II.

De oever van den Cconi, dien wij volgden, bleef altijd even dor

en eentonig; daarentegen zagen wij langs den anderen oever een

onafgebroken heuvelreeks, met dicht bosch bedekt, en met zachte

hellingen afdalende tot de weelderig begroeide oevers der rivier. Onze

Bolivianen meenden, dat zij wellicht in die bosschen kinaboomen zouden

vinden; wij besloten daarom van de eerste gelegenheid de beste gebruik

te maken om den tegenoverliggenden oever te bereiken. Natuurlijk

moesten wij daartoe eene waadbare plaats afwachten. Den volgenden

dag kwamen wij aan een punt, waar eene bank of een rotsachtig eiland

de rivier in twee armen splitste, en dus den overtocht gemakkelijker

maakte. Daar stond echter tegenover, dat deze bank de snelvlietende

wateren in hare vaart tegenhield, en daardoor eene branding deed

ontstaan, die niet zonder gevaar was. Aan waden viel niet te denken:

te minder daar iedere arm stellig vijftien tot twintig ellen breed

was. Eindelijk kwam een onzer Bolivianen op een gelukkigen inval. Door

een zijner kameraden geholpen, begon hij de biezen af te snijden, die

langs den oever groeiden. Toen zij een genoegzamen voorraad hadden,

maakten zij daarvan een grooten bos, die in de rivier werd geworpen,

en waaraan een touw werd vastgemaakt. De Boliviaan, die het eerst op

deze gedachte gekomen was, wilde nu ook de proef nemen. Zich ontkleed

hebbende, zette hij zich schrijlings op den bos, stiet van wal, en

trachtte met behulp van een stok, die als pagaai dienst deed, het

eiland te bereiken. Zijn makker hield het uiteinde van het touw vast,

en belette daardoor het biezen vlot met den stroom af te drijven. Tot

tweemaal toe mislukte de proef; maar voor de derde maal gelukte het

den koenen varensgast de bank te bereiken. Dadelijk haalde hij zijn

vlot op den oever, maakte het touw los, bevestigde dat stevig aan

eene uitstekende rotspunt, en riep zijn kameraad toe, het stevig aan

te trekken. Wij begrepen nu waartoe het strak gespannen touw dienen

moest. Een voor een gingen wij nu te water, dat ons bijna tot aan

de lippen kwam, omklemden het touw, en baanden ons zoo, niet zonder

moeite, een weg door de schuimende, snelvlietende rivier, tot aan

het eilandje, waar wij behouden aankwamen. Na eenige oogenblikken

uitgerust te hebben, werd nu de tweede arm van den Cconi op dezelfde

wijze doorwaad, en zonder ongeval, maar druipnat, stonden wij weldra

op den linkeroever.

Het was prachtig weer; de zon straalde aan den onbewolkten hemel. Eer

wij het nabijzijnde bosch ingingen, trokken wij onze kleederen uit,

en spreidden die op den met gras begroeiden grond, om in de zon te

drogen. Juist terwijl wij daarmede bezig waren, hoorden wij eensklaps

aan den anderen oever het geschreeuw van een ara (eene soort van

papegaai). Daar het drie uren in den middag en helder weer was, kwam

dit geluid mij verdacht voor. De ondervinding had mij toch sedert

lang geleerd, dat, uitgenomen bij de nadering van een onweder, de

papegaaien en aras zich nooit anders laten hooren dan bij het op- of

ondergaan der zon. Het overige van den dag zoeken zij de schaduw op,

en zitten daar stil, nu eens op dezen, dan weder op den anderen poot

rustende, en middelerwijl op eene noot of palmschors knabbelende, om

zich den bek te scherpen. Terwijl ik hierover met Pepe Garcia sprak,

die, als een ervaren jager, de juistheid mijner opmerking erkende,

verscheen ons eensklaps die bovennatuurlijke ara, en wel in de gedaante

van onzen bekenden Chuncho. Hij ging langzaam langs den Cconi voort,

nauwkeurig de sporen van onzen marsch gadeslaande. Toen hij aan de

plek gekomen was, waar wij de rivier waren overgestoken, begreep hij

dadelijk, bij het zien van den platgetreden grond en het afgesneden

riet, wat er geschied was: want, stilstaande, hief hij het hoofd op en

keek naar den anderen oever, waar hij ons dadelijk gewaar werd, bezig

zijnde onze kleederen bijeen te zamelen en haastig aan te trekken. Hij

hief nu een luid geschreeuw aan, waarop een gansche zwerm wilden,

mannen, vrouwen en kinderen, uit het kreupelhout te voorschijn kwam;

wij telden er minstens veertig. Aanvankelijk zetten zij zich op den

oever neder, en schenen met elkander te overleggen, wat te doen; want

zij hadden gezien dat de kolonel zijn geweer ter hand had genomen; maar

toen zij na eenige oogenblikken hem dat wapen uit de hand zagen leggen,

begrepen zij, dat er geen gevaar was. Onze gast trad nu vooruit, en

riep, met een smeekend gebaar, zeer duidelijk het woord: _Siruta!_

(mes).

Ik nam een mes in de hand, en toonde dat den Chuncho, hem tevens met

de andere hand wijzende op de vogelvellen, om aldus mijne begeerte te

kennen te geven een ruilhandel te drijven. Zij begrepen dadelijk mijne

bedoeling. De gansche bende rees haastig op, en begon te dansen en te

springen, onder het luide geroep van _Siruta! Siruta_! Toen brachten

zij aanstonds bijeen wat zij vinden konden: gevlochten mandjes,

hoofdtooisels van vederen, kettingen van bessen of pitten, huiden

van vogels,--zelfs levende, tamme aras. Toen, mij deze voorwerpen en

dieren toonende, als om daardoor te kennen te geven dat mijn wensch

ook de hunne was, liepen zij langs den oever voort, tot voorbij het

rotsige eiland, dat de rivier in twee takken deelde. Daar begaven

zij zich te water, met hunne handelsartikelen, die zij boven hun

hoofd in de hoogte hielden, om ze voor nat woorden te bewaren;

en alleen met den rechterarm zwemmende, begonnen zij de bruisende

rivier in schuine richting over te steken. Wij zagen bijna niets dan

hunne opgeheven linkerarmen, die als bronzen staven boven het blanke,

schuimende water uitstaken, en bewonderden de vlugheid, de kracht en

de aangeboren sierlijkheid dier forsche mannen, die zonder aarzelen

den heftigen stroom trotseerden. Weldra stonden zij, druipnat, voor

ons, en drukten ons in hunne armen; de gansche voorraad, dien zij

hadden medegebracht, ging aanstonds in onze handen over. Toen zij

niets meer hadden aan te bieden, stelden wij hun voor, hunne bogen en

pijlen tegen andere snuisterijen in te ruilen. Eerst aarzelden zij:

toen, na met een der oudsten van den troep te hebben geraadpleegd,

verklaarden zij zich bereid om die wapenen af te staan, ofschoon

hun dit blijkbaar eene zekere zelfverloochening kostte. Het was ons

daarbij niet zoo zeer te doen om die bogen en pijlen, hoewel die niet

zonder zekere kunst waren vervaardigd; maar voornamelijk om die ons

onbekende gasten te ontwapenen, en hen alzoo buiten de mogelijkheid

te stellen ons kwaad te doen, gesteld dat zij daaraan dachten.

