ik goedvond,
merkten op, dat zij liever zonder mij de eerste proef wilden wagen:
was er gevaar, dan moest dit niemand anders dan hen alleen gelden. Ik
gaf daar geen acht op, nam mijn geweer, en zette mij neder tusschen
de twee cascarilleros. Het vlot werd nu van den wal gestooten, en
naar het midden van de rivier gestuurd, waar de stroom het aangreep
en met snelheid begon mede te voeren, toen de stuurman, met vaste
hand en grooten takt, zijn stok nu eens als riem dan weder als roer
gebruikende, het buiten den stroom bracht, en naar den linkeroever
stuurde, waar wij aan land kwamen, ongeveer een boogschot beneden de
plaats der afvaart. Een luide juichkreet van onze makkers, die op den
anderen oever waren achtergebleven, begroette dezen gelukkigen uitslag.
De proef had bewezen dat ons vlot eene bemanning van acht personen
zou kunnen dragen, wanneer zij er althans niet tegen opzagen, een
weinigje in het water te zitten. Toen ik aan wal was gestapt, en
het vlot weder naar de overzijde was teruggekeerd, verzocht Eusebio,
de aanvoerder der cascarilleros, aan den kolonel, die klaar stond te
vertrekken, dat hij nog eenige anderen zou aanwijzen, die met hem
de reis zouden doen. Maar onze dappere vriend scheen daartoe niet
gezind: althans Pepe Garcia en Aragon, die zich gereed maakten hem
te volgen en reeds met hun eenen voet op het vlot stonden, traden
terug en moesten hunne beurt afwachten.
De kolonel ging juist op dezelfde plek zitten, waar ik gezeten had;
evenals ik had gedaan, zette ook hij zijn geweer tusschen zijne beenen,
en knikte mij vriendelijk toe, waarop ik met een vroolijken uitroep
antwoordde. Een der cascarilleros had nevens hem plaats genomen,
en hield hem stevig vast; terwijl de stuurman, achter hem staande,
met den stok tegen den oever duwde. Het vlot stak van wal, aarzelde
eenige seconden, en dreef toen af naar het midden. Ongeveer op een
derde der breedte van de rivier gekomen, en terwijl de sterke stroom
zijne werking reeds deed gevoelen, stak Eusebio, hetzij bij vergissing
of uit onhandigheid, den stok, waarmede hij op dat oogenblik stuurde,
onder de balken van het vlot. Terwijl hij den stok terugtrok, kwam
het vlot juist midden in den stroom. Door de geweldige beweging
brak de stok, waarop de majordomo juist uit al zijne macht drukte,
met zooveel kracht door midden, dat hij achterover tuimelde en tegen
den kolonel aanviel, die voorover nederstortte....
Een luide angstkreet ontsnapte aan mijn mond, maar werd verdoofd
door het geschreeuw onzer makkers op den anderen oever. Het vlot,
door den stroom aangegrepen, die het als een stroohalm medevoerde,
dreef met duizelingwekkende snelheid de rivier af. Waar ging het brooze
vaartuig heen, en wat zou het op zijn weg ontmoeten? Ik huiverde bij
de gedachte. Gedurende eene halve minuut staarden wij het ontzettend
schouwspel aan: toen verdwenen de ongelukkigen achter eene kromming
van den oever.
Ik bleef als vastgenageld staan, onbekwaam een stap te doen of eenige
beweging te maken, terwijl mijn hoofd duizelde, en ik werktuigelijk
naar de plek bleef staren, waar het vlot verdwenen was. Hoelang ik
daar zoo stond, weet ik niet; eerst langzamerhand kwam ik weer tot
mijzelven; ik begon mij rekenschap te geven van het gebeurde, en van
den toestand, waarin wij ons bevonden.
Tenzij er een wonder gebeurde, waarop ik niet mocht rekenen, waren
onze ongelukkige makkers reddeloos verloren. Maar geen lange foltering
stond hun te wachten. De rivier zou hen in haar schoot opnemen, en
zich weder boven hen sluiten--en daarmede zou het uit zijn. Maar wat
moest ik zelf doen, hier alleen op den oever achtergebleven, in de
onmogelijkheid om mij bij onze lieden te voegen: zonder levensmiddelen,
zonder kruit of lood om met mijn geweer in mijne eerste behoeften te
kunnen voorzien; bijna met de zekerheid, in de handen der Chunchos
te vallen, die, nu ik alleen was, mij ongetwijfeld zouden aanvallen
en berooven, misschien wel vermoorden..... Een oogenblik benijdde
ik onzen vrienden den kalmen zachten dood, dien zij stellig reeds op
den bodem der rivier moesten hebben gevonden.
