VII

Benedicite persequentibus vos: benidicite et nolite maledicere.

_Rom._ _Cap._ XII, v. 14.

De zon had zich nauwelijks uit de dampige morgenwolken luisterrijk

verheven. Het kraken der deuren en vensters, die in de buurt geopend

werden, stoorde alleen de stilte, die nog in de halfverlichte

Keizerstraat heerschte.

Theresia was ontwaakt en stond reeds bij de bedstede der nog slapende

Geertruid.

“Ongelukkig meisje!” sprak zij haar zachtjes toe, “rust, rust: de

ontwaking eener rampzalige is bitter.”

Zij kuste haar met moederlijke teederheid.

De kleuren waren op ’s meisjes wangen teruggekomen, en alles scheen aan

te duiden, dat haar bezoek bij de tooveresse geene kwade gevolgen zou

hebben.

Op eens deden de stappen van een paard zich weergalmend hooren.

“Daar is hij!” riep Theresia.

IJlings liep zij naar beneden en opende de poort voor den verwachten

Lodewijk.

“Hoe gaat het met Geertruid?” vroeg hij.

“Oh, stillekens,” was het antwoord.

“Kan ik Godmaert spreken?”

“Godmaert? ... Godmaert zit op ’t Steen.”

“Hoe? op ’t Steen?” vroeg hij verbleekend.

“Ja, ja, Lodewijk, op het Steen, in de gevangenis.”

“Hemel! en Geertruid?”

“Slaapt.”

“Waarom is Godmaert gevangen?”

“Kent gij Valdès, Lodewijk?”

“Oh, Valdès! ik dacht het.”

Hij vatte onwillig zijnen dolk, doch liet hem weder op zijne borst

nedervallen.

“Theresia,” sprak hij, “zeg mij toch met haast wat er gebeurd is.”

Nu gaf zij hem met bondige woorden kennis van alwat er den dag te voren

was geschied.

“En de tooverheks heeft gezegd,” voegde zij er aan het einde bij, “dat

uwe stem alleen haar uit den slaap kan roepen.”

Lodewijk weende bij dit verhaal niet. “Valdès!” morde hij gedurig, en dan

bezag hij met eenen bitteren grimlach den dolk, die hem aan den hals hing.

“Kom,” zeide Theresia, “mits gij mijne meesteresse zien moet.”

En zij bracht hem in Geertruids kamer. Op eenen anderen tijd zou hij

zeker niet in deze gegaan zijn, doch nu dacht hij zelfs niet aan den

eerbied, dien hij het meisje schuldig was.

“Spreek, Lodewijk,” zei Theresia, “spreek, dat zij wakker worde!”

“O, mijn Geertruid!” zuchtte hij.

Zijne geliefde ontwaakte op zijne stem.

“Lodewijk!” riep zij, “zijt gij daar? Gij blijft lang weg, ja, het is

lang, zeer lang geleden, dat ik u gezien heb.”

De jongeling stond verbaasd over Geertruids gerustheid en verschrikte,

daar hij aan Wolfanghs verhaal dacht. Helena was door lijden zinneloos

geworden! Hij trilde van angst in al zijne ledematen.

“Uw vader! Geertruid, uw vader!” riep hij.

“Mijn vader!” sprak het meisje met eene zeldzame uitdrukking, en hare

handen voor het aangezicht drijvende, “och ja, Lodewijk, mijn ongelukkige

vader!”

Zij borst in bittere tranen los.

“Ga!” riep zij, “wacht mij in de boekzaal.”

Lodewijk, ziende dat zijne vrees ongegrond was, week de kamer uit en ging

zich in de boekzaal denkend nederzetten. Na eenige oogenblikken kwam de

jonkvrouw bij hem.

“Wel, Lodewijk,” vroeg het meisje weenende, “weet gij wat mijnen grijzen

vader gebeurd is?”

“Ja, Geertruid, ik ken het droeve nieuws. O, ween niet meer; ik zal mij

zelven geene rust verleenen, voordat ik Godmaerts verlossing bewerkt

hebbe. Ik loop met haast naar pater Franciscus.”

“Tot overmaat van ongeluk is onze goede vader naar St.-Bernards-abdij

vertrokken. Die eenige toevlucht is ons insgelijks ontnomen. Wij zijn

rampzalig, Lodewijk. Mijn arme vader ligt in een duister kot, zonder

troost en zonder hoop, en ik, die hij roept, ik mag hem niet zien!”

“Pater Franciscus naar St. Bernards!” zuchtte Lodewijk in vertwijfeling.

“O, wat dan begonnen? Hij alleen kan ons helpen.... Hebben onze vrienden,

hebt gij zelve, Geertruid, nog geene pogingen gedaan?”

De jonkvrouw bezag Lodewijk met wanhopig gelaat.

“Ja,” zuchtte zij, “wij hebben alles te werk gesteld, — alles zonder

vrucht, — en ik, ongelukkige! ik wachtte uwe komst met vertrouwen af. Ik

dorst denken, dat gij, Lodewijk, mij bij mijnen vader brengen zoudt. Die

hoop is dan ook ijdel. Ik moet hem in de gevangenis laten. Misschien, o

God, misschien is hij reeds dood.”

Hare stem verging in eenen langen gil, en zij viel afgemat op eenen stoel.

Lodewijk aanschouwde de zwakke maagd met dwalenden blik, weldra kruiste

hij de armen op de borst te zamen en liet zijne oogen ten gronde gaan,

als iemand, die in diepe overweging zinkt. Het woord: “dood! dood!” rolde

met eene ijselijke dorheid van zijne lippen.

“Gepijnigd, gemarteld.... gansch bebloed en stervend....” zuchtte

Geertruid.

De lijdende jonkheer wrong de armen tegen zijn lichaam en knarste de

tanden in uiterste razernij.

In eens borst zijne spraak los, en hij riep met snijdende stem:

“Gij zult uwen vader zien, Geertruid; ik zweer het u bij mijne eer, ik

zweer het u! Gij zult hem zien vóór den avond, of nooit, nooit verschijn

ik weder in uwe tegenwoordigheid....”

De jonkvrouw sprong bleek en bevend voor Lodewijk; zij zag hem met angst

aan en vouwde hare handen smeekend te zamen.

“Lodewijk,” riep zij, “wat schrikkelijken eed doet gij daar? Kunt gij

mijne smart niet genoeg verschoonen, niet genoeg begrijpen? Ik heb

dien eed niet van u gevergd. Nu moet ik onfeilbaar mijnen vader of u

verliezen.... Alles is tegen mij, tot mijnen minnaar toe. O hemel, ben ik

nu genoeg rampzalig!”

De jonkheer luisterde weinig naar die woorden, zijne oogen stonden stijf

en beweegloos in zijn hoofd, en, alsof hij tot zich zelven sprak, riep

hij:

“Welaan, het moet zijn.... Het bloed des verraders verve mijne handen!

Hij sterve een wreeden dood, hij, die ons het lot zoo bitter maakt!”

En zijnen degen onder zijn oog brengende, voegde hij er bij:

“Ik had u aan mijn land gewijd, o degen mijns vaders. Het bloed van eenen

valschaard zal u smetten!”