Terwijl wij nog met deze onderhandelingen bezig waren, stonden

eensklaps de vrouwen der Chunchos, die eerst op den anderen oever

gebleven waren, met hare kinderen voor ons. Zij hadden eene waadbare

plek in de rivier opgezocht, en waren naar de overzijde gekomen,

waarschijnlijk om zich met eigen oogen te overtuigen van hetgeen

daar tusschen hare mannen en ons geschiedde. Uit achting voor het

schoone geslacht, waarvan zij de minder gelukkige vertegenwoordigers

waren, besloot ik eene uitdeeling te houden van koperen knoopen,

spelden en ringen, die bij uitnemendheid aan de dames schenen te

bevallen, maar tegelijk de begeerlijkheid der mannen opwekten, die,

luid schreeuwende en met heftige gebaren, ook hun aandeel van al dit

fraais vorderden. Het geschreeuw en gedrang begon mij eindelijk te

vervelen: bovendien werd mijne achterdocht opgewekt door herhaalde

half luide gesprekken met onzen bekenden gast en spion, en door de van

begeerte vlammende blikken, die zij steelsgewijze naar onze bagage

wierpen. Ik liet daarom de pakken weder dicht maken, en beval den

dragers zich daarop te zetten. Maar nu werd de aandacht der wilden

door iets anders getrokken. Aan den oever lagen nog enkele van onze

kleedingstukken op het gras; die gingen zij nu bekijken, beruiken,

betasten; trachtende zich rekenschap te geven van de wijze, waarop

deze vreemde dingen werden gebruikt. Eindelijk begonnen sommigen

proeven te nemen: de een probeerde een pantalon aan te trekken,

daarbij zijne armen in de pijpen stekende; een ander stak zijne voeten

in de mouwen van een wambuis, en zoo voorts. Het werd meer dan tijd,

aan deze dwaasheden een einde te maken. Wij namen onze kleederen op,

pakten ze bijeen en begaven ons op weg. De Siriniris, ziende dat

wij ons verwijderden, zonder afscheid van hen te nemen, begonnen

ons na te loopen, en met allerlei verzoeken lastig te vallen. Daar

zij ons wat al te dicht op de hielen zaten, keerden Pepe Garcia en

Aragon, die onzen trein sloten, zich eensklaps om, en zich houdende

alsof zij hunne geweren laadden, zagen zij de lastige indringers

zoo dreigend aan, dat deze plotseling stilstonden. Deze manoeuvre,

die onze tolken met eenige wijziging twee- of driemaal herhaalden,

maakte toch eindelijk de Chunchos bevreesd; althans zij hielden op,

ons na te loopen. Zij gingen nu in de schaduw van het geboomte zitten

om op hun gemak de voorwerpen te bekijken, die zij van ons gekregen

hadden. Een kromming der rivier onttrok hen weldra aan ons gezicht.

Deze onaangename ontmoeting deed onze cascarilleros dadelijk besluiten,

het onderzoek der bosschen op dezen oever voorloopig uit te stellen. De

Chunchos, waarvan wij voor het oogenblik verlost waren, konden het

zeer licht in het hoofd krijgen, op nieuw ons spoor te volgen; en het

vooruitzicht van nogmaals met hen in aanraking te komen, was verre van

uitlokkend. Om ons zoo mogelijk aan hunne nasporingen te onttrekken,

besloten wij dezen oever te verlaten, waar zij ons, van verre of

van nabij, zouden blijven volgen, en naar den anderen oever terug te

keeren, waar de dichte rietbosschen onze bewegingen beter voor den

vijand zouden verbergen. De voorde, waarvan de vrouwen der Siriniris

zich hadden bediend om tot ons te komen, lag juist op onzen weg; eene

witte streep dwars over het groenachtige water wees de juiste plaats

aan. Wij gaven elkander de hand en doorwaadden de rivier, waarbij het

water ons tot aan de knieën kwam. Toen wij ons door de gansche breedte

der rivier van de Chunchos gescheiden wisten, haalden wij ruimer adem.

Den volgenden dag, toen wij met zekerheid konden aannemen dat onze

vervolgers van hun voornemen hadden afgezien en ons spoor waren

bijster geraakt, besloten wij naar den linker oever terug te keeren,

en het onderzoek der bosschen voort te zetten. Maar de Cconi was

hier zeer breed, en geen enkel eilandje daagde uit zijn schoot op, om

den overtocht te vergemakkelijken; ook bewees de kleur van het water

genoegzaam dat hier geen waadbare plek, maar veeleer eene groote diepte

gevonden werd. Wij waren tamelijk met de zaak verlegen, maar onze

Bolivianen wisten ook ditmaal raad; zij verzekerden ons al lachende,

dat zij ons zonder hinder naar de overzijde zouden brengen, en wel door

middel van een _callapeo_ (vlot), dat zij zouden vervaardigen. Zoo

gezegd, zoo gedaan. Vergezeld van eenige dragers, togen zij naar

het woud, en kwamen, na verloop van een paar uren, terug met eenige

stammen van een toroh _(cecropia)_, en eenige groote bossen lianen.