Doch weldra gevoelde ik, dat ik mij niet aan werkelooze wanhoop mocht
overgeven, maar in de eerste plaats mij nauwkeurig rekenschap moest
geven van de werkelijkheid, om na te gaan welke middelen tot redding
mij die nog bood. Ik begon dus met de plek op te nemen, waar ik mij
bevond. De lage oever was geheel van plantengroei ontbloot, en zoo
volkomen met steenen bedekt, dat het zand bijna niet zichtbaar was. Op
weinige schreden afstands van den oever liepen twee rijen boomen, die
van het woud uitgingen, en eene tamelijk groote tusschenruimte open
lieten, waar in het midden een doode, van zijn schors beroofde boom
stond. Het geheel maakte, althans op mij, een treurigen indruk. Aan
de overzijde kon ik ons volk zien, met elkander in druk gesprek
gewikkeld, en telkens hunne oogen naar mij wendende. Tot tweemaal toe
was Pepe Garcia naar den oever voortgetreden, en had luid geroepen,
om mijne aandacht te trekken; dan had hij met zijne hand gewezen in
de richting, waarin het vlot verdwenen was. Toen hij bemerkte dat
ik zijne bedoeling niet begreep, had hij gepoogd mij iets toe te
roepen: maar de afstand en het gedruisch van het water hadden mij
belet daarvan iets te begrijpen. Drie woorden slechts: _Seguir la
orilla_--den oever volgen--waren tot mij overgewaaid.
Inmiddels was de tijd verloopen: de dag ging ten einde en de
zonneschijf stond op het punt achter de wouden aan de overzijde
te verdwijnen. Het naderen van den avond maakte mijn toestand nog
moeielijker. Naarmate het landschap om mij heen donkerder en somberder
werd, voelde ik mijn moed zinken: honger en vermoeidheid deden daarbij
het hunne om mij in eene ongelukkige stemming te brengen. Ik poogde
wat te rusten, en ging op den grond liggen, na vooraf de steenen een
weinig te hebben weggeruimd. Daar kon ik in de verte ons kamp zien,
waar onze lieden druk in de weer waren. Die beweging hinderde mij:
het kwam mij voor, of niemand zich om mij bekommerde; ik gevoelde
mij bijna als een schijndoode, die zelf getuige is, hoe spoedig de
achtergeblevenen hem vergeten, en zijne plaats wordt ingenomen. Ik
was onbillijk, want onze makkers daar ginds konden op dit oogenblik
niets voor mij doen; maar de verlatenheid waarin ik mij bevond, en
de honger, die mij feller begon te pijnigen, deden mij mijne gewone
bedaardheid en tegenwoordigheid van geest verliezen.
Het was nu allengs volkomen duister geworden: in het bosch heerschte
eene diepe stilte; het algemeene zwijgen der natuur werd alleen door
het ruischen der rivier afgebroken. Somwijlen hoorde ik daarboven uit
het luide gepraat en gelach van ons volk, gelegerd rondom het vuur,
waarvan ik den rossen weerschijn zag, en waarop nu ongetwijfeld de
spijs voor het avondmaal werd gekookt. Na verloop van eenigen tijd
verbleekte de vuurgloed, en zwegen de stemmen onzer makkers: het
werd nu volkomen stil. Het was mij evenwel niet mogelijk te slapen;
maar tegen den ochtend viel ik toch, door vermoeidheid en uitputting,
in eene soort van verdooving, die mij het bewustzijn van mijn toestand
deed verliezen. Terwijl ik zoo dommelde, half wakend, half droomend,
werd mijne aandacht gewekt door een zwakken kreet, die mij uit de
verte tegenklonk, en na eenige oogenblikken door een tweeden gevolgd
werd. Het geluid kwam niet uit ons kamp, waar alles nog in diepe rust
gedompeld was. Maar vanwaar kwam het dan? Ik richtte mij op, om zoo
mogelijk de richting te onderkennen, vanwaar dit geluid gekomen was,
toen een derde kreet mijn oor trof. Ditmaal scheen het uit het woud te
komen langs den oever, waarop ik mij bevond. Mijn eerste gedachte was
te antwoorden; maar bij later overleg kwam ik daarvan terug. Het was
toch volstrekt niet zeker, dat dit geluid werkelijk door een mensch
werd voortgebracht: ik wist bij ondervinding, hoever de spotvogel of
carpintero van Morayaca het in de nabootsing der menschelijke stem
had gebracht.
Terwijl ik nog hierover in twijfel stond, vernam ik eensklaps
verscheidene stemmen, maar thans van zoo nabij en zoo duidelijk,
dat ik niet alleen niet langer twijfelen kon of ik werkelijk met
menschen te doen had, maar zelfs deze stemmen meende te herkennen
als die onzer ongelukkige schipbreukelingen. Ik stond haastig op,
en liep naar het woud, waarvan de takken met kracht ter zijde werden
gebogen. Zijt gij het Perez? riep ik.--Ik zelf Pablo, antwoordde
mij de kolonel.--_Buenas noches, senor_, (goeden nacht, mijnheer)
zeiden de Bolivianen. Eenige minuten later waren wij allen bijeen en
drukten elkander hartelijk de hand.