Terwijl Lodewijk in verdwaaldheid deze woorden sprak, lag Geertruid half

machteloos op eenen stoel, haar hoofd hing slap, bleek en betrokken

over den rug van den zetel, en, ware het niet geweest, dat hare tranen

onophoudend over hare wangen rolden, zoo zou men haar voor een lijk

hebben kunnen aanzien. De dwalende blikken van Lodewijk vielen eindelijk

op de machtelooze maagd. Hij naderde haar met haastige stappen, vatte

eene harer handen in de zijne en bleef starend op haar nederzien zonder

een woord te spreken. Zijne ademing was lastig en pijnlijk, men kon zijne

borst onstuimig op en neer zien gaan en een schraal gesnork in zijne keel

hooren. O, hij leed verschrikkelijke smarten! Als een kaatsbal geplaatst

tusschen den godsdienst, de min, de vaderlandsliefde en de wraakzucht,

kon hij tot niets besluiten, zijn hart werd verpletterd tusschen al die

schillende gevoelens. Eindelijk rukte hij driftig aan de hand zijner

beminde en riep:

“Geertruid! Geertruid!”

Zij wierp op hem eenen droeven, eenen grievenden blik en zuchtte:

“Laat mij sterven! Lodewijk, laat mij sterven!.... Mijn vader gepijnigd,

gij een moordenaar, — o, God, sterven moet ik....”

Op dit oogenblik hield er een rijtuig voor de deur stil. De twee gelieven

bezagen elkander met eene zonderlinge uitdrukking. Komt Godmaert

terug?.... Die vraag straalt uit hunne oogen, Geertruid staat op, zij

rekt haren hals vooruit, hare tranen verdrogen op hare wangen.

De deur der zaal gaat open, een persoon treedt langzaam binnen....

en uit de borstvan Geertruid, uit de borst van Lodewijk ontvliegen

blijde kreten: het vertrek wordt een oogenblik vervuld met juichend

vreugdegeroep.

Wat hartroerend tafereel! Een priester met zilveren haarkrans staat recht

in het midden der zaal, twee ongelukkigen hebben elk eenen arm om zijnen

hals geslagen gelijk schipbreukelingen, die een reddend hout omgrijpen,

hunne hoofden hangen van wederzijde op zijne borst, tranen van blijdschap

rollen onzichtbaar over zijne kleederen, geen woord laat zich hooren....

De priester slaat zijne blinkende oogen ten hemel, hij legt ééne hand op

het hoofd van Lodewijk, de andere op het hoofd van Geertruid, hij bidt,

hij smeekt bij God om bescherming. Wat is hij schoon in die aanroeping,

de zeventigjarige priester!

Weldra greep pater Franciscus van elk der jongelieden eene hand en

verwijderde hen zachtjes. Hij bezag hen beurtelings met een teeder

medelijden, en sprak:

“Mijne beminde, mijne ongelukkige kinderen, ik weet wat ramp u getroffen

heeft....”

“O vader!” riep Geertruid, “wij hebben uwe afwezigheid zoo bitter

betreurd; maar nu, nu gij met ons zijt, keert de hoop in onze harten

weder. God zelf heeft u gezonden op dit ijselijk oogenblik!”

“Ik heb de aanhouding van uwen vader te St. Bernards vernomen. Kon pater

Franciscus u in zulk eenen druk alleen laten? Neen. Ik heb het rijtuig

van mijnheer den abt verkregen en ben, in ééne vaart, tot voor de woning

van den hoofdrechter gesneld.”

“Ha!” zuchtte Geertruid.

“Geduld moeten wij nog wat hebben, mijne kinderen. De hoofdrechter is

naar Brussel en komt eerst tegen den avond terug. Troost u in afwachting;

ik zal intusschentijd Godmaert bezoeken.”

Geertruid vouwde de handen smeekend te zamen en riep:

“O, goede vader, laat mij met u gaan!”

“Het kan niet zijn, mijn kind; gij weet het misschien, er is bevel

gegeven, dat niemand Godmaert spreken mag. Ik alleen ben niet in dit

verbod begrepen, omdat ik zijn biechtvader ben. Doe mij een weinig eten

geven; want ik gevoel mij te zeer van de reize verzwakt, daar ik nog

nuchter ben. Binnen een uur zal ik uwen vader gaan vinden, en ik zal bij

hem blijven tot den avond.”

Geertruid zag den priester met verwondering aan; zij stond beweegloos

voor hem, terwijl hare oogen vol tranen schoten.

“Wat zijt gij goed!” riep zij. “Mijn vader zal zich door u laten

troosten. De woorden van onzen engelbewaarder zullen hem een zoete balsem

zijn.”

Op den roep van Geertruid kwam Theresia in de zaal, en zij ontving van

hare meesteresse het bevel om een goed ontbijt voor den priester te

bereiden. Gedurende dien tijd naderde Lodewijk bij pater Franciscus, en

sprak tot hem met biddend gelaat:

“Goede vader, ik heb mij aan eene groote zonde schuldig gemaakt!”

“Gij verschrikt mij, mijn zoon!”

“Het is verschrikkelijk, goede vader.... ik heb mijne handen in het bloed

van mijnen evennaaste willen doopen. Ik heb eenen moord willen plegen....

bij verrassing!”

Ondertusschen was Geertruid weder bij hen genaderd en viel in Lodewijks

rede.

“Ja,” sprak zij, “ziet gij, goede vader, Lodewijk heeft Valdès willen

vermoorden, Valdès, die mijnen vader in de gevangenis heeft doen werpen.

Die Spanjaard is een boos mensch.”

“Ik was verdwaald door het gezicht van Geertruids lijden,” voegde

Lodewijk er bij.

“Mijn zoon,” sprak de priester met een streng gelaat, “uw hart is vol

wereldsche driften. Geef acht op u; want het is door deze gevoelens,

dat de booze geest u poogt te vangen. Ik heb het u meermalen gezegd,

gij zijt oploopend en onvoorzichtig. — Dooden! Maar verstaat gij wel,

mijn zoon, wat het is? Om eene persoonlijke wraak te voldoen, vernietigt

gij een schepsel Gods, uwen evennaaste, dien de Zaligmaker u door de

verhevenste aller wetten gebiedt te beminnen als u zelven! Gij stort het

bloed van eenen zondaar, gij levert hem in de handen des duivels, zonder

biecht, en gij stort hem in de hel, hem, die misschien de vriend van

God en de uwe nog worden kon, voor alle zonden is vergiffenis bij den

Heer....”

Hij hield op met spreken; want Lodewijk, door zijn woord getroffen, stond

bedrukt voor hem, en Geertruid smeekte met droeve blikken om verschooning.

De priester vatte Lodewijks hand, en, aan zijne wezenstrekken eene

zoetere uitdrukking gevende, hernam hij:

“Geloof en berouw zullen u redden, Lodewijk. Hoop het en bedank nu den

Heer, dat uwe zonde niet verder dan eene misdadige gedachte gegaan zij.

Ik bemin u nog als te voren; gij zijt altijd mijn dierbare zoon, want

uwe ziel, alhoewel driftig en ongestuimig, is nog niet door ondeugd

besmet....”

