Laat ons nu een weinig in ons verhaal terugkeeren, om te zien, of de
waarzegster terecht was, wanneer zij Geertruid haren vader in zulk eenen
akeligen toestand voorstelde.
De Spanjaard Valdès had de oplichting van Godmaert nauwkeurig
bijgewoond en met vrees bemerkt, dat het gemeene volk den Geus zeer was
toegedaan. Angst had hem getroffen op het oogenblik, dat de morrende
verlossingskreet was opgegaan. Maar wanneer hij de deur der gevangenis
op zijnen vijand had zien toesluiten, vertrok hij om de gevolgen zijner
beschuldigingen te verhaasten.
Godmaert zat in den hoek van eenen kerker, die geene gemeenschap had met
licht of lucht. Bittere tranen rolden over zijne wangen, daar hij aan de
smart zijner dochter dacht, en mits grootere hartpijn hem drukte, voelde
hij niet, dat zijne bewegingen van wanhoop den zwaren ijzeren gordel in
zijne lenden prentten. De tijd, dien hij reeds in dit donker hol had
doorgebracht, scheen hem lang, zeer lang te zijn, alhoewel de avondzon de
buitenmuren van het Steen nog kleurde met haren rooden glans.
Om tien uren des avonds werd de deur des kerkers geopend.
“Godmaert!” riep de Steenwarer, met zijne lantaarn den kerker
binnentredende, “sta op, ik moet u voor den rechterstoel leiden.”
En hij sloot den ijzeren gordel. Twee gewapende mannen namen den
grijsaard bij den arm, en brachten hem door duistere gangen tot in
eene zaal, welke als de beuk eener kerk was overwelfd. Zeer laag
was het verdiep, want de zuilen, waarop de welfbogen rustten, waren
weinig verheven, dus kon de lamp, die rookend op de tafel brandde,
gemakkelijk het welfsel bereiken en de plaats ten beste verlichten. Een
groot kruisbeeld, kunstig met zwart en rood hout ingelegd, en een open
evangelieboek met zilveren sloten lagen op het tapijt der tafel. Twee
dolken waren kruiswijze, ten teeken van bloedig recht, op de bladen van
het evangelie geplaatst.
Vier personen, gansch in zwarte stof gekleed, zaten bij eene tweede
tafel, aan hun ernstig en koud gelaat kon men bemerken, dat zij de
rechters waren. Papier en pennen lagen vóór hen op de tafel, tot het
aanteekenen der bekentenissen, die zij van den beschuldigde verwachtten.
Bij de deur der zaal stonden twee gewapende dienaars met bloot slagzwaard.
Verder in het verschiet, bij het twijfelachtig licht kon men eenige
werktuigen bespeuren, die zonder orde, het een op het ander, tegen
den grond lagen, men bemerkte er raderen, koorden, banken, kettingen,
tusschen andere onherkennelijke dingen. Dit waren de werktuigen der
pijnbank, welke alsdan in alle hooge rechtsplegingen gebruikt werd om den
beschuldigde tot de bekentenis zijner misdaden te dwingen.
Godmaert liet zijn oog met afschrik op die bloedige gereedschappen der
wet vallen; maar eene onstuimigere beweging schokte zijne ledematen,
wanneer hij zijn gezicht in eenen donkeren hoek der zaal stuurde, hij
had in de verte, als een akelig verschijnsel, de wezenstrekken van zijnen
vijand Valdès herkend!
“Laat den gevangene tot ons komen!” riep een der rechters, en Godmaert
werd door de gewapende mannen tot op eenen kleinen afstand der
schrijftafel geleid.
Na eenige oogenblikken tot zijne mederechters gesproken te hebben, keerde
de voorzitter zich tot Godmaert en zeide:
“Nader mij, hier bij de tafel. Zweer met de hand op dit beeld onzes
Zaligmakers en op het boek des levens, dat gij de waarheid voor ons zult
zeggen, en niets dan de waarheid.”
“Dit zweer ik bij den God, die ons hoort!” sprak Godmaert, de hand op het
kruis leggende.