Toen de eerste aandoening voorbij was, vroeg ik aan onze vrienden, door
welk wonder zij aan het dreigende en naar onze meening onvermijdelijke
doodsgevaar waren ontsnapt. Eusebio verhaalde mij wat er gebeurd
was. Ook hij had in het eerste oogenblik niet anders gedacht, dan dat
zijn laatste uur gekomen was; maar zijn heilige patroon, dien hij in
dien uitersten nood had aangeroepen, was hun te hulp gekomen. Het vlot,
met duizelingwekkende snelheid door den stroom medegesleept, was reeds
vier krommingen der rivier doorgevlogen, en stond op het punt tegen een
rotsbank te pletter te worden gestooten, toen een zijstrooming het had
weggevoerd en tegen den linker oever geworpen. De schok was zoo hevig
geweest, dat het vlot zich recht tegen den hoogen oever had opgericht,
waar het door de lianen werd tegengehouden. De schipbreukelingen,
met kracht tegen den grond geslingerd, waren weldra weder opgestaan
en van den eersten schrik bekomen; begrijpende dat zij mij nog op
dezelfde plaats zouden vinden, waar zij mij hadden achtergelaten,
waren zij het bosch ingegaan. Op hun tocht hadden zij voortdurend met
allerlei moeilijkheden te kampen gehad. Daar zij noch bijlen, noch
messen bij zich hadden, hadden zij zich met hunne handen een doortocht
moeten banen. Zoolang het dag was, ging dit tamelijk goed, maar toen
de nacht was ingevallen, konden zij niet dan tastend voortgaan, en
hadden zij geducht te lijden van de doornen en scherpe punten der
struiken en planten, die zij in den donker niet konden zien. Hun
gelaat, hunne handen en beenen droegen overal de sporen van deze
onaangename aanrakingen; hunne kleederen hingen hen als lappen om
het lijf. Maar toch hadden zij mij wedergevonden: wij waren weder
bij elkaar, en de doorgestane vermoeienissen en gevaren waren vergeten.
Ons volk aan de overzijde, nog steeds in diepen slaap gedompeld,
had niets gemerkt van de komst van den kolonel en de Bolivianen. Zij
waren dan ook niet weinig verwonderd, toen zij, in plaats van één
persoon, er vier op den oever zagen. Vol verbazing liepen zij naar
den oever, wreven zich de oogen uit, en bleven ons een poos zwijgend
aanstaren. Toen zij niet langer aan onze identiteit konden twijfelen,
begonnen zij luidkeels te jubelen, terwijl de tolken gingen dansen
van pret.
Half door roepen, half door gebaren, beduidden wij hun, dat zij
dadelijk moesten opbreken en den rechter oever volgen, terwijl wij
van onzen kant langs den linker oever zouden voorttrekken. Hoewel
zij het doel van deze beweging niet recht schenen te begrijpen,
aarzelden zij toch geen oogenblik met de uitvoering. Zoo gingen wij
twee uren lang voort; zij op den open oever, wij onder de schaduw
der dichte bosschen, dwars door bijkans ondoordringbare struiken en
doorngewassen; tot wij eindelijk de plek bereikten, waar het vlot
was gestrand. Wij riepen nu onze manschappen toe, stil te houden en
af te wachten wat wij zouden doen.
Wij wenschten namelijk het vlot los te maken uit de lianen, waarin het
verward was, en vervolgens ons gezelschap van den linker oever over
te brengen naar den rechter, waar wij ons bevonden. De cascarilleros
wilden dit gedeelte van het woud onderzoeken, waartoe nu te eer
gelegenheid bestond, nu de tegenwoordigheid der Chunchos hen niet
langer hinderde.
Het vlot, van zijne omwindselen losgemaakt, werd weder te water
gelaten. De geweldige kracht van den stroom, door de uitstekende
rotsen in verschillende takken verdeeld, maakte de overvaart op dit
punt onmogelijk; wij besloten dus den oever af te zakken, tot wij
eene betere plaats zouden gevonden hebben. Eene liane, aan het vlot
bevestigd, diende als lijn. Zoodra onze lieden aan den overkant zagen
dat wij onzen tocht hervatten, begaven ook zij zich weder op weg. Een
halve mijl verder vonden wij een inham, die ons voor de proefneming
beter geschikt voorkwam. Niet alleen was het water hier kalm; maar
eene lichtgroene streep, die van den tegenovergestelden oever tot
in het midden der rivier voortliep, scheen de aanwezigheid van een
zandbank aan te duiden.
