Vos enim in libertatem vocati estis, fratres: tantum ne
libertatem in occasionem detis carnis....
Manifesta sunt antum opera carnis: quae sunt.... idolorum
servitus veneficia, inimicitiae, contentiones, irae, rixae,
dissensiones, sectae....
_Gal._ _Cap._ V. v. 13, 19 et 20.
Het was één uur na middernacht. Alhoewel het in sommige straten uitnemend
duister was, vermits de beeldenlichten reeds hunne olie verteerd hadden,
was het echter in Antwerpen dan zoo stil niet als het wel gewoonlijk
op dit uur is. Er heerschte boven de gansche stad als een nevel van
verwarde galmen, die, eene bruisende zee gelijk, de lucht met een naar
en schrikverwekkend gesuis vervulden. Daarbij, het blaffen der honden,
de weergalmende stappen der wapenbroeders, het eentonig geroep der
wakers, en menschen, die als zwarte schimmen nevens de muren der huizen
geheimzinnig voortslepen, waren de voorteekenen der omwenteling.
De Geuzen, op dit uur allen bij moeder Schrikkel in de Peter Potstraat
vergaderd, waren in groot getal; want de zaal kon hen nauwelijks
bevatten. Zij schenen allen zeer toornig; verwenschingen en vloeken was
alles wat uit hunne woorden verstaanbaar zich deed hooren.
De tafel, met hare gewone versierselen van dolken, potten en glazen,
stond in het midden; doch mits er rondom deze geene plaats voor allen
was, had men de stoelen in een ander vertrek gedragen. De Geuzen stonden
recht en zonder orde in de zaal. Hunne mantels hadden zij niet afgelegd,
en men kon de dolken, die hun op de borst hingen, niet zien.
Zoo bleven zij verward en zonder regelmaat schreeuwen, totdat er een
hunner eedgenooten binnentrad.
“Wel, Houtappel,” riepen verscheidene stemmen hem toe, “wat hebt gij
vernomen? Hoe is het met Godmaert?”
“Geuzen,” antwoordde de nieuwgekomene op verbitterden toon, “gij zoudt
mij niet gelooven, zoo ik u de waarheid geheel zeggen kon. De beul zelf
scheen verontwaardigd, terwijl hij mij dit onmenschelijk verhaal deed;
mijn hart walgt er nog van....”
“Spreek dan!” viel Schuermans hem bitsig in de rede, “zeg op, wat weet
gij?”
“Welnu,” hernam Houtappel, “zij hebben den edelen Godmaert als wilde
dieren verscheurd, op de pijnbank door duizend nijpende wonden zijn bloed
afgetapt en zijne ledematen als koorden gerekt! De allerschrikkelijkste
folteringen hebben zij hem aangedaan. Waarom toch? Omdat hij, als gij
allen, een vaderlandsvriend is!”
Al de Geuzen stonden met wringende vuisten en knarsende tanden op hem te
luisteren, doch geen sprak.
“Ja, heeren,” hernam hij, “zoo hebben zij met onzen ouden overste
geleefd: zijne huid hebben zij op al de deelen zijns lichaams gekerfd
en hem, in de armen des doods, als eenen hond op een weinig stroo
nedergeworpen. Zal die schanddaad ongewroken blijven?”
“Wraak! wraak!” galmde uit alle monden.
Nu ging er eene woelige beweging onder de Geuzen om. Dolken flikkerden
onder het licht der lamp, rapieren kwamen blinkend uit de scheeden, en
het scheen, dat de een den ander naar het leven stond. Doch dit was de
oorzaak van het gewoel niet: eene algemeene gramschap en de dorst naar
wraak hadden hen de wapens onwillig doen vatten.
“O, die bloedhonden!” schreeuwde Schuermans als razend.
Hij zonk in opgetogenheid geknield ten gronde, hief zijne rechterhand met
den dolk in de hoogte en riep:
“Ik zweer bij den God mijner vaderen! bij den God, die mij hoort, dat ik
dit staal op Spaansche borsten verslijten zal, dat ik mijn leven aan het
vaderland en de wraak toeheilig, en dat ik met Spaansch bloed besmet ten
grave wil dalen!”
Het is licht te begrijpen, hoe onstuimig de gebaren der Geuzen zijn
moesten. Vervloekingen en wraaklustkreten klommen verward tegen het
welfsel der zaal op; maar eensklaps veranderde al dit gerucht in het
diepste stilzwijgen, en de Geuzen keerden zich gezamenlijk naar de deur
met deze woorden:
“Ha! daar is Lodewijk Van Halmale!”