De vervaardiging van het vlot eischte niet veel tijd: blijkbaar waren

onze cascarilleros sinds lang met dit werk vertrouwd. Weldra was de

callapeo gereed: hij was ongeveer vier el lang en twee el breed. Het

was een eenvoudige vloer: de lichte poreuse stammen waren door middel

van lianen, steviger nog dan touwen, vast aaneengebonden. Zoodra het

vlot klaar was, werd het te water gelaten; om te zien of het goed in

elkaar zat en hoeveel personen het dragen kon, zou eerst een proef

worden genomen. Twee cascarilleros zetten zich in het midden neder;

terwijl hun aanvoerder, aan het eene uiteinde staande en met den langen

stok gewapend, die hem tot pagaai en roer tevens dienen moest, de

rol van stuurman op zich nam. Ik had grooten lust om van de partij te

zijn; de Bolivianen, hoewel mij vrij latende te doen wat ik goedvond,

merkten op, dat zij liever zonder mij de eerste proef wilden wagen:

was er gevaar, dan moest dit niemand anders dan hen alleen gelden. Ik

gaf daar geen acht op, nam mijn geweer, en zette mij neder tusschen

de twee cascarilleros. Het vlot werd nu van den wal gestooten, en

naar het midden van de rivier gestuurd, waar de stroom het aangreep

en met snelheid begon mede te voeren, toen de stuurman, met vaste

hand en grooten takt, zijn stok nu eens als riem dan weder als roer

gebruikende, het buiten den stroom bracht, en naar den linkeroever

stuurde, waar wij aan land kwamen, ongeveer een boogschot beneden de

plaats der afvaart. Een luide juichkreet van onze makkers, die op den

anderen oever waren achtergebleven, begroette dezen gelukkigen uitslag.

De proef had bewezen dat ons vlot eene bemanning van acht personen

zou kunnen dragen, wanneer zij er althans niet tegen opzagen, een

weinigje in het water te zitten. Toen ik aan wal was gestapt, en

het vlot weder naar de overzijde was teruggekeerd, verzocht Eusebio,

de aanvoerder der cascarilleros, aan den kolonel, die klaar stond te

vertrekken, dat hij nog eenige anderen zou aanwijzen, die met hem

de reis zouden doen. Maar onze dappere vriend scheen daartoe niet

gezind: althans Pepe Garcia en Aragon, die zich gereed maakten hem

te volgen en reeds met hun eenen voet op het vlot stonden, traden

terug en moesten hunne beurt afwachten.

De kolonel ging juist op dezelfde plek zitten, waar ik gezeten had;

evenals ik had gedaan, zette ook hij zijn geweer tusschen zijne beenen,

en knikte mij vriendelijk toe, waarop ik met een vroolijken uitroep

antwoordde. Een der cascarilleros had nevens hem plaats genomen,

en hield hem stevig vast; terwijl de stuurman, achter hem staande,

met den stok tegen den oever duwde. Het vlot stak van wal, aarzelde

eenige seconden, en dreef toen af naar het midden. Ongeveer op een

derde der breedte van de rivier gekomen, en terwijl de sterke stroom

zijne werking reeds deed gevoelen, stak Eusebio, hetzij bij vergissing

of uit onhandigheid, den stok, waarmede hij op dat oogenblik stuurde,

onder de balken van het vlot. Terwijl hij den stok terugtrok, kwam

het vlot juist midden in den stroom. Door de geweldige beweging

brak de stok, waarop de majordomo juist uit al zijne macht drukte,

met zooveel kracht door midden, dat hij achterover tuimelde en tegen

den kolonel aanviel, die voorover nederstortte....

Een luide angstkreet ontsnapte aan mijn mond, maar werd verdoofd

door het geschreeuw onzer makkers op den anderen oever. Het vlot,

door den stroom aangegrepen, die het als een stroohalm medevoerde,

dreef met duizelingwekkende snelheid de rivier af. Waar ging het brooze

vaartuig heen, en wat zou het op zijn weg ontmoeten? Ik huiverde bij

de gedachte. Gedurende eene halve minuut staarden wij het ontzettend

schouwspel aan: toen verdwenen de ongelukkigen achter eene kromming

van den oever.

Ik bleef als vastgenageld staan, onbekwaam een stap te doen of eenige

beweging te maken, terwijl mijn hoofd duizelde, en ik werktuigelijk

naar de plek bleef staren, waar het vlot verdwenen was. Hoelang ik

daar zoo stond, weet ik niet; eerst langzamerhand kwam ik weer tot

mijzelven; ik begon mij rekenschap te geven van het gebeurde, en van

den toestand, waarin wij ons bevonden.

Tenzij er een wonder gebeurde, waarop ik niet mocht rekenen, waren

onze ongelukkige makkers reddeloos verloren. Maar geen lange foltering

stond hun te wachten. De rivier zou hen in haar schoot opnemen, en

zich weder boven hen sluiten--en daarmede zou het uit zijn. Maar wat

moest ik zelf doen, hier alleen op den oever achtergebleven, in de

onmogelijkheid om mij bij onze lieden te voegen: zonder levensmiddelen,

zonder kruit of lood om met mijn geweer in mijne eerste behoeften te

kunnen voorzien; bijna met de zekerheid, in de handen der Chunchos

te vallen, die, nu ik alleen was, mij ongetwijfeld zouden aanvallen

en berooven, misschien wel vermoorden..... Een oogenblik benijdde

ik onzen vrienden den kalmen zachten dood, dien zij stellig reeds op

den bodem der rivier moesten hebben gevonden.

Doch weldra gevoelde ik, dat ik mij niet aan werkelooze wanhoop mocht

overgeven, maar in de eerste plaats mij nauwkeurig rekenschap moest

geven van de werkelijkheid, om na te gaan welke middelen tot redding

mij die nog bood. Ik begon dus met de plek op te nemen, waar ik mij

bevond. De lage oever was geheel van plantengroei ontbloot, en zoo

volkomen met steenen bedekt, dat het zand bijna niet zichtbaar was. Op

weinige schreden afstands van den oever liepen twee rijen boomen, die

van het woud uitgingen, en eene tamelijk groote tusschenruimte open

lieten, waar in het midden een doode, van zijn schors beroofde boom

stond. Het geheel maakte, althans op mij, een treurigen indruk. Aan

de overzijde kon ik ons volk zien, met elkander in druk gesprek

gewikkeld, en telkens hunne oogen naar mij wendende. Tot tweemaal toe

was Pepe Garcia naar den oever voortgetreden, en had luid geroepen,

om mijne aandacht te trekken; dan had hij met zijne hand gewezen in

de richting, waarin het vlot verdwenen was. Toen hij bemerkte dat

ik zijne bedoeling niet begreep, had hij gepoogd mij iets toe te

roepen: maar de afstand en het gedruisch van het water hadden mij

belet daarvan iets te begrijpen. Drie woorden slechts: _Seguir la

orilla_--den oever volgen--waren tot mij overgewaaid.