Om zich de noodige stokken voor het besturen van het vaartuig te
verschaffen, sneden de Bolivianen met hun zakmes eenige jonge boomen
bij den wortel af waarmede natuurlijk een geruime tijd heenging. Toen
zij hiermede klaar waren, trokken zij het vlot naar den oever,
sprongen er op en staken af. De overtocht werd spoedig en gelukkig
volbracht, en eer een half uur verloopen was, bevond zich onze geheele
karavaan op den linkeroever, waar wij ons weldra aan een goed ontbijt
vereenigden. Na ons aldus versterkt te hebben maakten wij ons gereed
naar het woud te trekken, waar onze cascarilleros hunne nasporingen
zouden beginnen. Het vlot, dat ons later nog van dienst kon zijn,
werd stevig aan den oever vastgebonden, om niet met den stroom af
te drijven.
Kort nadat wij in het woud waren gekomen, begon de grond te rijzen:
een bewijs dat wij de heuvelen naderden, die in lange reeks met de
Cordilleras samenhangen. Juist toen wij ons met moeite door dicht
en laag kreupelhout een weg baanden, schoot een wijfjespeccari met
hare zeugen langs ons heen en verdween in de struiken. Pepe Garcia
en Aragon konden de verzoeking niet weerstaan, hunne geweren af te
schieten. Het beest raakten zij niet: maar de echo van het woud,
die de schoten als een verre donder weerkaatste, waarschuwde de
al te ijverige jagers, doch te laat, dat zij eene onvoorzichtigheid
hadden begaan. Dit beteekenisvolle geluid moest natuurlijk de Chunchos
dadelijk weer met ons verblijf bekend maken, aangenomen dat zij ons
spoor hadden verloren. Daar er evenwel voor het oogenblik niets aan
te doen viel, was het maar best er niet verder aan te denken; maar
om eene herhaling van het feit te voorkomen, verbood de kolonel den
tolken, zonder zijne uitdrukkelijke vergunning te schieten.
Middelerwijl gingen de cascarilleros het bosch in, en kwamen
na verloop van eenige uren weder bij ons. Ditmaal waren hunne
nasporingen niet vruchteloos geweest: zij brachten onderscheidene
stukken van de schors van fijnere kinaboomen mede, die zorgvuldig
werden bewaard. Nauwelijks hadden wij onzen tocht hervat, of wij
vernamen eensklaps het schreeuwen van een ara, en wel niet in de lucht
boven onze hoofden, maar naast ons op den grond. Verbaasd zagen wij
in het rond, maar in plaats van den vogel, dien wij meenden te zien,
ontdekten wij het glimlachende en versch beschilderde gelaat van onzen
ouden bekende, den Siriniri. Achteloos tegen een boom geleund, die hem
gedeeltelijk verborg, vertoonde de wilde ons enkel zijn hoofd, even
als een kind, dat wegschuilertje speelt. Toen hij aan onze blikken
bemerkte dat wij zijn kreet verstaan hadden, wenkte hij ons met de
hand en trad naar ons toe, zonder zich te laten weerhouden door het
onvriendelijke gelaat, waarmede wij hem afwachtten. Hij verhaalde
ons dat eenige leden van zijn stam, die bij de laatste uitdeeling van
messen niet tegenwoordig waren geweest, gaarne kennis met ons wilden
maken; door het geluid van onze _tasa-tasa_ (geweren) verschrikt,
hadden zij zich in de struiken teruggetrokken. De Chuncho zeide niet,
of hij ons in stilte gevolgd was, dan wel of de schoten, door de
tolken op de peccari gelost, hem ons verblijf hadden verraden. Zijn
voorstel om met zijne vrienden kennis te maken, beviel ons zoo weinig,
dat wij op het punt stonden hem te zeggen dat hij naar den duivel kon
loopen, maar de voorzichtigheid weerhield ons. Tot hiertoe hadden deze
wilden, hun onmatige begeerte naar messen daargelaten, zich niet alleen
vredelievend gedragen, maar waren zij ons zelfs in sommige opzichten
van dienst geweest. In het belang onzer eigene veiligheid was het
dus wenschelijk met hen op een goeden voet te blijven, al moest dat
dan ook eenige opoffering kosten, en al namen wij ons stellig voor,
hen altijd op zekeren afstand te houden.--De wilde scheen ons zwijgen
voor toestemming aan te zien; althans hij floot op zijne vingers, en
op dit teeken kwamen een dozijn mannen uit de struiken te voorschijn,
wier gelaat en lichaam met roode en zwarte streepen waren beschilderd,
wier hoofd prijkte met een kroon van toucanvederen, en voorts met hun
boog en pijlen in de hand. De troep begon aanstonds te springen en
te dansen, onder het luide geroep van _Meneha huayri siruta_! (heer,
geef een mes.)