“Keer nu naar uwe plaats terug,” hernam de voorzitter, “en luister met
aandacht op mijne vermaning. De beroerten, die Nederland verontrusten,
en de ongehoorde stoutmoedigheid der ketters hebben de gouvernante doen
besluiten, van de zachtmoedigheid af te zien en strenge maatregelen tegen
de oproermakers te gebruiken. Gij, Godmaert, zijt gekend als een der
belhamels, uw hoofd behoort aan de wet, nogtans in aanzien der merkelijke
diensten, welke gij eertijds aan onzen vorst keizer Karel hebt bewezen,
is mij volmacht verleend om jegens u bij uitzondering met eene wijde
toegevendheid te werk te gaan. Ik mag u in vrijheid laten, zoo gij op
uwe eer van edelman zweren wilt, dat gij voortaan niets meer tegen de
Spaansche regeering zult ondernemen, en dat gij, indien men dit van u
eischte, de opstandelingen openlijk zoudt bestrijden.”
Godmaert stond verbaasd over deze woorden, maar hij zag Valdès in de
verte grimlachen, en zijn bloed stroomde hem op eens onstuimig door de
aderen. De rechters met fierheid beziende, antwoordde hij:
“Een krijgsman verraadt zijne vrienden niet. Ik zie de Spaansche
beheersching als een ongeluk voor mijn vaderland aan, en ik zal, indien
ik het nog doen kan, voortgaan met haar te bestrijden, ten koste van mijn
leven en mijn goed.”
“Is het wel zeker, Godmaert, dat dit uw laatste woord zij?”
“Het is zeker en onveranderlijk.”
“Het doet ons pijn, tegen een beroemd edelman, als gij zijt, de uiterste
strengheid der wetten te gebruiken. Maar wij, als beambten van den staat,
moeten zonder omzien onzen plicht doen.”
“Doet uwen plicht zooals het u goeddunkt. Ik doe den mijnen!”
“Welnu, antwoord mij dan. — Gij zijt beschuldigd, ten eerste van het
hoofd der Antwerpsche Geuzen te zijn en de regeering van Philips II eenen
bitteren haat toegezworen te hebben.”
“Dat is de bloote waarheid,” antwoordde Godmaert met luider stemme.
“Dat gij het volk tot muiten hebt opgemaakt, en door alle middelen uwen
medeburgers eenen afkeer voor het tegenwoordig bestuur hebt ingeboezemd.
Dat gij de Spaansche regeering afschildert als hatelijk en dwingend, en u
begeeft in vereenigingen, waar men middelen beraamt om de Nederlanden aan
de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst te onttrekken.”
“Ik heb het volk den opstand aangeraden, ik heb de Spaansche regeering
afgeschetst zooals zij is, dwingend en hatelijk! Het is waar.”
“Hoe, dit alles is waar, en gij bekent het met koelen bloede?”
“Zou ik liegen, daar ik gezworen heb u de waarheid te zeggen?”
De rechter schudde het hoofd met verbaasdheid. Hij wendde zich tot den
schrijver en sprak eene wijl met hem. Dan, zijn onderzoek vervolgende,
zeide hij tot Godmaert:
“Verder zijt gij beschuldigd van aan de gouvernante, onder de gedaante
van een smeekschrift, eene lasterende spotprent toegezonden te hebben.”
“Dat is onwaar!” riep Godmaert met verontwaardiging.
“Dat gij zelf deze prenten onder het volk hebt uitgestrooid.”
“Ik zeg u, dat dit valschelijk gelogen is. Nooit heb ik zelfs zulke
prenten gezien. Wie is de verrader, die mij dus beschuldigd heeft?”
“Valdès,” riep de rechter, “hij loochent dit gedaan te hebben!”
Nu kwam Valdès, die zijne betichting te voren wel in zijn hoofd gevormd
had.
“Godmaert,” sprak hij met een valsch gelaat, “gij weet nog wel, dat gij
mij, aan uwe tafel gezetende zijnde, eens eene prent hebt getoond, waarop
de gouvernante op eene allersmadelijkste wijze was afgebeeld?”
“Valdès, gij liegt. Gij liegt!” riep de Geus met verachting uit.
“Zwijg, beschuldigde, gij moogt niet spreken. — Wat stond er op deze
prent?”