Inmiddels was de tijd verloopen: de dag ging ten einde en de

zonneschijf stond op het punt achter de wouden aan de overzijde

te verdwijnen. Het naderen van den avond maakte mijn toestand nog

moeielijker. Naarmate het landschap om mij heen donkerder en somberder

werd, voelde ik mijn moed zinken: honger en vermoeidheid deden daarbij

het hunne om mij in eene ongelukkige stemming te brengen. Ik poogde

wat te rusten, en ging op den grond liggen, na vooraf de steenen een

weinig te hebben weggeruimd. Daar kon ik in de verte ons kamp zien,

waar onze lieden druk in de weer waren. Die beweging hinderde mij:

het kwam mij voor, of niemand zich om mij bekommerde; ik gevoelde

mij bijna als een schijndoode, die zelf getuige is, hoe spoedig de

achtergeblevenen hem vergeten, en zijne plaats wordt ingenomen. Ik

was onbillijk, want onze makkers daar ginds konden op dit oogenblik

niets voor mij doen; maar de verlatenheid waarin ik mij bevond, en

de honger, die mij feller begon te pijnigen, deden mij mijne gewone

bedaardheid en tegenwoordigheid van geest verliezen.

Het was nu allengs volkomen duister geworden: in het bosch heerschte

eene diepe stilte; het algemeene zwijgen der natuur werd alleen door

het ruischen der rivier afgebroken. Somwijlen hoorde ik daarboven uit

het luide gepraat en gelach van ons volk, gelegerd rondom het vuur,

waarvan ik den rossen weerschijn zag, en waarop nu ongetwijfeld de

spijs voor het avondmaal werd gekookt. Na verloop van eenigen tijd

verbleekte de vuurgloed, en zwegen de stemmen onzer makkers: het

werd nu volkomen stil. Het was mij evenwel niet mogelijk te slapen;

maar tegen den ochtend viel ik toch, door vermoeidheid en uitputting,

in eene soort van verdooving, die mij het bewustzijn van mijn toestand

deed verliezen. Terwijl ik zoo dommelde, half wakend, half droomend,

werd mijne aandacht gewekt door een zwakken kreet, die mij uit de

verte tegenklonk, en na eenige oogenblikken door een tweeden gevolgd

werd. Het geluid kwam niet uit ons kamp, waar alles nog in diepe rust

gedompeld was. Maar vanwaar kwam het dan? Ik richtte mij op, om zoo

mogelijk de richting te onderkennen, vanwaar dit geluid gekomen was,

toen een derde kreet mijn oor trof. Ditmaal scheen het uit het woud te

komen langs den oever, waarop ik mij bevond. Mijn eerste gedachte was

te antwoorden; maar bij later overleg kwam ik daarvan terug. Het was

toch volstrekt niet zeker, dat dit geluid werkelijk door een mensch

werd voortgebracht: ik wist bij ondervinding, hoever de spotvogel of

carpintero van Morayaca het in de nabootsing der menschelijke stem

had gebracht.

Terwijl ik nog hierover in twijfel stond, vernam ik eensklaps

verscheidene stemmen, maar thans van zoo nabij en zoo duidelijk,

dat ik niet alleen niet langer twijfelen kon of ik werkelijk met

menschen te doen had, maar zelfs deze stemmen meende te herkennen

als die onzer ongelukkige schipbreukelingen. Ik stond haastig op,

en liep naar het woud, waarvan de takken met kracht ter zijde werden

gebogen. Zijt gij het Perez? riep ik.--Ik zelf Pablo, antwoordde

mij de kolonel.--_Buenas noches, senor_, (goeden nacht, mijnheer)

zeiden de Bolivianen. Eenige minuten later waren wij allen bijeen en

drukten elkander hartelijk de hand.

Toen de eerste aandoening voorbij was, vroeg ik aan onze vrienden, door

welk wonder zij aan het dreigende en naar onze meening onvermijdelijke

doodsgevaar waren ontsnapt. Eusebio verhaalde mij wat er gebeurd

was. Ook hij had in het eerste oogenblik niet anders gedacht, dan dat

zijn laatste uur gekomen was; maar zijn heilige patroon, dien hij in

dien uitersten nood had aangeroepen, was hun te hulp gekomen. Het vlot,

met duizelingwekkende snelheid door den stroom medegesleept, was reeds

vier krommingen der rivier doorgevlogen, en stond op het punt tegen een

rotsbank te pletter te worden gestooten, toen een zijstrooming het had

weggevoerd en tegen den linker oever geworpen. De schok was zoo hevig

geweest, dat het vlot zich recht tegen den hoogen oever had opgericht,

waar het door de lianen werd tegengehouden. De schipbreukelingen,

met kracht tegen den grond geslingerd, waren weldra weder opgestaan

en van den eersten schrik bekomen; begrijpende dat zij mij nog op

dezelfde plaats zouden vinden, waar zij mij hadden achtergelaten,

waren zij het bosch ingegaan. Op hun tocht hadden zij voortdurend met

allerlei moeilijkheden te kampen gehad. Daar zij noch bijlen, noch

messen bij zich hadden, hadden zij zich met hunne handen een doortocht

moeten banen. Zoolang het dag was, ging dit tamelijk goed, maar toen

de nacht was ingevallen, konden zij niet dan tastend voortgaan, en

hadden zij geducht te lijden van de doornen en scherpe punten der

struiken en planten, die zij in den donker niet konden zien. Hun

gelaat, hunne handen en beenen droegen overal de sporen van deze

onaangename aanrakingen; hunne kleederen hingen hen als lappen om

het lijf. Maar toch hadden zij mij wedergevonden: wij waren weder

bij elkaar, en de doorgestane vermoeienissen en gevaren waren vergeten.

Ons volk aan de overzijde, nog steeds in diepen slaap gedompeld,

had niets gemerkt van de komst van den kolonel en de Bolivianen. Zij

waren dan ook niet weinig verwonderd, toen zij, in plaats van één

persoon, er vier op den oever zagen. Vol verbazing liepen zij naar

den oever, wreven zich de oogen uit, en bleven ons een poos zwijgend

aanstaren. Toen zij niet langer aan onze identiteit konden twijfelen,

begonnen zij luidkeels te jubelen, terwijl de tolken gingen dansen

van pret.