Achter deze springende, dansende, gesticuleerende mannen vertoonden
zich eenige vrouwen, die uit het struikgewas waren te voorschijn
gekomen. Sommigen droegen een kind, schrijlings op haar heup gezeten;
anderen poogden onze begeerlijkheid op te wekken door het vertoonen van
allerlei voorwerpen, zooals schitterend gekleurde huiden van vogels,
tamme papegaaien, vruchten en wortelen, die zij te koop aanboden. Om
het rumoer een weinig tot bedaren te brengen, liet ik het pak met
snuisterijen ongemerkt ter zijde brengen, zoodat zij niet zien konden
wat er in was; toen nam ik er eenige messen, van zes stuivers uit,
die ik verruilde tegen verschillende voorwerpen, welke men mij
aanbood. De vrouwen, die bij deze verhandelingen behulpzaam waren
geweest, ontvingen eenige kleinigheden ten geschenke. Eene van haar,
die twee belletjes had gekregen en daarmede uitermate in haar schik
was, kwam op den inval, ze aan een draad te rijgen, en dien door haar
neus te steken, nadat zij eerst een stuk riet, dat in haar neus was
bevestigd, daaruit had gehaald. Toen schudde zij met haar hoofd,
zoodat de belletjes klingelden, wat haar uitermate verrukte. Dit
voorbeeld werkte aanstekelijk. Al de vrouwen wilden nu volstrekt ook
zulk een klokkenspel aan haar neus hebben; en wij zagen ons gedwongen,
aan ieder een paar belletjes te geven, die zij onmiddellijk door haar
neusgaten staken. Zij gingen nu allen te gelijk aan het schudden met
haar hoofd; doch moesten die oefening weldra staken, daar zij anders
gevaar liepen een stijven nek te krijgen.
Toen het een oogenblik stil was geworden, maakten wij daarvan gebruik
om afscheid te nemen van onze nieuwe kennissen. Juist toen wij op
het punt stonden heen te gaan, werden wij plotseling omsingeld door
de gansche bende, die, met groot geschreeuw en heftige gebaren, zich
tegen ons vertrek scheen te willen verzetten. Blijkbaar hadden zij
evenwel niets vijandigs in den zin. Wij begrepen spoedig dat zij met al
dat geraas en getier, al die beweging en die onverstaanbare uitroepen
geene andere bedoeling hadden, dan om op hunne wijze te protesteeren
tegen ons vertrek. Onder al dit rumoer werd mijn nieuwsgierigheid
geprikkeld door het woord _huatinmio_, dat telkens in hunne uitroepen
terugkeerde, en meestal vergezeld ging van eene beweging met de hand
naar een onbekend punt in het woud. Ik verzocht Pepe Garcia hun te
vragen wat dit beteekende. Deels door gebaren en deels door middel
van die brabbeltaal, waarvan hij zich tot dusver in zijn omgang met
de Siriniris bediend had, kwam hij van hen te weten dat het woord
_huatinmio_ de naam van hun dorp was, op korten afstand gelegen, in de
door hen aangewezen richting. Op dit oogenblik, zoo verzekerden zij,
was er in het dorp niemand overgebleven, dan eenige grijsaards met
de vrouwen en kinderen; de mannen waren uitgetogen om in de vallei
te jagen en te visschen, zooals steeds hunne gewoonte was, wanneer
de voorraad ten einde liep. Zij noodigden ons uit, derwaarts te gaan.
Dit uitstapje had voor ons weinig aantrekkelijks: te minder daar
het ons van den weg afvoerde, dien wij ons hadden voorgenomen te
volgen. Het was louter tijdverspilling en vruchtelooze moeite; nog
daargelaten, dat wij ons misschien aan gevaren blootstelden. Ik
verzocht dus Pepe Garcia, dat hij de Siriniris voor hunne
vriendelijke uitnoodiging zou bedanken, en ons leedwezen betuigen
dat wij daaraan geen gevolg konden geven, omdat wij geen tijd te
verliezen hadden. Tusschen beschaafde lieden zou het daarmede uit
geweest zijn; maar deze wilden lieten zich door onze weigering
niet uit het veld slaan. Zij hielden zoo lang aan met vleien en
smeeken en dringen en liefkozen, dat ik den moed niet had te blijven
weigeren. Bovendien drongen de kolonel en de majordomo er op aan, dat
wij aan het verzoek der Siriniris gevolg zouden geven. De kolonel wilde
gaarne zulk een indiaansch dorp zien, en de majordomo nam zich voor,
onderweg nauwkeurig de wouden te onderzoeken, of zij ook kinaboomen
bevatten. Zij voegden daarbij dat Huatinmio op korten afstand lag,
en dat, daar de gansche mannelijke bevolking in het veld was, ons
kort verblijf van een paar uren wel geen ernstig gevaar kon opleveren,
hetzij voor onze personen, hetzij voor onze goederen. Ik gaf dan toe:
en Pepe Garcia deelde aan de Siriniris mede, dat wij hen naar hun dorp
zouden volgen, en zelfs daar onzen maaltijd wilden gebruiken. Zij
sprongen en dansten van vreugde, en toonden zich dadelijk bereid,
den tocht te aanvaarden. Twee hunner gingen voorop, als om den weg te
banen; de anderen mengden zich onder ons volk, en babbelden rusteloos
door. De vrouwen vormden de achterhoede: zij droegen hare kinderen,
die nog niet loopen konden, en pasten op de anderen, die nu en dan
onder weg bleven stilstaan.