Valdès antwoordde:
“De gouvernante, in haar plechtgewaad, was in eenen kinderstoel gezeten
en trok een belachelijk gelaat, haar schepter was eene klater, hare kroon
een valhoed. De graaf de Berlaimont hield haar vast bij eenen leiband,
terwijl aan de andere zijde de getrouwe Nederlandsche edelen, zooals
d’Aerschot, d’Aremberg en anderen, haar suiker en lekkernij aanboden,
om haar het schreien te beletten, dewijl zij langs achter door eenen
bedelaar of Geus met eene zweep geslagen werd. En dan heeft Godmaert, mij
dit toonende, al lachende gezegd: “Zie, dit is madame, naar het leven
afgebeeld.”
“Meineedige!” schreeuwde Godmaert, “beeft gij niet, voor dit bloedig
kruis en den God, die er voor ons op gestorven is, zulke valschheid te
spreken? Helsche verrader!....”
“Beschuldigde,” riep Ortado, een der rechters, “antwoord op mijne vraag.
Hebt gij niets dan deze woorden tot uwe verschooning bij te brengen?”
“Wat wilt gij dat ik antwoorde, dan dat die bloedhond gelogen heeft?”
“Wij hebben de getuigenis van eenen man gehoord, dien gij zelf met den
spotbrief naar de gouvernante hebt willen zenden.”
“Hoe heet die man?” vroeg Godmaert.
“Aalbrecht Merckhof.”
“Aalbrecht Merckhof? Dien ken ik niet. De heer Valdès zal hem beter
kennen, ik twijfel er niet aan,” sprak Godmaert, terwijl hij met
verachting op zijnen aanklager blikte.
De rechter hernam:
“Wij hebben redenen om te denken, dat gij aan gemelde misdaad van
geschonden majesteit schuldig zijt, aangezien gij reeds bekend hebt, dat
uw gevoel van haat tegen het bestaande staatsbestuur zonder palen is.
Kunt gij de getuigenis van Valdès en Merckhof te niet doen?”
“Neen. Wat kan ik anders dan verklaren dat zij valsch is?”
“Blijft gij daarbij?”
“Ja.”
“Welaan, alles schijnt te bewijzen, dat gij plichtig zijt. Ik beroep u,
in naam der wet, dat gij uwe misdaad bekennet en ons uwe medeplichtigen
noemet.”
“Ik antwoord niet meer op leugentaal!”
“Voor de laatste maal, Godmaert, ik raad het u: belijd uw verbreken, of
wij gaan over tot dwingende middelen. Nog eens, zijt gij aan het feit
schuldig?”
“Neen.”
Nu werd er gebeld, en twee zwaarlijvige kerels kwamen met opgestroopte
mouwen de zaal binnen.
“Beulen, op de pijnbank!” sprak hun de rechter toe.
Godmaert rilde in al zijne ledematen. De pijnbank! Dit woord klonk
ijselijk in zijne ooren. Weldra nogtans verging dit gevoel van schrik
in hem; hij herinnerde zich, hoe dikwijls hij den dood op het slagveld
van nabij had gezien; hij stelde zich voor, dat de pijnen, die hij ging
lijden, een offer aan het vaderland waren, en dat het hem een plicht van
eer was, zijnen vijand Valdès door zijne standvastigheid te beschamen.
Door die overwegingen gesterkt, raapte hij al zijnen mannelijken moed
bijeen en besloot, zonder klagen alles te lijden. Terwijl hij zich
zelven tot onderwerping aanporde, werden de werktuigen tot het pijnigen
gereedgemaakt. Een der beulen klom op eene ladder en stak een touw door
de katrol, die aan het welfsel hing. Dááronder, op den grond, brachten
zij een werktuig, van zware stukken hout te zamen gevoegd, en waaraan
vele kleine koordjes waren. De deelen dezes werktuigs kon men door
middel van spieën meer en meer van elkander verwijderen.
“’t Is klaar, mijnheer,” spraken de beulen, alsof zij bezig waren met
eene onverschillige zaak te verrichten.
De twee gewapende mannen brachten den Geus met de voeten op het werktuig.
De rechters verlieten hunne zetels en naderden dengene, dien zij moesten
ondervragen. Op hun gelaat was niets te lezen dan koude ongevoeligheid;
het was zichtbaar, dat zij niet zelden zulke pijnigingen bijwoonden.
“Nader de stoelen!” riep een der rechters; en allen zetten zich neder.