Theresia kwam op dit oogenblik aankondigen, dat het ontbijt in de eetzaal

was opgediend. De priester deed eenige stappen om uit te gaan, doch

Geertruid weerhield hem en vroeg:

“Pater Franciscus, mijnheer Lodewijk heeft mij beloofd, dat hij zou

uitgaan, om te zien of ik mijnen vader nog vóór den avond zou mogen

bezoeken. Vindt gij goed, dat hij het nog doe?”

De priester bedacht zich een oogenblik en antwoordde:

“Ik geloof niet, dat het hem zal gelukken, mijne dochter; nogtans, het is

mogelijk.”

Hij wendde zich tot Lodewijk en sprak:

“Ga, mijn zoon, die pogingen, alhoewel waarschijnlijk vruchteloos, zullen

de droefheid een weinig van uw gemoed afkeeren. Maar wees voorzichtig;

alles brandt in deze tijden van gisting.... Geen haat, geene gramschap!”

Lodewijk nam een dankbaar afscheid en ging de kamer uit.

De priester en Geertruid begaven zich naar de eetzaal.

Toen Lodewijk zijne Geertruid verlaten had, snelde hij met haastige

stappen naar het Steen en stelde alles te werk om Godmaert te mogen zien;

doch de Steenwarer wilde hem dit niet toestaan. De jongeling smeekte,

bedreigde, bood hoopen gelds aan, doch alles te vergeefs. Daar de

gevangenbewaarder buiten de zaken, die zijn ambt raakten, een redelijk en

gespraakzaam man was, antwoordde hij op al de vragen van Lodewijk, en gaf

hem kennis van Godmaerts pijniging. Wanhopig ging de jongeling uit het

Steen en begaf zich tot de Geuzen, die hij twee dagen te voren bij moêr

Schrikkel had gezien. Allen waren als hij ten uiterste bedrukt over dit

voorval; allen hadden zij moeite aangewend om bij Godmaert te geraken;

doch geen had hierin kannen slagen. Verbitterd als zij waren, zagen

zij geen ander middel dan de omwenteling te verhaasten. Ten dien einde

liepen zij overal bij hunne vrienden en maakten door herhaalde pogingen

de inwoners der stad tot muiten op. Bij alle kruisstraten stonden hoopen

volks; eene algemeene koorts scheen onder hen te heerschen. Leven de

Geuzen! weergalmde door de gansche stad; en wanneer dan een troep

wapenbroeders kwam aangestapt, liep het volk in andere straten om het

schreeuwen met nieuwe kracht aan te vangen.

Lodewijk wandelde angstig door de woelende scharen en begaf zich langzaam

en treurig naar de woning van Van Halen. Aan de Koepoortbrug kwam een

man, in eenen wijden mantel gedoken, rechtstreeks op hem aan.

“Lodewijk,” sprak hij, “wat nieuws?”

“Oh, Schuermans!” riep Lodewijk, “mij dunkt dat gij gaarne onbekend de

straten betreedt?”

“Ust! jonkheer, ik weet waarom. Noem mij niet. Hebt gij Godmaert gezien,

Lodewijk?”

“Neen, ik mag hem niet naderen. Weet gij wat hij geleden heeft?”

“Ja, ik weet het. Die schelmen, die bloedzuipers! Zij denken dat een Geus

zich niet wreken durft!”

“Zij hebben hem bijna het leven benomen!”

“Weet gij, jonkheer, wie dit bewerkt heeft?”

“Ja, Valdès.”

“Wanneer ik dit verstaan had, heb ik mij op weg begeven... en nu is reeds

het werk volbracht: Valdès is dood.”

“Dood?”

“Zie, Lodewijk, daar is zijn leven!”

En de hand onder zijnen mantel uittrekkende, toonde hij hem deze en

zijnen dolk, rood van bloed.

“Weet gij nu,” vroeg hij, “waarom ik onbekend door de straten loop?”

Lodewijk verbleekte bij het gezicht van dit nog niet gestolde bloed. Daar

hij niet antwoordde, ging Schuermans voort:

“Zijn lijk ligt nog op den Guldenberg, en weldra zal er van dezen manslag

gesproken worden. Ik geloof niet, dat iemand mij herkend heeft; doch om

alle zekerheid verlaat ik u, ten einde mij van dit bloed te reinigen.

Morgen, Lodewijk, morgen de groote wraak! — Zie!”

En hij wees op het rondstroomende volk.

“Morgen,” zuchtte Lodewijk treurig, “morgen, o, mijn God!”

Hij boog het hoofd voorover in eene droeve bedenking aan hetgeen er zou

gebeuren.

“Waar gaat gij naartoe?” vroeg Schuermans.

“Ik meende naar Van Halen te gaan, om te zien of ik door zijnen invloed

geen verlof zou kunnen krijgen om Godmaert in zijne gevangenis te

bezoeken.”

“Ik geloof, dat gij bij Godmaert niet geraken zult, Lodewijk, want Van

Halen heeft bij den prins van Oranje niets verkregen.”

“Zeg, Schuermans, zoo ik zelf nog eens bij den prins ging?”

“Gij zoudt te laat komen; hij is daar juist naar Brussel vertrokken.”

“Wat ga ik dan doen?”

“Ja, dat weet ik niet, jonker. U gereed houden om de Spanjaarden uit de

stad te jagen. Dan, vergeet niet, dat er dezen nacht, om twaalf uren,

eene vergadering bij moêr Schrikkel zal gehouden worden. Men zal er over

de gevangenneming van Godmaert handelen. Gij zult er zijn, niet waar?”

“Ja.”

“Tot wederziens dan.”

Schuermans stapte door de Koepoort en wendde zich naar zijne woning, in

het Klapdorp.

Lodewijk ging terzijde, nevens de Minderbroedersrui, en begaf zich naar

de Keizerstraat.

Zoodra hij de boekzaal intrad en zijne Geertruid neerslachtig naderde,

lachte deze hem vroolijk toe.

“Wel, Lodewijk,” riep zij, “zal ik mijne huik omhangen?”

“Neen, Geertruid,” antwoordde hij, “men is voor mij onverbiddelijk

geweest.”

Een lange zucht ging over ’s meisjes lippen.

“Waarom wanhoopt gij, Geertruid?” hernam Lodewijk. “Heeft pater

Franciscus ons niet beloofd, dat hij dezen avond bij den hoofdrechter zal

gaan? En hij zal nu gemakkelijker een verlof voor ons verkrijgen, want

Valdès is dood.”

“Dood?” riep de jonkvrouw, terwijl zij Lodewijk met angst en afschrik

bezag. “Dood!”

“Ja, maar uwe vrees is ongegrond, Geertruid. Het is Lodewijk niet, die

zijn bloed gestort heeft.”

“Ha!....” zuchtte het meisje met blijdschap, en alsof haar hart van een

pletterend gewicht ontlast wierd.

“Schuermans heeft hem vermoord, vooraleer ik hem gesproken of gezien had;

geloof het, Geertruid.”

“Ha, Valdès is dood!” riep de jonkvrouw, “dan zal mijn vader wellicht

vrijgelaten worden.”