Onze gidsen stapten zoo stevig aan, dat wij na verloop van een
kwartier bijna geheel buiten adem waren, en eenige oogenblikken stil
moesten houden om wat uit te rusten. Pepe Garcia verzocht hun, uit
onzen naam, wat langzamer te loopen, daar wij hen anders niet volgen
konden: een verzoek, dat hen grootelijks verwonderde en hun lachlust
opwekte. Maar toch volgden zij dien wenk op, en richtten het zoo in,
dat wij hen althans zonder te veel inspanning konden bijhouden.
Al aanstonds had het onze aandacht getrokken, dat de Chunchos er zich
in het minst niet om bekommerden, of zij een gebaand pad volgden,
dan wel dwars door het dichte hout gingen. Dit scheen hun volmaakt
onverschillig: en waar wij gevreesd zouden hebben onze kleederen
te scheuren, schenen zij in het minst niet aan hunne naakte huid te
denken. Trouwens, de behendigheid, waarmede zij zich door alle gaten
en bochten wisten heen te werken, grensde aan het wonderbare. Een
slang kon het niet beter en knapper doen. Hoe dicht ook het woud met
doornen, lianen of slingerplanten bewassen of omwoeld was, nooit
verbraken zij die hinderpalen of namen, zooals wij, hun toevlucht
tot bijl of mes. Zij schoven eenvoudig de takken of lianen ter zijde,
of lichtten die op, als ware het een gordijn of draperie; en dat met
zooveel behendigheid en zooveel natuurlijke bevalligheid van beweging,
dat wij er ons telkens op nieuw over verwonderden. Maar al dit fraais
had ook eene minder aangename keerzijde. Wij liepen namelijk telkens
gevaar, de lianen of doornen in het gezicht te krijgen, die de wilden
met de grootste vlugheid hadden ter zijde gebogen, en die zij daarna
weder loslieten, zonder er een oogenblik aan te denken, dat wij hen op
den voet volgden. Evenwel, wij getroostten ons deze onaangenaamheid,
ziende hoe groot genoegen wij hen deden, door met hen mede te gaan.
Reeds was er een uur verloopen, sedert wij ons op weg hadden begeven,
en begon ons de wandeling tamelijk lang te vallen, toen wij aan eene
meer open plek in het woud kwamen, waar de zonnestralen lichte kringen
op den grond teekenden. Aan de overzijde bespeurden wij een smal
pad, tusschen twee hoogten ingesloten, dat met zachte helling naar
boven liep, en overal de sporen droeg van veelvuldige menschelijke
voetstappen. De Siriniris sloegen dat pad in, en wij volgden hen. Na
verloop van tien minuten kwamen wij op eene vlakte, waar wij tusschen
het geboomte de palmbladeren-daken van eenige hutten ontdekten.
Onze gidsen hadden, bij de nadering van het dorp, een luid geschreeuw
aangeheven; hunne vrouwen kwamen nu aanloopen, maar stonden, zoodra zij
ons bemerkten, eensklaps stil, als niet wetende wat deze onverwachte
verschijning te beduiden had. Maar ziende dat haar eigen stamgenooten
als vrienden met ons omgingen, en door eenige verklaringen van hare
mannen gerustgesteld, waagden zij het, naderbij te komen. Naalden,
belletjes, koperen knoopen en dergelijke snuisterijen, die wij
inmiddels te voorschijn hadden gehaald en haar nu aanboden, verdreven
weldra de laatste sporen van vrees, zoodat wij spoedig goede maatjes
waren.
De woningen van het dorp bestonden uit zeer groote open loodsen, met
palmen gedekt en in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst;
zij waren aan de noordwestzijde gesloten, en dus beveiligd tegen
de regens en den wind, die van den kant der Cordilleras komen; aan
de zuidoostzijde waren zij geheel open, en voorts door palmhouten
beschotten in drie of vier afdeelingen of kamers gesplitst. Wij telden
zeven van zulke loodsen, die te zamen in drie-en-twintig compartimenten
waren verdeeld; aannemende, dat in elk compartiment een gezin van
zes personen huisvestte--wat zeker niet overdreven was--zou het dorp
Huatinmio eene bevolking tellen van honderd-acht-en-dertig zielen,
de vrouwen en kinderen daaronder begrepen.
