Nadat eerst de kolonel en Pepe Garcia, en kort daarop ook de
boliviaansche cascarilleros waren teruggekeerd, verlieten wij
onzen heuvel, en voegden ons weder bij de andere afdeeling van ons
reisgezelschap, die haar weg langs de rivier had vervolgd. Wij trokken
nu dien dag en den volgenden langs de oevers van den Cconi voort,
steeds het woud op eenigen afstand ter rechterzijde houdende, en verder
omgeven door een landschap, dat weinig afwisseling aanbood. Tegen
den avond van den tweeden dag bereikten wij eene opene vlakte,
tamelijk vrij van kreupelhout on aan de zijde der rivier door dichte
rietbosschen omzoomd. Wij besloten hier den nacht door te brengen. Tot
onze verbazing ontdekten wij, naderbij komende, eenige hutten van
Indianen. Die armelijke woningen, zonder dak, deur of venster,
waren uit biezen en riet gevlochten, en rustten op twee palmhouten
staken, die in den grond waren bevestigd: men kon zich bezwaarlijk
eenvoudiger verblijven denken. Tusschen deze staken waren eenige
draden of touwen van boomschors gespannen, waaraan pijlen hingen;
op den grond lag eene ruw bewerkte aarden pan, een stuk zwarte was,
bananenschillen en vederen van vogels. In den omtrek dezer hutten,
die zoo pas door de eigenaars verlaten schenen, droeg de platgetreden
grond de zeer duidelijke sporen van menschen niet alleen, maar ook
van jaguars en andere dieren.
Na een nauwkeurig onderzoek der hutten, overlegden wij te zamen of het
raadzaam was hier den nacht door te brengen, dan wel eene andere, meer
veilige plaats voor ons bivouac op te zoeken. Pepe Garcia en Aragon
waren van meening, dat wij gerust konden blijven; zij verzekerden ons
dat wij ons aan geen gevaar hoegenaamd blootstelden, mits wij slechts
de woningen en wat daarin was ontzagen. Hun voorstel werd aangenomen,
en wij lieten dadelijk met de toebereidselen voor ons nachtverblijf
aanvangen. Wij sloegen onze hutten op eenige schreden afstands van
die der Siriniris op, en namen de vereischte maatregelen, om het
vuur ook gedurende den nacht brandende te houden. Bovendien moest
een onzer lieden, bij beurten, de wacht betrekken.
De nacht ging ongestoord voorbij; bij het aanbreken van den dag
werden wij plotseling gewekt door luide en doordringende kreten,
zooals ik nog nimmer gehoord had. Dit geschreeuw kwam van den
kant der rivier, waarvan wij door een breeden zoom van riet waren
gescheiden. _Alerta! los Chunchos_! riep de schildwacht, zich
haastig naar de hutten terugtrekkende. Die weinige woorden deden
eene bijna tooverachtige uitwerking: al onze dragers sprongen in een
oogenblik overeind. De tolken, die steeds beweerden aan den omgang
met Indianen gewoon te zijn, waren toch blijkbaar niet op hun gemak;
en zelfs op het gelaat van den kolonel teekende zich een trek, die
maar noode zijne innerlijke onrust verborg. Wij hadden nauwelijks
den tijd, onze kleederen aan te doen en onze wapenen te grijpen,
toen wij plotseling uit de hooge biezen drie donkerkleurige, naakte
mannen met lang zwarte haren te voorschijn zagen komen. Toen zij
ons gewaar worden begonnen zij nog luider te schreeuwen, maakten
allerlei bewegingen met hunne armen en beenen, en kwamen al dansende
en springende naar ons toe. Waarschijnlijk maakten zij uit de geweren,
die de kolonel, de beide tolken en ik in handen hadden, op, dat wij de
aanvoerders der bende waren: althans zij kwamen plotseling op ons af,
en drukten ons, met groote onstuimigheid en onder het uitstooten van
allerlei wonderlijke geluiden, in hunne armen. Ik moet bekennen dat
deze onverwachte en wat al te hartelijke liefkozingen ons tamelijk
koel lieten, en ons zelfs verre van aangenaam waren. Trouwens
het geheele voorkomen dezer bezoekers was niet geschikt om onze
bijzondere sympathie voor hen op te wekken. Van het hoofd tot de
voeten met rocou en genipa besmeerd, hadden zij zoo pas de rivier
overgezwommen: hunne omhelzingen lieten op onze kleederen zwarte en
roode vlekken na. Terwijl wij ons weder zoogoed mogelijk afdroogden,
begroetten de Indianen nu ook de dragers en de cascarilleros, doch
alleen met een handdruk: de omhelzing scheen uitsluitend voor ons,
als de voornaamsten, bestemd.