Beschaamd over de vreugde, die zij om Valdès’ dood had laten blijken,

werd zij eensklaps rood en sprak weldra op kalmen toon:

“Pater Franciscus is daareven naar het Steen gegaan. Nu is hij reeds bij

mijnen vader. Ik zal met geduld zijne terugkomst afwachten, Lodewijk,

want ik weet, dat mijn vader nu minder ongelukkig is. Hij zal hem wel

troosten, en, indien er iets te doen is om hem te redden, wie is er

machtiger en beter dan pater Franciscus?”

“Gij hebt gelijk, Geertruid, laat ons gerust zijn, en hopen wij op de

barmhartigheid des Heeren.”

Na een oogenblik stilzwijgens vroeg de jonkvrouw:

“Maar, Lodewijk, zeg mij, wat gaat er om? Wat gebeurt er? Ik heb daareven

voor het vensterglas gestaan en talrijke hoopen volks gewapend door

de straat zien loopen, den schreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij

gedurig. Is er ergens een gevecht?”

“Neen, Geertruid, maar morgen zal er bloed vergoten worden: morgen zullen

de schenddaden beginnen. O, gij weet niet wat schrikkelijk nieuws ik

vernomen heb....”

“Wat nieuws, Lodewijk?”

“Vervaarlijk, Geertruid, vervaarlijk. Herman Stuyck, die afgevallene, die

aartsketter, predikt morgen in de kerk van Onze Lieve Vrouw!”

“Hoe? Wat zegt gij, Lodewijk, dit kan immers niet zijn?”

“Niet zijn? Wie zou het beletten? Hij heeft gisteren na eene predikatie,

waarin hij God en zijne Heiligen schandelijk gelasterd had, afgeroepen,

dat hij morgen te negen uren in de hoofdkerk zal prediken. O, Geertruid!

dan zal de lastering en de blasphemie in het huis des Heeren klinken,

het vreemd gespuis en de oneerlijke vrouwen zullen hunne vuile liederen

aanheffen voor het altaar, voor het lichaam van onzen Zaligmaker zullen

zij hunne walgelijke zangen uitbraken....”

Verbaasd en als ter neder geslagen door dit tafereel, zat Geertruid voor

den jonker en staarde met strakke oogen op hem. Zij had hare handen

te zamen gevoegd en zweeg, alhoewel Lodewijk zelf, door zijne eigene

schildering verschrikt, opgehouden had van spreken. Weldra ging hij voort:

“En alsof zij den Heere Jezus eenen bloedigeren oorlog wilden aandoen,

richten zij al hunne balddadigheden tegen zijne onbevlekte Moeder.

Morgen, morgen zullen zij de helsche spotnamen, die de duivel zelf hun

ingegeven heeft, haar in het aangezicht spuwen. Gij weet niet, Geertruid,

hoe zij de maagd Maria noemen! Maar ik zal het u niet zeggen,.... liever

stierf ik eenen onzaligen dood dan die heiligschendende woorden te

herhalen!”

“Vreezen die booswichten dan niet, dat het vuur des hemels hen

verslinde?” riep Geertruid met verontwaardiging.

“Zij zijn versteend in hunne boosheid, Geertruid. Zij misbruiken de

barmhartigheid van Hem, dien zij hoonen. Ik weet niet wat euveldaden de

dag van morgen beschijnen zal, maar ik ben bang, vol angst, mijn hart is

benepen van schrik.”

“Wat zoudt gij meer vreezen dan de ontheiliging der kerken? Is dit niet

eene ongehoorde, eene wraakroepende misdaad?”

“Ja, de gedachte alleen doet schrikken en beven; maar indien de ketters

in hunne pogingen gelukken, zal het daar niet bij blijven. Dan zullen zij

de teekens van ons geloof vernietigen, de beelden van God en van alle

heiligen verbrijzelen en verbranden; en wij zullen nutteloos zoeken naar

iets, dat ons eene herinnering aan onzen godsdienst zij.”

Geertruid stond op, vatte Lodewijks hand en bracht hem voor het

vensterglas. Zij wees met den vinger ten venster uit, naar den muur van

het tegenoverstaande huis, en sprak:

“Zie, Zie, uwe vrees is niet ongegrond. Gedurende uwe afwezigheid zijn

hier eenige slechte lieden voorbij gekomen; zij hebben de heilige Moeder

bespot en bedreigd: nu reeds is haar eene hand afgeworpen. Ziet gij het

roode teeken van den kareelsteen niet? Ik wil niet, Lodewijk, dat zij

dit beeld langer hoonen; wij hebben het er gesteld en mogen het dus wel

wegnemen.”

“Wij moeten dit tot den nacht uitstellen, Geertruid; want een beeld op

dit oogenblik afnemen, ware misschien een teeken tot het beginnen der

schenderijen.”

“O, Lodewijk, dat zij het niet verbrijzelen! Ik heb het reeds uit de

wieg, wanneer ik zijne vormen nog niet onderscheiden kon, toegelachen. En

wanneer, bij kinderjaren, de eerste gedachte der Godheid mij door mijne

moeder werd ingegeven, heb ik voor het beeld geknield. Ik ben onder zijne

bescherming geboren, en het zou mij een groote druk zijn, het in mijne

oude dagen niet te zien.”

“Wel, Geertruid, zij zullen het niet breken: morgen zal het in uwe kamer

zijn.”

In dit gesprek gingen zij nog langer voort. Geertruid scheen een weinig

gestild door het bijzijn van Lodewijk, en beiden verwachtten met hoop de

terugkomst van pater Franciscus.

Terwijl de twee jongelieden aldus elkander poogden te troosten, gebeurde

er iets plechtigs in eenen der diepste kuilen van het Steen.

Er was in die gevangenis een hol van geringe wijdte, dat men den

moordenaarsput noemde; diep onder den grond gegraven en van alle

buitenlucht afgezonderd, was het er zeer vochtig en koud; menige

misdadiger had daar, na de pijnbank te hebben doorgestaan, den geest

gegeven en een boos leven geëindigd.

In eenen hoek van dien akeligen kelder brandde eene kleine lamp, die

tegen den vloer op eenen steen geplaatst was; de twijfelachtige stralen,

welke er van uitgingen, verlichtten den kerker niet, maar lieten toe de

voorwerpen, die er zich bevonden, in zwarte schaduw te onderscheiden:

twee palen met ijzeren halsbanden en neerhangende ketenen.

In het diepe van dit hol lag Godmaert op een weinig stroo uitgestrekt;

zijn lichaam was omwonden met bebloede doeken; zijn hoofd rustte op een

ruw kussen, dat hem door den Steenwarer uit medelijden was gebracht.

Nevens hem zat een lang en duister beeld geknield, houdende eene zijner

handen vast. Aan het habyt, dat zich op den muur afteekende, en aan het

zilverwit haar, dat zijnen blinkenden schedel omkranste, zou men in dien

persoon pater Franciscus hebben kunnen herkennen.

Sedert lang zweeg de priester en scheen een antwoord van Godmaert af te

wachten. Eindelijk zeide hij met doffe en benauwde stem:

“Godmaert, mijn broeder, ik herhaal het u: misschien zal de Heer u van

deze aarde roepen; misschien gaat gij sterven. Gij zult verschijnen voor

Gods rechterstoel! O, hoor mij in dit schrikkelijk uur! Zult gij de

wereld verlaten zonder berouw, zonder vergiffenis?”