Ieder vertrek bevatte--behalve het weinige vaatwerk en
keukengereedschap, waaraan de wilde behoefte heeft, zooals kruiken
en schotels van ruw aardewerk;--geen ander meubel dan een breede,
van takken gevlochten, op vier pooten rustende bank, die de Indianen
_barbacoa_ noemen, en die hun beurtelings tot tafel, buffet, rustbank
en bed dient. Tegen de wanden hingen bogen, pijlen, kleine trommels,
fluiten, kronen van papegaaien- of toucanvederen, versierselen van
boomschors met franje van gedroogd gras, die bij groote plechtigheden
werden gebruikt. Deze geheele rommel, die er tamelijk smerig en
verlept uitzag, had voor het oog niets aantrekkelijks.
Bij de nadere beschouwing van deze woningen, waar de walgelijkste
onzindelijkheid hand aan hand ging met de volkomenste armoede,--indien
althans deze volslagen onbekendheid met al wat tot veraangenaming des
levens behoort, armoede kan genoemd worden;--trof ons vooral eene
bijzonderheid. Onder al die rustbanken, die, zooals ik gezegd heb,
tot verschillende doeleinden dienen, zagen wij de overblijfselen
van vuren. Waartoe dat vuur onder eene barbacoa, die twee voet boven
den grond verheven was? Diende dit meubel ook nog als rooster, om de
spijzen op te braden of te droogen? Wij konden ons dat niet verklaren,
en besloten daaromtrent onzen gastheeren inlichtingen te vragen.
Rondom de woningen groeiden, te midden van mimosa's en anoneën,
bananen, deels nog in bloei, deels reeds met vrucht. Een weinig buiten
het dorp vonden wij een eenigszins bebouwd terrein, waar manioc,
pasteken, pompoenen en ettelijke andere vruchten werden geteeld;
alles toonde echter duidelijk aan, dat deze zoogenaamde plantage
zeer slecht werd onderhouden, en dat, zoo er nog iets van terecht
kwam, dit wel voornamelijk aan de vruchtbaarheid van den bodem en het
gezegend klimaat te danken was. Ook was de opbrengst van dezen akker
geheel onvoldoende om de bevolking van het dorp te voeden, die dan
ook, evenals alle stammen van het woud, in jacht en visscherij hare
voornaamste middelen van bestaan vindt.
Toen wij van onze wandeling terugkwamen, vonden wij een maaltijd gereed
staan, dien men bepaaldelijk te onzer eere had aangericht, bestaande
in een in der haast gekookte ragout van gerookt apenvleesch en groene
bananen. Zout ontbrak; maar dit gemis werd meer dan vergoed door een
zoo ruimen overvloed van spaanschen peper, dat reeds bij den eersten
hap de tranen ons over de oogen liepen, en wij een gevoel hadden of
onze mond en keel met een gloeiend ijzer werden verschroeid. Gelukkig
had men de voorzorg genomen, nevens dien kom met heeten ragoût een
schotel met frisch, helder water te zetten, waar wij telkens een
teug van namen. Onze vrienden de Siriniris schenen voor deze sterke
kruiderijen onaandoenlijk.
Toen onze maaltijd, dien wij op den grond zittende gebruikt hadden,
was afgeloopen, bemerkten wij, dat de zon reeds ter kimme begon te
neigen. Wij hadden ons, verleid door het vreemde dezer omgeving,
wat lang opgehouden, en waren nu onzeker wat te doen. De kolonel,
die, naar hij zeide, alles gezien had wat hier te zien viel, wilde
volstrekt vertrekken en ergens in het woud gaan bivouakeeren. Ik wilde
evenwel gaarne van deze gelegenheid gebruik maken, om iets meer te
weten te komen van de lieden, in wier midden wij ons nu bevonden;
ik deed daarom den kolonel opmerken, dat het onwellevend zou zijn,
aanstonds na den maaltijd heen te gaan; en dat wij in ieder geval nog
beter in het dorp konden overnachten, dan in het vochtige woud, waar
wij op den sterk bedauwden grond moesten rusten. Vooral deze laatste
opmerking scheen bij Perez, die nog al last van rhumatiek had, te
wegen; er werd dus besloten, dat wij te Huatinmio zouden overnachten.