Half door roepen, half door gebaren, beduidden wij hun, dat zij

dadelijk moesten opbreken en den rechter oever volgen, terwijl wij

van onzen kant langs den linker oever zouden voorttrekken. Hoewel

zij het doel van deze beweging niet recht schenen te begrijpen,

aarzelden zij toch geen oogenblik met de uitvoering. Zoo gingen wij

twee uren lang voort; zij op den open oever, wij onder de schaduw

der dichte bosschen, dwars door bijkans ondoordringbare struiken en

doorngewassen; tot wij eindelijk de plek bereikten, waar het vlot

was gestrand. Wij riepen nu onze manschappen toe, stil te houden en

af te wachten wat wij zouden doen.

Wij wenschten namelijk het vlot los te maken uit de lianen, waarin het

verward was, en vervolgens ons gezelschap van den linker oever over

te brengen naar den rechter, waar wij ons bevonden. De cascarilleros

wilden dit gedeelte van het woud onderzoeken, waartoe nu te eer

gelegenheid bestond, nu de tegenwoordigheid der Chunchos hen niet

langer hinderde.

Het vlot, van zijne omwindselen losgemaakt, werd weder te water

gelaten. De geweldige kracht van den stroom, door de uitstekende

rotsen in verschillende takken verdeeld, maakte de overvaart op dit

punt onmogelijk; wij besloten dus den oever af te zakken, tot wij

eene betere plaats zouden gevonden hebben. Eene liane, aan het vlot

bevestigd, diende als lijn. Zoodra onze lieden aan den overkant zagen

dat wij onzen tocht hervatten, begaven ook zij zich weder op weg. Een

halve mijl verder vonden wij een inham, die ons voor de proefneming

beter geschikt voorkwam. Niet alleen was het water hier kalm; maar

eene lichtgroene streep, die van den tegenovergestelden oever tot

in het midden der rivier voortliep, scheen de aanwezigheid van een

zandbank aan te duiden.

Om zich de noodige stokken voor het besturen van het vaartuig te

verschaffen, sneden de Bolivianen met hun zakmes eenige jonge boomen

bij den wortel af waarmede natuurlijk een geruime tijd heenging. Toen

zij hiermede klaar waren, trokken zij het vlot naar den oever,

sprongen er op en staken af. De overtocht werd spoedig en gelukkig

volbracht, en eer een half uur verloopen was, bevond zich onze geheele

karavaan op den linkeroever, waar wij ons weldra aan een goed ontbijt

vereenigden. Na ons aldus versterkt te hebben maakten wij ons gereed

naar het woud te trekken, waar onze cascarilleros hunne nasporingen

zouden beginnen. Het vlot, dat ons later nog van dienst kon zijn,

werd stevig aan den oever vastgebonden, om niet met den stroom af

te drijven.

Kort nadat wij in het woud waren gekomen, begon de grond te rijzen:

een bewijs dat wij de heuvelen naderden, die in lange reeks met de

Cordilleras samenhangen. Juist toen wij ons met moeite door dicht

en laag kreupelhout een weg baanden, schoot een wijfjespeccari met

hare zeugen langs ons heen en verdween in de struiken. Pepe Garcia

en Aragon konden de verzoeking niet weerstaan, hunne geweren af te

schieten. Het beest raakten zij niet: maar de echo van het woud,

die de schoten als een verre donder weerkaatste, waarschuwde de

al te ijverige jagers, doch te laat, dat zij eene onvoorzichtigheid

hadden begaan. Dit beteekenisvolle geluid moest natuurlijk de Chunchos

dadelijk weer met ons verblijf bekend maken, aangenomen dat zij ons

spoor hadden verloren. Daar er evenwel voor het oogenblik niets aan

te doen viel, was het maar best er niet verder aan te denken; maar

om eene herhaling van het feit te voorkomen, verbood de kolonel den

tolken, zonder zijne uitdrukkelijke vergunning te schieten.

Middelerwijl gingen de cascarilleros het bosch in, en kwamen

na verloop van eenige uren weder bij ons. Ditmaal waren hunne

nasporingen niet vruchteloos geweest: zij brachten onderscheidene

stukken van de schors van fijnere kinaboomen mede, die zorgvuldig

werden bewaard. Nauwelijks hadden wij onzen tocht hervat, of wij

vernamen eensklaps het schreeuwen van een ara, en wel niet in de lucht

boven onze hoofden, maar naast ons op den grond. Verbaasd zagen wij

in het rond, maar in plaats van den vogel, dien wij meenden te zien,

ontdekten wij het glimlachende en versch beschilderde gelaat van onzen

ouden bekende, den Siriniri. Achteloos tegen een boom geleund, die hem

gedeeltelijk verborg, vertoonde de wilde ons enkel zijn hoofd, even

als een kind, dat wegschuilertje speelt. Toen hij aan onze blikken

bemerkte dat wij zijn kreet verstaan hadden, wenkte hij ons met de

hand en trad naar ons toe, zonder zich te laten weerhouden door het

onvriendelijke gelaat, waarmede wij hem afwachtten. Hij verhaalde

ons dat eenige leden van zijn stam, die bij de laatste uitdeeling van

messen niet tegenwoordig waren geweest, gaarne kennis met ons wilden

maken; door het geluid van onze _tasa-tasa_ (geweren) verschrikt,

hadden zij zich in de struiken teruggetrokken. De Chuncho zeide niet,

of hij ons in stilte gevolgd was, dan wel of de schoten, door de

tolken op de peccari gelost, hem ons verblijf hadden verraden. Zijn

voorstel om met zijne vrienden kennis te maken, beviel ons zoo weinig,

dat wij op het punt stonden hem te zeggen dat hij naar den duivel kon

loopen, maar de voorzichtigheid weerhield ons. Tot hiertoe hadden deze

wilden, hun onmatige begeerte naar messen daargelaten, zich niet alleen

vredelievend gedragen, maar waren zij ons zelfs in sommige opzichten

van dienst geweest. In het belang onzer eigene veiligheid was het

dus wenschelijk met hen op een goeden voet te blijven, al moest dat

dan ook eenige opoffering kosten, en al namen wij ons stellig voor,

hen altijd op zekeren afstand te houden.--De wilde scheen ons zwijgen

voor toestemming aan te zien; althans hij floot op zijne vingers, en

op dit teeken kwamen een dozijn mannen uit de struiken te voorschijn,

wier gelaat en lichaam met roode en zwarte streepen waren beschilderd,

wier hoofd prijkte met een kroon van toucanvederen, en voorts met hun

boog en pijlen in de hand. De troep begon aanstonds te springen en

te dansen, onder het luide geroep van _Meneha huayri siruta_! (heer,

geef een mes.)