Godmaert wendde zijn hoofd met pijn terzijde en antwoordde op langzamen,

doch nadrukkelijken toon:

“Neen, neen, vader, ik zal niet sterven. Ik zal leven om het vaderland

en mij zelven te wreken. Nu meer dan ooit is hun naam bij mij gehaat en

verfoeid. Hun bloed zal stroomen zooals het mijne gestroomd heeft.”

“De koorts doet u verdwalen, mijn vriend. Op wie dan wilt gij u wreken?”

“Op wie?” riep Godmaert, als buiten zich zelven, “op wie? Op onze

verdrukkers, op hen, die mijn vaderland tot een bloedbad maken, op hen,

die onnoozelen, als ik ben, door tormenten de ziel uit het lichaam

rukken; op die booze Spanjaards, die denken, dat zij het hoofd der

Nederlanders ongestraft onder hunne voeten verpletten mogen.”

“Mijn zoon, mijn zoon, gij hebt u laten verleiden door de vijanden van

onzen godsdienst en door uwen eigen hoogmoed. Word kalm en keer terug in

uw ontsteld gemoed: gij zult bevinden hoe diep gij bedrogen zijt.”

“Ik weet, vader, dat het uw plicht is, mij tot zachtmoedigheid aan te

manen; ook ben ik u dankbaar voor uwe goede zorg; maar niets kan mij van

gedachte doen veranderen. Ik ben overtuigd, dat mijn vaderland verdrukt

wordt, dat men ons langzaam in de boeien zoekt te klinken; en, al moest

ik nog op de pijnbank staan, al moest ik sterven, zoo zou ik die gehate

Spanjaards nog vervloeken en vermaledijden tot in den dood!”

De priester liet Godmaerts hand met verbaasdheid neervallen en hief de

armen in de hoogte.

“Blasphemie!” riep hij, “gij vervloekt uwen evennaaste! gij vermaledijdt

den onnoozele!”

“Onnoozele?” herhaalde Godmaert pijnlijk, “is Valdès dan ook een

onnoozele?”

“Neen, die misdoet voor den Heer, Godmaert. Maar zijn er onder onze

eigene broederen, zijn er onder ons, Nederlanders, geene menschen, die

door hunne driften tot het kwaad aangespoord worden? En om de daden van

eenigen vloekt gij ze allen! Ho, ik dacht niet, mijn vriend, dat ik uw

hart eens zoo versteend zou vinden.”

Alsof Godmaert de rede des priesters overtuigend, doch lastig vond,

antwoordde hij er niet op, maar riep in geestdrift uit:

“Op dit bloedig bed, bij het einde van mijn leven, blijf ik de spreuk

mijner voorvaderen getrouw. Zij bestreden altijd de vreemde beheerschers

en riepen, zooals ik nu roep: alles, alles voor het vaderland!”

“Gij hebt de spreuk uwer voorvaderen vergeten, Godmaert. Zij riepen:

alles voor God en voor het vaderland!”

“Dit is waar, vader, zoo was hunne spreuk en.... het is.... ook....”

De stem van Godmaert, die tot dan niet geheel zonder kracht was geweest,

verging in eens op zijne lippen; hij bracht met angst de hand op zijn

hart, en een pijnlijke zucht ontsnapte zijne borst.

“God! wat schrikkelijk lijden!” stamelde hij. “Ik heb hier aan mijn hart

iets, dat gebroken is.... Franciscus, mijn goede vader.... Ha, het is

gedaan,... ik voel mij herleven. De pijn is voorbij.”

“O, om Gods wil!” riep de priester met smeekende stem, “verfoei uwen

haat, zweer uwe wraakzucht af!”

“Mijn uur is nog niet gekomen, vader. Ik voel het. Spaar mij toch in

mijne smarten het verdriet van uwe vriendelijke woorden te moeten

wederstreven. Mijn haat tegen de vijanden mijns vaderlands is eeuwig en

onverbiddelijk.”

“Welnu, Godmaert, mijn woord is onmachtig op uw gemoed. Zult gij mij

aanhooren tot het einde? Ik zal de daadzaken doen spreken. Onderzoeken

wij te zamen de ongegronde reden van uwen haat en van den opstand.

Wees rechtvaardig en streng jegens u zelven, en beken uwe dwaling.

Luister op mijne stem. Herinner u den plechtigen, den droeven dag, dat

keizer Karel, uw weldoener en des vaderlands glorie, afstand deed van

de kroon. Het was te Brussel; gij waart er, en gij hebt met mij deze

woorden uit zijnen doorluchtigen mond hooren vallen: “Mijne Nederlandsche

onderdanen, de vrede zij onder u! Zijt vereenigd en verleent aan de

wetten de gehoorzaamheid, die men daaraan verschuldigd is. Maar vooral,

indien men gelukkig wilt zijn, weert de ketterijen van uwen bodem, en

indien gij mocht zien, dat het verderfelijk zaad onder u wortelen begint

te schieten, rukt het uit, vernietigt het; want het zou uw vaderland

verscheuren....” Gij en vele anderen hebt die woorden gehoord, Godmaert!

gij en de anderen hebt ze bekrachtigd door tranen van ontroering. En,

eilaas, hoe ras zijn deze heilzame raadgevingen vergeten geworden!

Zoodra was de keizer niet vertrokken, of gij hebt u vereenigd met

heerschzuchtigen; gij hebt de gouvernante aangevallen door vragen,

die de ketterijen alleen konden begunstigen, en bij hare weigering

hebt gij geroepen, dat het land verdrukt werd; alle maatregelen, die

genomen werden om de verspreiding eener nieuwe leer te beletten, hebt

gij gevloekt en tegengewerkt als dwingelandij. Gij hebt het volk tegen

zijne vorsten opgemaakt; gij hebt geroepen, dat men de Inquisitie in de

Nederlanden wilde instellen; en dit gezegde was valsch, gij wist het.

De pijnbank, die van onheuglijke tijden en onder alle beheerschingen

in Nederland bestond, hebt gij aangewezen als zijnde de Spaansche

Inquisitie: gij hebt uwe landgenooten bedrogen. Gij hebt hun doen

gelooven, dat men uwe vrijheden wilde te niet doen, omdat men de vraag

tot het bekomen van nieuwe en schadelijke vrijheden niet wilde toestaan.

Gij hebt u verbonden met eergierige edellieden, en gij hebt de vrijheid

van religie in Nederland durven eischen. De vrijheid van godsdienst in

een land, waar allen maar één geloof hebben! Wat beteekent dit? Het

was een roep, dien gij al den ketters van Duitschland en Frankrijk

toestuurdet. Zij zijn gekomen, die zendelingen des duivels; zij hebben

het oude geloof van België op zijne grondvesten doen beven; zij hakken

met razernij op de zuilen der ware kerk, en gij, gij zijt het, Godmaert,

gij en uwe eedgenooten, die hun de bijl in de hand gegeven hebt. En dit

noemt gij uw vaderland beminnen en vrijmaken! Is de godsdienst uwer

vaderen u dan eene tirannie? Stelt gij uwe glorie in het bevechten der

verdedigers van de gevaar lijdende kerk? Zijt gij misdadig en goddeloos

genoeg om de vijanden van uw geloof wetens en willens voor te staan? O,

zeg mij, dat uwe zonde u leed is; smeek om genade bij den Heer, dien gij

vergramd hebt. Spreek, Godmaert, antwoord mij, dat ik uit uwen mond, uit

den mond van den broeder, dien ik zoozeer bemin, de belijdenis zijner

dwaling hoore.”