Valdès, om beter Godmaerts lijden te smaken, had zich juist achter de
zetels gesteld. In zijne oogen las men eene angstige nieuwsgierigheid;
want voor zijne booze ziel kon men hem geen fraaier tooneel laten
beschouwen dan het folteren zijns vijands.
“Beschuldigde,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
“Ik heb geene misdaad begaan.”
“Wel dan, dat men beginne!....”
De beulen maakten op dit bevel de koorden, die van het welfsel daalden,
aan Godmaerts beide armen vast; zijne voeten werden ook op dezelfde wijze
aan het werktuig geknoopt.
Op een teeken, door den rechter gedaan, trokken de beulen met kracht aan
de koorden. De katrol schreeuwde geweldig, en de ongelukkige Godmaert
ging langzaam in de hoogte, totdat het touw, waaraan zijne voeten vast
waren, stijf werd. Daar hing hij tusschen hemel en aarde, met armen en
beenen open, gelijk een gekruiste; doch geen zucht ontvloog hem. Hij zag
zijne rechters met fierheid aan.
“Welnu,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
Godmaert antwoordde niet.
De hand des rechters daalde, den beulen ten teeken, neder. Een zware
hamerslag deed de zaal dreunen, en Godmaerts lichaam werd een duim
uitgerekt.
“Bekent gij?” vroeg de rechter nogmaals; en de spieën werden nog een duim
ingejaagd.
“Gij wilt uit stijfkoppigheid ons niet antwoorden? Beschuldig dan u
zelven van het lijden, dat gij onderstaat.”
En door afwisselende teekens en zoovele hamerslagen hadden des grijsaards
ledematen eene vervaarlijke lengte bekomen, en waren de koorden in zijne
huid verzonken.
“Spreekt gij niet?”
Een verdubbelde hamerslag deed al de gewrichten des lijdenden kraken.
“Laat af,” riep de voorzitter.
De Geus daalde onmachtig en roerloos ten gronde. De rechters zagen op
hem zonder medelijden; zij wisten, dat dit aldus zou geëindigd zijn.
Valdès genoot nu de vreugde der boosaardige zielen, die zich over eens
anders druk verblijden.
Godmaerts lichaam werd door de beulen op eenen stoel gebracht. Zij
waren bezig met hem tot het leven weder te roepen. Lang scheen hun dit
onmogelijk, want de ledematen des lijdenden waren door fel prangen en
rekken stijf en koud.
“Wel,” vroeg Valdès zachtjes, “zult gij hem nu veroordeelen?”
De voorzitter, wien hij deze vraag deed, bezag hem met mistrouwen.
“Heer Valdès,” sprak hij, “wij volbrengen eenen droeven plicht. Stoor ons
niet; wij hebben nog niet gedaan.”
Dit antwoord bracht eenen blijden grimlach op het gelaat van Valdès. Hij
bezag den machteloozen Godmaert met eenen helschen blik.
“Beulen,” vroeg een der rechters, “komt hij tot zichzelven?”
“Hij begint zoo al!” was het antwoord.
Godmaert ontsloot eindelijk zijne verdwaalde oogen en aanschouwde met
eene pijnlijke uitdrukking de beulen, die hem tot lafenis een weinig
wijns te drinken boden.
“Waarom roept gij mij uit het gezelschap der dooden?” vroeg hij. “Is mijn
lijden gedaan?”
“Ik geloof het niet,” antwoordde de beul zachtjes. “Gij kunt uwe ziel aan
God overgeven; want levend zult gij hier niet uit geraken.”
“Dan zal ik, martelaar, voor mijn vaderland sterven,” kuchtte de
grijsaard.
Hij poogde zijne uitgerekte ledematen bij te trekken, doch hij kon ze
niet bewegen.
“Godmaert,” vroeg de voorzitter, “wilt gij nu uwe misdaad belijden, om u
verdere pijniging te sparen?”
“Ik u iets bekennen!” sprak Godmaert met eene zwakke stem, “neen, ik
vind vertroosting met u in uwe wreedheden te folteren. Mijn lichaam kunt
gij volgens uwe willekeurige wetten pijnigen; doch mijne ziel zal altijd
kracht genoeg bewaren om niet te zwichten voor den dood, dien gij mij
aanbiedt.”
“Gij bekent niets?”
“Neen.”