Na de eerste kennismaking kwam het tot nadere verklaring. Pepe Garcia
begon het gesprek in eene vreemde taal, waarin hij, tot mijne groote
verbazing, spaansch en quechua (de volkstaal van Peru) mengde. Aragon,
die niet werkeloos wilde blijven, sprak nu en dan eenige volzinnen in
datzelfde wonderlijke mengelmoes, dat ook de eerste tolk gebruikte. Uit
dit verschil van taal bij de onderscheidene sprekers leidde ik af,
dat onze tolken in geenen deele vertrouwd waren met het dialect der
Chunchos, zooals zij herhaaldelijk hadden verzekerd. Onze bezoekers
schenen echter de brabbeltaal van onze tolken te verstaan, althans
te begrijpen wat zij zeggen wilden.
De drie wilden behoorden tot den stam der Siriniris, die de streek
tusschen de valleien van Ocongate en Ollachea bewoont, en wier
gebied zich oostwaarts tot den 12° uitstrekt. Zij leefden in vrede
en vriendschap met hunne buren ter linkerzijde, de Huatchipayris
in de dalen van Paucartampu, en met hunne buren ter rechterzijde,
de Pukiris, die de zeven valleien van Caravaya bewonen. Aan het
schieten met onze geweren hadden zij bemerkt dat zich blanken in de
vallei bevonden. Nieuwsgierig om te weten, hoe groot hun aantal mocht
zijn, waren zij naderbij gekomen, en hadden ons bespied en ons sedert
eenige dagen gevolgd, zonder dat wij daarvan iets gemerkt hadden. Hunne
begeerte om _sirutas_ en _bambas_--messen en bijlen--machtig te worden
was zeer groot; maar de vrees voor onze geweren, die, naar zij meenden,
van zelf iemand konden dooden, was nog grooter, en had hen tot dusver
op een afstand gehouden. Eindelijk echter waren zij zoozeer aan ons
gewoon geraakt, dat hunne ongerustheid was geweken; overtuigd, dat
wij geene vijandelijke bedoelingen koesterden, hadden zij eindelijk
het besluit genomen ons aan te spreken. Zij voegden daarbij dat zij
sedert veertien dagen zich in de vallei met jagen en visschen bezig
hielden. Het dorp waar hun stam woonde, lag twee mijlen oostwaarts van
ons kamp: al de lieden van hun stam waren evenwel op dit oogenblik
verspreid in de bosschen langs de oevers van den Cconi. Daar zij
niet wisten hoe wij hen ontvangen zouden, waren onze drie bezoekers
voorloopig alleen gekomen, hunne vrouwen en eenigen van hunne vrienden,
niet verre van daar, in het riet verscholen achterlatende.
Om deze lieden gunstig voor ons te stemmen en het vertrouwen van
hun stam te winnen, gaf ik hun engelsche messen met beenen heften,
ter waarde van acht stuivers, die zij met allerlei bokkesprongen,
ten teeken hunner vreugde, aannamen. Daarop stak een hunner zijn
vingers in den mond, en liet een doordringend schel gefluit hooren:
dit was blijkbaar een afgesproken teeken, want aanstonds begonnen de
biezen op eenigen afstand te schudden en te ruischen, alsof een troep
wilde dieren zich daar een weg baande; en weldra kwamen negen mannen
te voorschijn, die, na een poos rondgesprongen te hebben, ook naar
ons toekwamen en ons evenzoo in hunne armen drukten. Achter de mannen
zag ik zeven vrouwen en drie leelijke honden: maar in plaats van ook
naar ons toe te komen, bleven zij aan den rand van het rietbosch.
De nieuw aangekomenen, die geen messen gekregen hadden, hielden nu
ook hunne hand op, telkens het woord _siruta_ herhalende. Om aan al
dat gebedel een eind te maken, stond ik op het punt aan ieder het
zoo vurig begeerde voorwerp te geven, toen Pepe Garcia mij herinnerde
dat wij nog een langen weg hadden af te leggen, waarop wij nog vele
Chunchos zouden ontmoeten, en dat het daarom raadzaam was, wat zuinig
om te gaan met onze messen, de eenige munt, die bij deze wilde stammen
bekend en gangbaar is. Ik moest de juistheid dezer opmerking toegeven,
en trok mijne hand terug, die ik reeds in het pak gestoken had. De
Chunchos, mijne aarzeling ziende, begonnen nu nog luider te roepen
en nog dringender te smeeken. Ziende dat ik voor al hun aandrang
doof bleef, liepen twee hunner haastig naar de biezen terug, en
keerden weder met bogen en pijlen, prachtig gekleurde vogelvellen,
halskettingen van pitten en zaadkorrels, kronen van veelkleurige
vederen, en zelfs gevlochten weitassen, die zij mij aanboden in ruil
voor de messen. Mijne begeerte naar deze zeldzame en deels zeer fraaie
zaken behield de overhand op den wijzen raad van Pepe Garcia, en de
koop was in een oogenblik gesloten. Bij wijze van geschenk voor de
vrouwen, gaf ik hun nog een dozijn belletjes, een spiegel van vijf
stuivers en eenige koperen ringen, waarmede zij buitengemeen in
hun schik waren. Om mij wederkeerig een genoegen te doen, kwamen de
vrouwen aandragen met eenige maniocwortelen, eenige groene bananen,
en eenige andere vruchten, die zij aan de mannen ter hand stelden,
van wie wij ze weder ontvingen.