De priester zweeg; maar even ras galmde een akelige schreeuw uit zijne

borst tegen het welfsel des kelders, en hij boog zich met angst over

het lichaam van zijnen vriend. Godmaert lag bleek en gevoelloos op zijn

stroo; zijne twee handen waren te zaam geslagen en lagen verkrampt op

zijn hart.

Bevend en verschrikt wierp de priester zich bij Godmaert neder, stak de

hand onder zijn hoofd en hief het op, totdat de schijn der lamp er tegen

kaatste.

“Dood! dood!” schreeuwde hij in de uiterste wanhoop, terwijl een

tranenstroom uit zijne oogen op Godmaerts wangen vloot. “Dood?.... Gij,

mijn boezemvriend, mijn broeder! En ik heb u niet kunnen redden! De

barmhartige Jezus zij uwe ziel genadig!”

Hij liet het hoofd van den Geus nedergaan, hief zijne armen ten hemel

en stuurde een lang gebed om verzoening tot God. Op eens werd hij in

zijne bede gestoord door eenen zucht, die uit Godmaerts keel scheen

voort te komen. De priester sprong op, wierp zich neder bij het hoofd

van den lijdende, en bezag zijn gelaat met angst; hij blikte stijf en

hijgend op de geslotene oogen zijns vriends, doch niets kwam zijne hoop

verwezenlijken.

Eindelijk, o blijdschap! ontkrompen zich de twee handen van Godmaert;

zijne oogen ontsloten zich, en hij bezag dwalend den over hem gebogen

priester. Weldra hief hij langzaam eenen zijner armen op, bracht hem om

den hals van pater Franciscus en trok zijn hoofd tot bij zijnen mond. Met

de punten zijner koude lippen raakte hij de wang des priesters en zoende

ze. Die kus vervulde het hart van pater Franciscus met eene ongemeene

vreugde; het scheen hem, dat Godmaert in zijne sprakeloosheid daardoor

zijn berouw wilde uitdrukken, en dat de ziele van zijnen vriend den booze

was ontrukt.

Maar na weinige oogenblikken kwam, even gelijk de eerste maal, het leven

geheel terug in Godmaert.

“Mijn goede vader!” was zijn eerste woord.

“Arme Godmaert!” antwoordde de priester met tranen op de wangen, “hebt

gij kunnen hooren wat ik u gezegd heb? Is mijn stem ditmaal tot in uw

hart gegaan?”

“Ik heb alles gehoord, vader. Ik heb gedwaald; ik vraag vergiffenis van

God!”

De priester wierp zich vooruit met eenen blijden kreet en vatte het

aangezicht van Godmaert tusschen zijne twee handen.

“Gered, gered!” riep hij, “o, Godmaert, mijn beminde broeder, nu kunt gij

sterven, indien de Heer u geroepen heeft. Uw leven was zuiver van alle

ander verbreken. Uwe ziel zal nu met betrouwen mogen verschijnen voor

haren Rechter.... en hopen wij het, vriend, eens zien wij elkaar terug

in den schoot van God! Ik zal u weldra volgen, want mijn levensdraad

verslijt.... Daar, ontheven van alle aardsche pijnen, zullen wij elkaar

blijven beminnen; wij zullen samen den Heer loven en vereenigd zijn tot

in der eeuwigheid....”

Voortgaande in het uitdrukken van die hemelsche vooruitzichten, bemerkte

de priester met blijdschap, dat zijn vriend allengs meer en meer in

krachten toenam en eindelijk weder terugkwam tot den staat, waarin hij

hem bij zijne komst bevonden had. Zij spraken nu van Geertruid en van

Lodewijk. Godmaert ontving met een gehoorzaam hart de vermaningen des

priesters. De pijnen, die hem aangevallen hadden, en waardoor zijn leven

tweemaal was in gevaar gesteld geworden, verlieten hem, alsof de laatste

strijd hem er van verlost had; echter bleef zijn lichaam nog verstijfd en

al zijne leden als verlamd.

Na verloop van eenige uren stond de priester op en klopte herhaalde malen

tegen de deur des kerkers. Weldra werd ze door den gevangenbewaarder

ontsloten.

“Wat uur is het?” vroeg pater Franciscus.

“Bijna negen uren des avonds,” was het antwoord.

“Zoudt gij niemand bij dezen gevangene kunnen doen komen? Hij is zoo

ziek, en ik moet hem verlaten.”

“Ja, pater, ik zal mijnen knecht gaan roepen.”

De gevangenbewaarder ging uit en sloot de deur toe.

“Heb moed, mijn vriend,” sprak de priester tot Godmaert. “Ik begeef mij

naar den hoofdrechter, die nu van Brussel moet teruggekomen zijn. Ik zal

pogen eenige verzachting in uw lot te verkrijgen, en binnen een uur zal

ik met uwe kinderen terugkomen. De hoofdrechter zal mij ten minste dit

laatste toestaan.”

Godmaert hief zijne hand op, als om die van den priester te vragen en

deze bekomen hebbende, drukte hij ze met liefde.

“Ga,” sprak hij, “engel van troost, mijn dankbaar gebed en de zegen van

den God dien gij dient, vergezellen u!”

De gevangenbewaarder kwam terug met zijnen knecht, en de priester verliet

den kerker om den hoofdrechter te gaan vinden.

Hij werd er wel ontvangen, doch kon niets anders verkrijgen dan het

oorlof om Geertruid en Lodewijk bij Godmaert te brengen. Hij begaf zich

dan met haast naar de Keizerstraat om zijne droeve kinderen te gaan halen.

Aan de deur hunner woning stonden zij reeds lang met kloppenden boezem op

hem te wachten, niet zoodra bemerkten zij hem, of hij werd begroet door

een blij welkomsgeroep, en op de hielen gevolgd tot in de zaal.

“Welnu, goede pater Franciscus,” riep Geertruid, “wat nieuws brengt gij

ons?”

Zij beefde bij die vraag, alhoewel de kalme uitdrukking, die op des

priesters aangezicht stond, haar een goed voorteeken scheen.

“Mijne kinderen,” antwoordde hij, “de Heer heeft zijne hand uitgestrekt

over uwen vader: hij heeft schrikkelijke pijnen doorgestaan; maar zijt

welgemoed, hij zal genezen, wij mogen het hopen!”

Tranen borsten uit Geertruids oogen.

“O, droefheid,” riep het meisje met angst, “gij verbergt mij iets; gij

durft het mij niet zeggen, dit ijselijk nieuws!”