Toen Pepe Garcia dit besluit aan de Chunchos mededeelde, waren zij
daarmede blijkbaar zeer in bun schik. Aanstonds noodigden zij ons uit,
zelf eene keuze te doen tusschen de verschillende woningen, die allen
te onzer beschikking werden gesteld. Natuurlijk kozen wij de grootste,
zoodat wij allen bij elkander konden blijven. Zoodra onze bagage daarin
was geplaatst, brachten de Siriniris ons hout en water, de eenige
zaken, die zij ons voor den nacht konden aanbieden. Zoodra het donker
was geworden, haalde ik eene bougie te voorschijn, die ik aanstak,
en die de uiterste verbazing der inboorlingen opwekte. Ik wenschte
het een en ander aan te teekenen aangaande de zeden en gewoonten
onzer gastheeren, waartoe ik de hulp van Pepe Garcia noodig had,
die zich reeds een barbacoa had uitgekozen om daarop met Aragon te
gaan slapen. Het was hem dan ook niet zeer naar den zin, toen ik hem
gelastte, de Chunchos te ondervragen omtrent hetgeen ik wenschte te
weten, en mij hunne antwoorden mede te deelen. Aanvankelijk ging de
ondervraging niet gemakkelijk, maar allengs begon men elkander beter
te verstaan, en werden geregelde antwoorden gegeven. Wat ik op die
wijze te weten kwam, zal ik hier kort mededeelen.
De Siriniris, waartoe onze gastheeren behoorden, waren destijds in
drie stammen verdeeld, die eene landstreek bewoonden van omstreeks
tien mijlen lengte bij drie à vier mijlen breedte, geheel met dichte
bosschen bedekt, en door verscheidene beken en kleine rivieren
besproeid. Deze drie stammen te zamen waren misschien omstreeks
driehonderd zielen sterk; sedert langen tijd leefden zij zoowel
onderling, als met de naburige stammen der Huatchipayris, Tuyneris
en Pukiris, die de noordelijk en zuidelijk aangrenzende valleien
bewoonden, in ongestoorden vrede.
De zeden en gewoonten van dezen stam kwamen tamelijk overeen met die
van al de stammen, die de hellingen van de Cordilleras, tusschen den
10den en den 12den graad zuiderbreedte bewonen, en waarmede wij reeds
vroeger kennis hadden gemaakt. De veelwijverij was bij de Siriniris
echter veeleer uitzondering dan regel: niet zoozeer omdat hunne
begrippen ten aanzien van het huwelijk zooveel strenger waren, maar
omdat de schaarschte der levensmiddelen, en de moeilijkheid om altijd
in het onderhoud te voorzien, de mannen doorgaans weerhield, meer
vrouwen te nemen, dan zij zonder al te veel inspanning konden voeden.
Overigens was hunne levenswijze geheel dezelfde als die hunner
stamgenooten: zij kenden geene andere zorg of bezigheid, dan de
vervulling hunner dagelijksche, physieke behoeften. Had de jacht of de
visscherij genoeg opgeleverd, dat er voor eenige dagen voorraad was,
dan bleven de mannen thuis, meestal in volslagen werkeloosheid op den
grond of de barbacoa liggende, terwijl de vrouwen alle bezigheden in
en buiten 's huis verrichtten. Zooals ik reeds zeide, de vrouw is hier
nog, in den letterlijken zin des woords, de slavin, het lastdier,
het eigendom van den man, en in geenen deele zijne gelijke, zijne
echtgenoote. Alle zware arbeid, dien de man niet verrichten wil, komt
ten laste van de vrouw, boven en behalve de zorg voor de kinderen en
de huishouding. De vrouwen zijn, sedert eeuwen reeds, aan die ruwe
behandeling gewoon en denken er niet aan, zich daarover te beklagen:
zij zijn daaraan zoo gewoon geworden, dat zij niet anders weten of
het behoort zoo.
Evenals bij alle indiaansche volksstammen van Zuid-Amerika, gaat
het huwelijk, of liever de vereeniging der beide geslachten, zonder
eenige ceremonie of plechtigheid. De jonkman neemt zich een meisje,
en daarmede is het uit. De kinderen blijven tot aan hun zevende jaar
onder het opzicht van de moeder; dan gaan zij onder de voogdij van den
vader over, die zich met de verdere opvoeding belast. Zijn eerste werk
is, hen, evenals jonge honden, in het water te werpen, om hun zoodoende
zwemmen te leeren; dan onderwijst hij hen in de behandeling van boog en
pijlen, en in de kunst om met een steenen mes, en met behulp van vuur,
knodsen te snijden. Daartoe en tot het nabootsen van het geluid van
eenige dieren, bepaalt zich de geheele opvoeding. Het kind vergezelt
zijn vader op diens tochten door het bosch, gaat met hem op de jacht,
en neemt, op zijne beurt groot geworden, zooveel vrouwen als hij meent
te kunnen onderhouden. En zoo gaat het leven dezer menschen, geslacht
aan geslacht voort, terwijl hun aantal voortdurend vermindert, en
met onvermijdelijke zekerheid de dag nadert, waarop zij geheel van
de aarde zullen verdwenen zijn.