“Beulen, dat men hem de rieten op de huid zette!”
Godmaert liet zich geduldig ontkleeden en werd met den hals aan eenen
pilaar geprangd. Zijne voeten bond men aan eenen ijzeren ring dusdanig
vast, dat hij, hoe zwaar ook zijn lijden zijn mocht, zich niet roeren
kon. Nu plaatsten de beulen op zijn bloot lichaam een oneindig getal
gespletene rieten, waarvan de nijping zoodanig was, dat het bloed door
de huid sijpelde. De pijn moest vervaarlijk groot zijn, want Godmaerts
spieren bewogen stuiptrekkend. Zijn aangezicht werd paars, en zijne
oogen draaiden akelig in zijn hoofd rond.
Het was op dit oogenblik, dat Geertruid haren vader in den spiegel had
gezien.
De rechters stonden stilzwijgend op dit onmenschelijk tooneel te staren;
misschien gevoelden zij in hun hart ook medelijden voor den ongelukkige,
doch dit was niet op hunne wezenstrekken zichtbaar.
Valdès, de wreede verrader Valdès, vroeg of dit het grootste torment was.
En wanneer de beul zelf antwoordde, dat hij geene zwaardere pijn kende,
werd deze helsche ziel mistroostig, omdat de wraak uitgeput was.
“Bekent gij nu?” schreeuwde de rechter Godmaert toe.
Hij kreeg geen antwoord.
Het hart van den Geus, aan alle zijden door zenuwkrampen geprangd en
in de gerekte huid stijf geklemd, had zijne laatste kracht verloren.
Een naar en dof gezucht rolde ratelend uit de keel des zieltogenden
grijsaards, en zijn hoofd viel zwaar op zijne schouders neder; zijne
armen hingen slap en machteloos aan de ijzeren ringen.
“Hij is dood!” sprak de beul verblijd.
En hij raapte zijne werktuigen bijeen.
Zeker vond deze menschenpijniger geen vermaak in zulke oefeningen, mits
hij blijde was het droevig einde er van te zien. De rechters schenen
ontroerd over de gevolgen der pijniging; zij teekenden met haast een
papier, dat de schrijver hun aanbood, en gingen weg.
“Ik ben blij dat hij dood is,” riep de beul, “nu is hij, och arme, toch
der grootste pijn nog ontsnapt.”
“Welke pijn?” vroeg Valdès met nieuwsgierigheid.
“Wel,” antwoordde de beul, “zoo hij niet gestorven ware, zou men hem nog
wat pekel in zijne wonden gegoten hebben.”
“Ha!” zuchtte de boosaardige Valdès.
En hij ging half bedrukt naar zijne woning, omdat zijn vijand aan dit
ijselijk torment was ontsnapt.
Godmaert was niet dood; niettegenstaande de schrikkelijke folteringen
kwam hij eenigen tijd daarna langzaam tot het leven terug.
De beulen, die zooeven om zijnen dood verheugd waren, — want dan
mochten zij met pijnigen uitscheiden, — waren nu bezig met hem alle
vertroostingen, die zij vinden konden, te geven. Zij waschten zijne
wonden, laafden hem met den overigen wijn en brachten hem eindelijk weder
in zijne gevangenis. De Steenwarer, die ook zonder medelijden den grijzen
Geus niet kon aanzien, liet hem van banden vrij; en ditmaal hing de
ijzeren gordel, zonder een lichaam te omvatten, aan den muur.
De kerker werd wederom toegesloten, en de arme Geus bleef alleen en
zonder vertroosting. Niets had hij om te liggen, dan het stroo, waarvan
de punten in zijn bloot vleesch gingen en hem alle gevoel benamen.
Er is een trap van lijden, welke zeker altijd doodelijk zijn zou, zoo de
natuur, voor het behoud harer schepselen bezorgd, den lijder niet alle
kracht onttrok, om het te kunnen gevoelen.
Tot dien trap van lijden was Godmaert gekomen. Hij dacht noch aan den
hemel, noch aan Geertruid, noch aan zich zelven; hij sliep. Maar welken
slaap, o God! Den slaap der dooden; want een soldaat, door het springen
eener bom verbrijzeld, slaapt. En zoo, zoo sliep Godmaert ook; doch niet
voor eeuwig.