“Stil u, stil u, mijn kind,” hernam de priester, “terg u zelve niet

langer. Uw vader leeft; gij moogt hem bezoeken en troosten, ik ben

gekomen om u te halen.”

Eene schielijke omkeering gebeurde op het gelaat der jonkvrouw. Tusschen

hare tranen kwam de vreugde zich vertoonen, zij sprong terzijde, vatte

hare huik, wierp ze over haar hoofd en riep:

“Kom gauw, ik ben gereed!”

De priester stond niet op van den stoel, waarin hij zich nedergezet had.

“Mijne kinderen,” sprak hij, “vergunt mij een oogenblik rust. Mijne

zeventig jaren laten mij niet meer toe, nog langer de stem van mijn zwak

lichaam te miskennen,... ik heb honger en dorst.”

Geertruid wierp hare huik af en verschrikte niet weinig bij het zien der

bleekheid van des priesters aangezicht.

“Vergeef mij, goede vader,” zeide zij, “ik zie het, gij zijt vermoeid en

afgemat.... Rust en eet,... ik zal mijn ongeduld bedwingen.”

Zij liep ter kamer uit en kwam weldra terug met Theresia, die den

priester spijs en drank voordiende.

Terwijl schikte Geertruid hare kleederen op; zij liet zich de huik beter

door de dienstmaagd aanhangen, en wachtte zonder spreken, totdat pater

Franciscus, opstaande, tot haar en tot Lodewijk sprak:

“Komt nu, mijne kinderen, en matigt uwe droefheid. Vergroot het lijden

uws vaders niet te zeer door uwe eigene smart.”

Zij verlieten dan hunne woning en begaven zich stilzwijgend door de

donkere straten der stad, tot voor het Steen. De maan schoof op dit

oogenblik achter eene wolk uit en verlichtte den gevel der gevangenis

met eene droeve klaarte. Bij het zien dezer hoogverhevene muren en der

ijzeren traliën smolt Geertruids hart weg, en zij bleef plotseling staan,

zonder eenen stap meer te doen.

De priester klopte; een hoofd verscheen voor het kijkgat, en de poort

ging krijschend open.

Wat schrik, wat angst moest de bange Geertruid niet uitstaan, terwijl

zij door die duistere en koude gangen als door eenen doolhof zonder

einde gaan moest! Van tijd tot tijd hoorde zij eenen gevangene met zijne

ketenen klinken en eene pijnlijke klacht voortbrengen, en telkens dacht

zij voor den kerker haars vaders te staan.

Eindelijk hield de Steenwarer stil voor eene zware deur, die overal met

ijzeren platen was beslagen, en hij draaide den sleutel er driemaal op

rond.

Het hart der gefolterde jonkvrouw joeg hevig; een traan liep haer reeds

van de wangen, alhoewel de deur nog niet open was.

“Vader,” riep zij, “hier ben ik, uw kind, uwe lieve Geertruid!”

Een zware zucht antwoordde op hare stem.

Lodewijk, die nu genoeg begreep, dat het zien haars vaders haar niets dan

nieuwe smart kon toebrengen, poogde haar te stillen; doch het meisje, als

opgetogen, vatte de grendels met haastigheid, en zij zelve schoof den

laatsten weg.

De deur ging open. Binnengaande zagen zij niets dan de twijfelachtige

vormen van een menschenlichaam; want, daar de gevangene verre van den

ingang lag, kon de lamp des Steenwarers hare stralen niet stellig tot hem

zenden.

Terwijl de priester en Lodewijk nog bij den ingang stonden, rukte

Geertruid de lamp uit de handen van den Steenwarer en zij knielde huilend

bij haren vader neder.

“Mijn lief kind!” zuchtte hij, “God heeft mij verhoord. Ik zie u!”

“Och, vader! vader!” schreide zij, in bittere tranen losbarstende,

“ongelukkige vader! Wat hebben zij u gedaan, dat gij mij niet omhelzen

kunt.”

“Mijne teedere dochter,” sprak hij met eene zwakke stem.

Hij poogde zijne armen tot haar op te heffen; doch deze konden zoo hoog

niet reiken en vielen machteloos op het stroo neder. De tranen der

weemoedige Geertruid rolden brandend op des grijsaards wangen. Zij sprak

niet meer; zuchten en droefheidssnikken kwamen ratelend uit hare hijgende

borst op. Hare handen gingen met angstige liefde over des grijsaards

koude ledematen.

“Lodewijk, Lodewijk!” riep zij, “nader en zie! Zij hebben mijnen vader

onbarmhartiglijk gepijnigd.”

En zij wees hem de bebloede doeken, welke Godmaert overal omwonden.

“Ha, gij zijt ook daar, Lodewijk!” sprak hij. “Ziet gij wat zij mijnen

grijzen haren gedaan hebben?” en hij wentelde zijn hoofd met pijn om.

“Ziet gij?”

De jonker hief de handen ten hemel.

“Heer!” riep hij, “ze zijn met bloed geverfd?”

“Lodewijk, licht mij een weinig op,” zei Godmaert.

Het meisje spong toe en, hare armen met voorzichtigheid onder haars

vaders lichaam brengende, hief zij hem van het stroo, totdat hij op het

hoofdkussen gezeten was.

“Kom, mijne lieve dochter,” sprak hij, “dat ik u eenen afscheidszoen

geve; want God heeft mij misschien tot zich geroepen.”

“Vader, och lieve vader,” schreide het wanhopige meisje, “o, denk dit

niet. Ik zal door mijne liefde en zorgen uwe ledematen verwarmen; en God

zal u nog vele dagen met ons laten doorbrengen. O, sterf niet! sterf

niet, of ik zal u geen oogenblik overleven. Ik kan immers, vader, zonder

u niet bestaan? O, schep dan moed!”

En zij kuste hem huilend, alsof zij zinneloos ware geweest.

Lodewijk was achteruit geweken. Hij kon dit droevig schouwspel niet

aanzien; zijne tranen vloeiden in stilte. Hij vond zelfs geene woorden om

het meisje te troosten.

De priester had zich in een hoek der gevangenis op de knieën gebogen, en

bad met samengevoegde handen.

“Waar zijt gij, Lodewijk?” vroeg Godmaert. “Ah, gij zijt dáár!” sprak

hij, toen hij den jongeling zag weenen. “Luister, Lodewijk: mijne dagen

zijn voorbij, en ik zal weldra bij mijne vaderen zijn; want mijn adem

wordt kort en mijne ledematen verstijven. Geertruid, stil u, meisje.

Gods wil geschiede. De sterveling, die geroepen wordt, kan zijn lot niet

ontgaan. Lodewijk, zij hebben mij ijselijk gepijnigd. Mijn bloed is mij

langs al de deelen mijne lichaams ontloopen....”

“Valdès is dood, vader!” riep het meisje. “En gij, gij leeft nog en zult

niet sterven. Ik verlaat u niet; mijne liefdezoenen zullen u van de koude

des doods bewaren. Gij sterven! gij, vader? neen; niet waar, Lodewijk?

spreek dan! Mijn vader zal immers niet sterven? O, wat verschrikkelijk

woord! En gij antwoordt mij niet, wreede Lodewijk! Kan mijn vader

sterven? Zeg!”