Achter deze springende, dansende, gesticuleerende mannen vertoonden

zich eenige vrouwen, die uit het struikgewas waren te voorschijn

gekomen. Sommigen droegen een kind, schrijlings op haar heup gezeten;

anderen poogden onze begeerlijkheid op te wekken door het vertoonen van

allerlei voorwerpen, zooals schitterend gekleurde huiden van vogels,

tamme papegaaien, vruchten en wortelen, die zij te koop aanboden. Om

het rumoer een weinig tot bedaren te brengen, liet ik het pak met

snuisterijen ongemerkt ter zijde brengen, zoodat zij niet zien konden

wat er in was; toen nam ik er eenige messen, van zes stuivers uit,

die ik verruilde tegen verschillende voorwerpen, welke men mij

aanbood. De vrouwen, die bij deze verhandelingen behulpzaam waren

geweest, ontvingen eenige kleinigheden ten geschenke. Eene van haar,

die twee belletjes had gekregen en daarmede uitermate in haar schik

was, kwam op den inval, ze aan een draad te rijgen, en dien door haar

neus te steken, nadat zij eerst een stuk riet, dat in haar neus was

bevestigd, daaruit had gehaald. Toen schudde zij met haar hoofd,

zoodat de belletjes klingelden, wat haar uitermate verrukte. Dit

voorbeeld werkte aanstekelijk. Al de vrouwen wilden nu volstrekt ook

zulk een klokkenspel aan haar neus hebben; en wij zagen ons gedwongen,

aan ieder een paar belletjes te geven, die zij onmiddellijk door haar

neusgaten staken. Zij gingen nu allen te gelijk aan het schudden met

haar hoofd; doch moesten die oefening weldra staken, daar zij anders

gevaar liepen een stijven nek te krijgen.

Toen het een oogenblik stil was geworden, maakten wij daarvan gebruik

om afscheid te nemen van onze nieuwe kennissen. Juist toen wij op

het punt stonden heen te gaan, werden wij plotseling omsingeld door

de gansche bende, die, met groot geschreeuw en heftige gebaren, zich

tegen ons vertrek scheen te willen verzetten. Blijkbaar hadden zij

evenwel niets vijandigs in den zin. Wij begrepen spoedig dat zij met al

dat geraas en getier, al die beweging en die onverstaanbare uitroepen

geene andere bedoeling hadden, dan om op hunne wijze te protesteeren

tegen ons vertrek. Onder al dit rumoer werd mijn nieuwsgierigheid

geprikkeld door het woord _huatinmio_, dat telkens in hunne uitroepen

terugkeerde, en meestal vergezeld ging van eene beweging met de hand

naar een onbekend punt in het woud. Ik verzocht Pepe Garcia hun te

vragen wat dit beteekende. Deels door gebaren en deels door middel

van die brabbeltaal, waarvan hij zich tot dusver in zijn omgang met

de Siriniris bediend had, kwam hij van hen te weten dat het woord

_huatinmio_ de naam van hun dorp was, op korten afstand gelegen, in de

door hen aangewezen richting. Op dit oogenblik, zoo verzekerden zij,

was er in het dorp niemand overgebleven, dan eenige grijsaards met

de vrouwen en kinderen; de mannen waren uitgetogen om in de vallei

te jagen en te visschen, zooals steeds hunne gewoonte was, wanneer

de voorraad ten einde liep. Zij noodigden ons uit, derwaarts te gaan.

Dit uitstapje had voor ons weinig aantrekkelijks: te minder daar

het ons van den weg afvoerde, dien wij ons hadden voorgenomen te

volgen. Het was louter tijdverspilling en vruchtelooze moeite; nog

daargelaten, dat wij ons misschien aan gevaren blootstelden. Ik

verzocht dus Pepe Garcia, dat hij de Siriniris voor hunne

vriendelijke uitnoodiging zou bedanken, en ons leedwezen betuigen

dat wij daaraan geen gevolg konden geven, omdat wij geen tijd te

verliezen hadden. Tusschen beschaafde lieden zou het daarmede uit

geweest zijn; maar deze wilden lieten zich door onze weigering

niet uit het veld slaan. Zij hielden zoo lang aan met vleien en

smeeken en dringen en liefkozen, dat ik den moed niet had te blijven

weigeren. Bovendien drongen de kolonel en de majordomo er op aan, dat

wij aan het verzoek der Siriniris gevolg zouden geven. De kolonel wilde

gaarne zulk een indiaansch dorp zien, en de majordomo nam zich voor,

onderweg nauwkeurig de wouden te onderzoeken, of zij ook kinaboomen

bevatten. Zij voegden daarbij dat Huatinmio op korten afstand lag,

en dat, daar de gansche mannelijke bevolking in het veld was, ons

kort verblijf van een paar uren wel geen ernstig gevaar kon opleveren,

hetzij voor onze personen, hetzij voor onze goederen. Ik gaf dan toe:

en Pepe Garcia deelde aan de Siriniris mede, dat wij hen naar hun dorp

zouden volgen, en zelfs daar onzen maaltijd wilden gebruiken. Zij

sprongen en dansten van vreugde, en toonden zich dadelijk bereid,

den tocht te aanvaarden. Twee hunner gingen voorop, als om den weg te

banen; de anderen mengden zich onder ons volk, en babbelden rusteloos

door. De vrouwen vormden de achterhoede: zij droegen hare kinderen,

die nog niet loopen konden, en pasten op de anderen, die nu en dan

onder weg bleven stilstaan.

Onze gidsen stapten zoo stevig aan, dat wij na verloop van een

kwartier bijna geheel buiten adem waren, en eenige oogenblikken stil

moesten houden om wat uit te rusten. Pepe Garcia verzocht hun, uit

onzen naam, wat langzamer te loopen, daar wij hen anders niet volgen

konden: een verzoek, dat hen grootelijks verwonderde en hun lachlust

opwekte. Maar toch volgden zij dien wenk op, en richtten het zoo in,

dat wij hen althans zonder te veel inspanning konden bijhouden.