Inmiddels waren een paar uren verloopen; de zon stond hoog aan de
hemel: onze Bolivianen wenschten te vertrekken. Ik liet dus onze
bagage weder inpakken, en middelerwijl het ontbijt gereed maken,
waarbij ons de pas ontvangen vruchten goed te stade kwamen. Terwijl
de bananen in den ketel over het vuur hingen, en de yuccas in de heete
asch werden gebraden, teekende ik de portretten van eenige Siriniris,
en toonde hun die. Zij lieten evenwel niet de minste verwondering of
belangstelling blijken. Het papier alleen, waarvan ik hun een blad gaf,
scheen hunne aandacht te trekken; zij bekeken en betastten dat van alle
zijden, beroken het, en gaven het daarna aan hunne vrouwen, die het
evenzoo onderzochten, en eindelijk in een soort van tasch wegstopten.
Weldra was de maaltijd gereed; de ketel werd van het vuur genomen,
en wij schaarden ons in een kring daaromheen op den grond. De wilden
zetten zich zonder komplimenten bij ons neder, en overlaadden ons,
terwijl wij aten, met zooveel attenties en beleefdheden, dat wij
groote moeite hadden om bedaard te blijven. Sommigen haalden, op
gevaar af van zich te branden, de stukken banaan uit den ketel,
en brachten die aan onzen mond; anderen streken ons met hunne ruwe,
onzindelijke handen over het gelaat, betastten onze haren of onzen
baard, of trokken de panden onzer vesten naar zich toe om de stof en
het maaksel te onderzoeken. Dit alles ging gepaard met onverstaanbare
uitroepen en luid gelach: het scheen wel dat zij ons in de eerste en
voornaamste plaats hoogst bespottelijk vonden.
Toen de maaltijd was afgeloopen, bracht Pepe Garcia hun aan het
verstand, dat wij nu onzen tocht wilden vervolgen, en dus afscheid
zouden nemen. Deze mededeeling scheen hun niet naar den zin: althans
zij opperden daartegen allerlei bedenkingen. Zij stelden ons zelfs
voor, met hen mede naar hun dorp te gaan en daar te blijven. Ziende
dat wij, zonder hun te antwoorden, vertrokken, gelastten zij hunne
vrouwen op hen te wachten, en gingen met ons mede. Hoe onaangenaam
ons dit gezelschap ook wezen mocht, wij zagen geen kans ons daarvan
te ontslaan, en vervolgden onzen tocht. Na een marsch van twee uren,
kwamen wij aan een grooten ronden waterplas, dien wij eerst voor een
dier meren aanzagen die in de vlakten van Amerika zoo menigvuldig
zijn. Bij nader onderzoek bleek dit meer slechts een stilstaande poel
te zijn, waarschijnlijk gevormd door de menigvuldige regens van de
laatste dagen.
Terwijl Perez en ik ons gereed maakten om onze schoenen en pantalons
uit te trekken, ten einde den waterplas te doorwaden, boden de
Siriniris aan, ons naar den overkant te dragen. Wij maakten van
dit aanbod gebruik; zetten ons op den nek onzer nieuwe vrienden,
en kwamen aldus veilig aan den anderen oever. Pepe Garcia en Aragon
genoten mede het voorrecht, aldus gedragen te worden. De anderen
en ook de cascarilleros werden zeker door de Siriniris zoodanige
eere niet waardig gekeurd: zij moesten door het water waden, dat
hun ter halver lijve kwam. Ik betaalde het verschuldigde veergeld,
door middel van eenige koperen knoopen, die de wilden dadelijk in de
gaten, waarmede hunne neusvleugels en hunne lippen doorboord waren,
staken. Pepe Garcia, ziende dat zij zich gereed maakten ons nog
verder te volgen, vermaande hen nogmaals om heen te gaan, daar wij
alleen wenschten te zijn. Na eenig aarzelen gaven zij eindelijk aan
die vermaning gehoor, en verwijderden zich.