“Neen, neen,” sprak Lodewijk snikkende.

“Hoort gij wel, vader?” riep Geertruid, “Lodewijk zegt ook, dat gij niet

sterven kunt.”

Zij drukte den grijsaard met kracht op hare borst.

“Jonker,” zei Godmaert, “misschien is mijne vrees ongegrond.”

Geertruid zag hem angstig in de oogen.

“Misschien,” hernam de grijsaard, “zal ik nogmaals met u in de boekzaal

gaan; doch, daar mij dit zeer twijfelachtig schijnt, wil ik u als

beschermer mijner dochter aanstellen, eer gij mij verlaat. Nader mij dan,

dat ik u zegene!”

Lodewijk zette zich bij de geknielde Geertruid gebogen neder. De priester

zag deze godsdienstige plechtigheid met verwondering aan, en een nog

vuriger gebed steeg van zijne lippen tot den Heer, opdat Hij toch op

deze ongelukkigen wilde nederzien. De kerker was nog in al zijne hoeken

duister, want het zwakke licht der lamp kon deze niet bereiken. De

weinige stralen vielen rechtstreeks op het bleeke wezen des grijsaards en

op de vochtige wangen zijner kinderen. Deze, voor hunnen vader geknield,

wachtten met angstigen eerbied zijnen zegen; hij, met zijne handen op

hunne hoofden, bad God voor hen.

“Lodewijk,” sprak hij, “ik geef u mijne Geertruid, als het loon uwer

teederheid tot haar, en der liefde tot uw vaderland, welke zoo vurig in

uwe borst blaakt. Geertruid, wees uwen man getrouw en minzaam. Ik bid

den Almachtige, dat Hij zijnen eeuwigen zegen met den mijnen menge, en

uw beider lot verzachte! Lodewijk, mijn zoon, ik ga u iets zeggen, dat

u met blijdschap zal vervullen.... luister wel: Ik heb u gedwongen den

naam van Geus aan te nemen; ik heb u tegen uwen wil doen samenspannen met

menschen, wier gevoelens de uwe niet waren. Gij hebt mij gehoorzaamd,

alhoewel gij in uwe ziel het werk verfoeidet, waaraan ik u deed arbeiden.

Maar bij het graf is de blinddoek van mijne oogen gevallen: ik dacht, dat

wij ons vaderland verdedigden, en eilaas! wij verdedigen en beschermen de

ketterijen en de scheuringen der kerk. Van nu af aan, Lodewijk, doe ik

de bevelen te niet, die ik aangaande den opstand u kan gegeven hebben.

Misschien is het nog tijd om het geloof, dat wij in gevaar gesteld

hebben, van eenen diepen val te redden. Gedraag u voortaan volgens de

inspraak van uw rechtzinnig en godsdienstig gemoed.”

De jonkheer liet eenige blijde dankzeggingen hooren, en vroeg eindelijk:

“Maar, Godmaert, hoe gaan wij nu de gevolgen van ons eigen werk beletten?

Onze eedgenooten willen morgen reeds de omwenteling beginnen: zij komen

te middernacht met dit inzicht bijeen.”

“Morgen? O, het mag niet zijn! Het is ook morgen, dat Herman Stuyck

in de hoofdkerk prediken wil.... de beroerte zou den ketter in zijnen

verfoeilijken aanslag doen gelukken. Laat niet na, mijn zoon, tot

de vergadering te gaan. Doe hun begrijpen, dat de omwenteling moet

uitgesteld worden; doe hun verstaan, dat zij waarlijk den godsdienst

in gevaar zouden brengen.... ik weet, dat uw hart u tot deze poging

welsprekend maken zal. Staat nu op, mijne kinderen! Ik vind mij door uw

bijzijn wonderlijk versterkt. Het schijnt mij, dierbare Geertruid, dat

uwe borst mijne ledematen gewarmd heeft.”

“Vader lief!” riep Geertruid, “o, gij zult genezen! zeker, gij zult

genezen. Waart gij met ons in onze woning, hoe spoedig zoudt gij hersteld

zijn! Hier verstijft gij van koude; gij ligt op den harden grond....

uw kind is niet altijd bij u, om u te bewaken en te bezorgen; hare

zoo heilzame liefde, haar zoo troostend woord ontbreken u.... Arme,

ongelukkige vader!”

En zij klemde hem met blijde opgetogenheid tegen haren boezem, en scheen

de warmte haars lichaams in de borst des grijsaards te willen overzenden.

“Steenwarer,” riep Lodewijk, “honderd kronen geef ik u, zoo gij ons uwen

gevangene laat medenemen.”

“Neen, jonkheer,” antwoordde de Steenwarer, “voor niets ter wereld.”

“Vijfhonderd. — Duizend!”

“Neen, waarlijk, ik mag noch kan het doen. Zou ik mijn leven voor goud

verkoopen?”

“Mijn landgoed bij Berchem zal ik u schriftelijk overgeven. Vraag meer,

vraag alles, zoo gij Godmaert laat uitgaan.”

“Neen, jonkheer, hoezeer uwe beloften mij ook behagen, kan ik evenwel

mijn leven daarvoor niet in de waagschaal stellen.”

“Och ja, heer Steenwarer!” schreide Geertruid, “doe dit, gij zult rijk

zijn. Gij wilt dan nooit eene menschlievende daad verrichten? Waarom wilt

gij mijnen vader niet vrijlaten? Heeft hij nog niet genoeg geleden, zeg?

Dáár! daar hebt gij het halssnoer mijner moeder! Wat heeft mijn vader u

ook misdaan? Gij zijt immers op hem niet verbitterd? Laat hem toch met

ons gaan; zie, dan zou hij kunnen rusten.... Gij grimlacht? o, dat is

leelijk! Kunt gij ook bij zulk een treurig tooneel grimlachen!...”

“Mijnen plicht, jonkvrouw, mag ik niet verder vergeten. Ik heb u uwen

vader eenigen tijd laten troosten; vergenoeg u daarmede. Nu is het bij

middernacht: nog eenige oogenblikken!”

Geertruid ijlde naar haren vader en bleef, door Lodewijk ondersteund, hem

zoolang liefkoozen totdat de klok der Burchtkerk twaalfmaal onder den

hamerslag hergalmde. Lodewijk sprak eene wijl met den priester.

“Geertruid,” riep hij verblijd, “pater Franciscus blijft bij uwen vader!”

Het bedrukte meisje kuste des paters handen uit dankbaarheid.

“Matig u, jonkvrouw,” sprak de geestelijke, zijne hand terugtrekkende.

“Ga welgemoed naar huis. Betrouw op Hem, die den ongelukkigen troost en

blijdschap kan toebrengen. Bid God, jonkvrouw, en ween niet meer.”

Zij moest, niettegenstaande hare smeekingen, den kerker verlaten. Na

haren vader eenen langen kus gegeven te hebben, drukte zij hem nog eens

op hare borst en vertrok met den nadenkenden jongeling.

Zoodra deze zijne geliefde in hare woning en bij Theresia gebracht had,

vroeg hij verlof om naar de Geuzenvergadering te gaan, en vertrok.

Het wonderjaar: Eene gekkenwereld · 第 15 / 19 题