Al aanstonds had het onze aandacht getrokken, dat de Chunchos er zich

in het minst niet om bekommerden, of zij een gebaand pad volgden,

dan wel dwars door het dichte hout gingen. Dit scheen hun volmaakt

onverschillig: en waar wij gevreesd zouden hebben onze kleederen

te scheuren, schenen zij in het minst niet aan hunne naakte huid te

denken. Trouwens, de behendigheid, waarmede zij zich door alle gaten

en bochten wisten heen te werken, grensde aan het wonderbare. Een

slang kon het niet beter en knapper doen. Hoe dicht ook het woud met

doornen, lianen of slingerplanten bewassen of omwoeld was, nooit

verbraken zij die hinderpalen of namen, zooals wij, hun toevlucht

tot bijl of mes. Zij schoven eenvoudig de takken of lianen ter zijde,

of lichtten die op, als ware het een gordijn of draperie; en dat met

zooveel behendigheid en zooveel natuurlijke bevalligheid van beweging,

dat wij er ons telkens op nieuw over verwonderden. Maar al dit fraais

had ook eene minder aangename keerzijde. Wij liepen namelijk telkens

gevaar, de lianen of doornen in het gezicht te krijgen, die de wilden

met de grootste vlugheid hadden ter zijde gebogen, en die zij daarna

weder loslieten, zonder er een oogenblik aan te denken, dat wij hen op

den voet volgden. Evenwel, wij getroostten ons deze onaangenaamheid,

ziende hoe groot genoegen wij hen deden, door met hen mede te gaan.

Reeds was er een uur verloopen, sedert wij ons op weg hadden begeven,

en begon ons de wandeling tamelijk lang te vallen, toen wij aan eene

meer open plek in het woud kwamen, waar de zonnestralen lichte kringen

op den grond teekenden. Aan de overzijde bespeurden wij een smal

pad, tusschen twee hoogten ingesloten, dat met zachte helling naar

boven liep, en overal de sporen droeg van veelvuldige menschelijke

voetstappen. De Siriniris sloegen dat pad in, en wij volgden hen. Na

verloop van tien minuten kwamen wij op eene vlakte, waar wij tusschen

het geboomte de palmbladeren-daken van eenige hutten ontdekten.

Onze gidsen hadden, bij de nadering van het dorp, een luid geschreeuw

aangeheven; hunne vrouwen kwamen nu aanloopen, maar stonden, zoodra zij

ons bemerkten, eensklaps stil, als niet wetende wat deze onverwachte

verschijning te beduiden had. Maar ziende dat haar eigen stamgenooten

als vrienden met ons omgingen, en door eenige verklaringen van hare

mannen gerustgesteld, waagden zij het, naderbij te komen. Naalden,

belletjes, koperen knoopen en dergelijke snuisterijen, die wij

inmiddels te voorschijn hadden gehaald en haar nu aanboden, verdreven

weldra de laatste sporen van vrees, zoodat wij spoedig goede maatjes

waren.

De woningen van het dorp bestonden uit zeer groote open loodsen, met

palmen gedekt en in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst;

zij waren aan de noordwestzijde gesloten, en dus beveiligd tegen

de regens en den wind, die van den kant der Cordilleras komen; aan

de zuidoostzijde waren zij geheel open, en voorts door palmhouten

beschotten in drie of vier afdeelingen of kamers gesplitst. Wij telden

zeven van zulke loodsen, die te zamen in drie-en-twintig compartimenten

waren verdeeld; aannemende, dat in elk compartiment een gezin van

zes personen huisvestte--wat zeker niet overdreven was--zou het dorp

Huatinmio eene bevolking tellen van honderd-acht-en-dertig zielen,

de vrouwen en kinderen daaronder begrepen.

Ieder vertrek bevatte--behalve het weinige vaatwerk en

keukengereedschap, waaraan de wilde behoefte heeft, zooals kruiken

en schotels van ruw aardewerk;--geen ander meubel dan een breede,

van takken gevlochten, op vier pooten rustende bank, die de Indianen

_barbacoa_ noemen, en die hun beurtelings tot tafel, buffet, rustbank

en bed dient. Tegen de wanden hingen bogen, pijlen, kleine trommels,

fluiten, kronen van papegaaien- of toucanvederen, versierselen van

boomschors met franje van gedroogd gras, die bij groote plechtigheden

werden gebruikt. Deze geheele rommel, die er tamelijk smerig en

verlept uitzag, had voor het oog niets aantrekkelijks.

Bij de nadere beschouwing van deze woningen, waar de walgelijkste

onzindelijkheid hand aan hand ging met de volkomenste armoede,--indien

althans deze volslagen onbekendheid met al wat tot veraangenaming des

levens behoort, armoede kan genoemd worden;--trof ons vooral eene

bijzonderheid. Onder al die rustbanken, die, zooals ik gezegd heb,

tot verschillende doeleinden dienen, zagen wij de overblijfselen

van vuren. Waartoe dat vuur onder eene barbacoa, die twee voet boven

den grond verheven was? Diende dit meubel ook nog als rooster, om de

spijzen op te braden of te droogen? Wij konden ons dat niet verklaren,

en besloten daaromtrent onzen gastheeren inlichtingen te vragen.

Rondom de woningen groeiden, te midden van mimosa's en anoneën,

bananen, deels nog in bloei, deels reeds met vrucht. Een weinig buiten

het dorp vonden wij een eenigszins bebouwd terrein, waar manioc,

pasteken, pompoenen en ettelijke andere vruchten werden geteeld;

alles toonde echter duidelijk aan, dat deze zoogenaamde plantage

zeer slecht werd onderhouden, en dat, zoo er nog iets van terecht

kwam, dit wel voornamelijk aan de vruchtbaarheid van den bodem en het

gezegend klimaat te danken was. Ook was de opbrengst van dezen akker

geheel onvoldoende om de bevolking van het dorp te voeden, die dan

ook, evenals alle stammen van het woud, in jacht en visscherij hare

voornaamste middelen van bestaan vindt.

Toen wij van onze wandeling terugkwamen, vonden wij een maaltijd gereed

staan, dien men bepaaldelijk te onzer eere had aangericht, bestaande

in een in der haast gekookte ragout van gerookt apenvleesch en groene

bananen. Zout ontbrak; maar dit gemis werd meer dan vergoed door een

zoo ruimen overvloed van spaanschen peper, dat reeds bij den eersten

hap de tranen ons over de oogen liepen, en wij een gevoel hadden of

onze mond en keel met een gloeiend ijzer werden verschroeid. Gelukkig

had men de voorzorg genomen, nevens dien kom met heeten ragoût een

schotel met frisch, helder water te zetten, waar wij telkens een

teug van namen. Onze vrienden de Siriniris schenen voor deze sterke

kruiderijen onaandoenlijk.