Natuurlijk liep het algemeene gesprek in het eerst over niets
anders dan over de Chunchos. Ieder had iets over hen te zeggen:
persoonlijke sympathieën of antipathieën bepaalden in den regel elks
meening. Pepe Garcia beschouwde hen als een soort van overgangswezens
tusschen de apen en de menschen. Onze dragers vergeleken hen bij de
duivelen, vanwege hunne leelijkheid; wat hun nog het meest hinderde
was het volkomen gemis van het flauwste spoor van kleeding. Perez
moest toegeven dat onder de mannen krachtige en schoone gestalten
voorkwamen, niet onwaardig om een beeldhouwer tot model te dienen;
maar de vrouwen vond hij afschuwelijk. Nu, op mijne tochten door
Zuid-Amerika, had mij reeds meermalen het contrast getroffen tusschen
de zwakke, magere, afschuwelijk leelijke indiaansche vrouwen, en hare
forsche, welgebouwde en dikwijls althans betrekkelijk schoone mannen,
wier geheele voorkomen voor 't minst kracht en vlugheid verraadt. Meer
dan waarschijnlijk moet de oorzaak van dit verschil worden gezocht
in de verschillende levenswijze der beide geslachten. Van hare eerste
kindsheid af is de vrouw belast met al den arbeid, dien de man schuwt:
zij is, in den letterlijken zin, zijne slavin, zijn lastdier. Planten,
spitten, de vruchten inzamelen en naar de woning brengen, hout en
water halen, het huishouden waarnemen, den man tot wapendrager dienen,
en nog veelmeer--dit alles is de taak der vrouw. De man gaat jagen
of visschen; hij ontwikkelt door lichaamsoefeningen zijne gestalte
en zijne spierkracht; de vrouw, gebukt gaande onder het wicht van
haar taak, verliest al zeer spoedig de weinige bekoorlijkheden, die
de natuur haar geschonken had. Op verandering in dezen toestand is
niet te hopen: bovendien, zijn deze stammen niet door den loop der
dingen gedoemd, om bij den voortgang der beschaving van de aarde
te verdwijnen?
Toen wij tegen den avond ons kamp opsloegen, zagen wij tot onze groote
verwondering een wilde uit het woud en op ons afkomen. Weldra herkenden
wij in hem een der Siriniris, die wij reeds mijlen ver waanden. Op
de vragen van Pepe Garcia gaf hij ten antwoord dat hij, nadat hij ons
verlaten had, een anta (tapir) had nagezet, die hij met drie lanssteken
had getroffen, maar die hem toch nog ontkomen was. Onze tolk liet
zich door dien leugen niet beetnemen. Hij zeide tot den Siriniri,
dat een tapir zich niet zoo dicht liet naderen, dat men hem met eene
lans treffen kon; vervolgens keerde hij hem den rug toe, en verweet
hem dat hij een verspieder was. De Chuncho, die ons inderdaad alleen
gevolgd was om te zien waarheen wij gingen, en waar wij ons kamp zouden
opslaan, begreep dat zijn vertelseltje geen ingang vond. Zonder een
woord te spreken, maar ook zonder de minste verlegenheid te toonen,
groette hij ons met de hand, keerde naar de rivier terug en zwom naar
den overkant. Daar gekomen, keerde hij zich nog eens om, wenkte ons
op nieuw zijn afscheid toe, en verdween in het bosch.
Des nachts werden wij door een geweldige regenbui overvallen, die ons
doornat maakte. Toen wij des morgens, nog druipende van het water,
wakker werden, en naar den anderen oever zagen, was het eerste wat
ons in het oog viel, wederom onze wilde van den vorigen dag, op een
boomstam gezeten, en bezig met ons gade te slaan. Drie vrouwen zaten
bij hem op den grond. Toen Pepe Garcia hem, gekscherend, met zijne
vuist dreigde, hield de Chuncho dit voor een wenk om over te komen:
aanstonds sprong hij in het water, en zwom naar onzen kant. Toen hij
uit het water kwam, beefde de arme drommel als een blad; maar hoewel
zijne tanden klapperden van koude, werd hij toch nog meer door het
pak, waarin onze messen en bijlen waren geborgen, aangetrokken,
dan door het vuur, dat onze lieden bezig waren aan te steken. Na
ons ontbijt te hebben gebruikt, waaraan de Chuncho deel nam, maakten
wij ons gereed onzen tocht te vervolgen. Wij deelden hem dat mede,
tevens met onzen wensch, dat hij zich zou verwijderen. Hij begreep
dat het ons ditmaal ernst was, wenkte ons zijn afscheid toe, wierp
een begeerigen blik op onze messen, sprong in de rivier, en zwom naar
den overkant, waar de drie vrouwen hem nog altijd wachtten.