Toen onze maaltijd, dien wij op den grond zittende gebruikt hadden,

was afgeloopen, bemerkten wij, dat de zon reeds ter kimme begon te

neigen. Wij hadden ons, verleid door het vreemde dezer omgeving,

wat lang opgehouden, en waren nu onzeker wat te doen. De kolonel,

die, naar hij zeide, alles gezien had wat hier te zien viel, wilde

volstrekt vertrekken en ergens in het woud gaan bivouakeeren. Ik wilde

evenwel gaarne van deze gelegenheid gebruik maken, om iets meer te

weten te komen van de lieden, in wier midden wij ons nu bevonden;

ik deed daarom den kolonel opmerken, dat het onwellevend zou zijn,

aanstonds na den maaltijd heen te gaan; en dat wij in ieder geval nog

beter in het dorp konden overnachten, dan in het vochtige woud, waar

wij op den sterk bedauwden grond moesten rusten. Vooral deze laatste

opmerking scheen bij Perez, die nog al last van rhumatiek had, te

wegen; er werd dus besloten, dat wij te Huatinmio zouden overnachten.

Toen Pepe Garcia dit besluit aan de Chunchos mededeelde, waren zij

daarmede blijkbaar zeer in bun schik. Aanstonds noodigden zij ons uit,

zelf eene keuze te doen tusschen de verschillende woningen, die allen

te onzer beschikking werden gesteld. Natuurlijk kozen wij de grootste,

zoodat wij allen bij elkander konden blijven. Zoodra onze bagage daarin

was geplaatst, brachten de Siriniris ons hout en water, de eenige

zaken, die zij ons voor den nacht konden aanbieden. Zoodra het donker

was geworden, haalde ik eene bougie te voorschijn, die ik aanstak,

en die de uiterste verbazing der inboorlingen opwekte. Ik wenschte

het een en ander aan te teekenen aangaande de zeden en gewoonten

onzer gastheeren, waartoe ik de hulp van Pepe Garcia noodig had,

die zich reeds een barbacoa had uitgekozen om daarop met Aragon te

gaan slapen. Het was hem dan ook niet zeer naar den zin, toen ik hem

gelastte, de Chunchos te ondervragen omtrent hetgeen ik wenschte te

weten, en mij hunne antwoorden mede te deelen. Aanvankelijk ging de

ondervraging niet gemakkelijk, maar allengs begon men elkander beter

te verstaan, en werden geregelde antwoorden gegeven. Wat ik op die

wijze te weten kwam, zal ik hier kort mededeelen.

De Siriniris, waartoe onze gastheeren behoorden, waren destijds in

drie stammen verdeeld, die eene landstreek bewoonden van omstreeks

tien mijlen lengte bij drie à vier mijlen breedte, geheel met dichte

bosschen bedekt, en door verscheidene beken en kleine rivieren

besproeid. Deze drie stammen te zamen waren misschien omstreeks

driehonderd zielen sterk; sedert langen tijd leefden zij zoowel

onderling, als met de naburige stammen der Huatchipayris, Tuyneris

en Pukiris, die de noordelijk en zuidelijk aangrenzende valleien

bewoonden, in ongestoorden vrede.

De zeden en gewoonten van dezen stam kwamen tamelijk overeen met die

van al de stammen, die de hellingen van de Cordilleras, tusschen den

10den en den 12den graad zuiderbreedte bewonen, en waarmede wij reeds

vroeger kennis hadden gemaakt. De veelwijverij was bij de Siriniris

echter veeleer uitzondering dan regel: niet zoozeer omdat hunne

begrippen ten aanzien van het huwelijk zooveel strenger waren, maar

omdat de schaarschte der levensmiddelen, en de moeilijkheid om altijd

in het onderhoud te voorzien, de mannen doorgaans weerhield, meer

vrouwen te nemen, dan zij zonder al te veel inspanning konden voeden.

Overigens was hunne levenswijze geheel dezelfde als die hunner

stamgenooten: zij kenden geene andere zorg of bezigheid, dan de

vervulling hunner dagelijksche, physieke behoeften. Had de jacht of de

visscherij genoeg opgeleverd, dat er voor eenige dagen voorraad was,

dan bleven de mannen thuis, meestal in volslagen werkeloosheid op den

grond of de barbacoa liggende, terwijl de vrouwen alle bezigheden in

en buiten 's huis verrichtten. Zooals ik reeds zeide, de vrouw is hier

nog, in den letterlijken zin des woords, de slavin, het lastdier,

het eigendom van den man, en in geenen deele zijne gelijke, zijne

echtgenoote. Alle zware arbeid, dien de man niet verrichten wil, komt

ten laste van de vrouw, boven en behalve de zorg voor de kinderen en

de huishouding. De vrouwen zijn, sedert eeuwen reeds, aan die ruwe

behandeling gewoon en denken er niet aan, zich daarover te beklagen:

zij zijn daaraan zoo gewoon geworden, dat zij niet anders weten of

het behoort zoo.

Evenals bij alle indiaansche volksstammen van Zuid-Amerika, gaat

het huwelijk, of liever de vereeniging der beide geslachten, zonder

eenige ceremonie of plechtigheid. De jonkman neemt zich een meisje,

en daarmede is het uit. De kinderen blijven tot aan hun zevende jaar

onder het opzicht van de moeder; dan gaan zij onder de voogdij van den

vader over, die zich met de verdere opvoeding belast. Zijn eerste werk

is, hen, evenals jonge honden, in het water te werpen, om hun zoodoende

zwemmen te leeren; dan onderwijst hij hen in de behandeling van boog en

pijlen, en in de kunst om met een steenen mes, en met behulp van vuur,

knodsen te snijden. Daartoe en tot het nabootsen van het geluid van

eenige dieren, bepaalt zich de geheele opvoeding. Het kind vergezelt

zijn vader op diens tochten door het bosch, gaat met hem op de jacht,

en neemt, op zijne beurt groot geworden, zooveel vrouwen als hij meent

te kunnen onderhouden. En zoo gaat het leven dezer menschen, geslacht

aan geslacht voort, terwijl hun aantal voortdurend vermindert, en

met onvermijdelijke zekerheid de dag nadert, waarop zij geheel van

de aarde zullen verdwenen zijn.

Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 3 / 9 题