De jonker groette de vergadering en naderde bij de tafel, met het inzicht
om te spreken; nogtans, eer hij een woord kon uiten, werd hem door
Houtappel deze vraag toegestuurd:
“Welnu, Lodewijk, gij hebt Godmaert gezien, is zijn lichaam niet
gemarteld, is hij niet gansch bebloed?”
“Hij is gemarteld en bebloed,” antwoordde de jonkheer. “Maar, mijne
heeren,” ging hij voort, “wat is uw voornemen? Blijft gij bij het inzicht
om morgen de omwenteling te beginnen?”
“Ja, ja!” riepen de stemmen.
Houtappel kwam vooruit en sprak met geestdrift:
“Morgen zal er geen enkele Spanjaard, noch een van allen, die den
vreemdeling gunstig zijn, in het leven blijven. Hun bloed zal vergoten
worden, om den hoon des vaderlands en Godmaerts leed te wreken. Dit
is vastgesteld.... Wij zijn hier slechts te zamen gekomen om over de
middelen te beraadslagen.”
“Welnu, mijne heeren,” riep Lodewijk met luider stemme, “ik ben hier
gekomen om u te zeggen, dat ik van de uwen niet zal zijn.... En, opdat
gij mij niet van valschheid beschuldiget, zoo verklaar ik hier voor u
allen, dat ik met de Spanjaarden zal strijden overal, waar zij de ketters
bevechten zullen!”
Deze woorden veroorzaakten geene geringe verbaasdheid onder de Geuzen;
het gelaat van sommigen werd door bloeddorst versomberd, en de
verwijtingen: lafaard! verrader! werden den jonkheer toegeworpen. Van
Halen alleen scheen kalm.
“Lafaard?” herhaalde Lodewijk. “Er is moed noodig, mijne heeren, om uwe
hoonende scheldnamen te komen zoeken en uwe wraak te komen tarten. Maar
ik ben gedreven door de liefde tot mijn vaderland, en....”
“Uw vaderland!” riep een Geus met spottend misprijzen, “uw vaderland? Zeg
veeleer, dat gij bang zijt van naar de hel te gaan, jonker. Uwe moeder
heeft u wellicht die aardige liefde tot uw vaderland ingegeven!”
Eenigen lachten om die woorden. Eene roode kleur liep in wolken over het
aangezicht van Lodewijk; men kon zien, hoe diep deze spotternij hem had
gewond; misschien nog meest, omdat de naam zijner afgestorvene moeder er
tusschen gemengd was. Maar hij herinnerde zich welhaast het doel, dat hij
zich had voorgesteld, en bedaarde een weinig. Dan, met eene stem, die nog
den toon van bittere spijt droeg, sprak hij:
“Ja, ik bemin mijn vaderland; maar niet als gij, die uw vaderland aan
een gevoel van haat wilt opofferen; niet als gij, die uw vaderland wilt
verscheuren en tot een bloedbad maken, ten voordele der ketterij, der
ketterij alleen, verstaat gij mij? En gij bedriegt u niet: het is mijne
moeder die mij dit gevoel ingestort heeft....”
“Maar, Lodewijk,” riep Schuermans, “waarom denkt gij, dat wij de ketters
zouden voorstaan?”
“Waarom? Zijt gijlieden niet dagelijks naar de predikatie van Herman
geweest? Hebt gij het volk niet opgestookt om gewapend er naartoe
te gaan? Hebt gij de bevelen der gouvernante en des markgraven niet
verijdeld door uwen tegenstand? Onder wiens bescherming lasteren de
ketters onzen godsdienst? Onder wiens bescherming gaan zij voort in hunne
aanslagen? Onder de uwe, mijne heeren! Zoo versta ik de liefde tot mijn
vaderland niet. Voor mij, ik denk dat de godsdienst deel maakt van de
erfenis onzer vaderen, en dat hij, zoowel als de vrijheid, onafscheidbaar
van onzen geboortegrond is. Ik ben overtuigd, dat het oude geloof de
steun en de schutsengel van Nederland moet blijven, en wie anders denkt,
is mij een vijand!...”
Eenigen der Geuzen stonden verbaasd en sprakeloos; de meesten nogtans
luisterden met geklemde tanden en met eene uitdrukking van misprijzen.
“De wind is wat spoedig gekeerd!” riep Van der Voort, “gisteren Geus,
heden Paapsch!”
“Neen, neen,” riep Lodewijk, “ik ben nooit veranderd. Ik heb gezworen met
u tegen de Spanjaarden samen te spannen; dit was onder de voorwaarde, dat
men niets van mij tegen den godsdienst vergen zou, en ik hadde hem niet
gedaan dien eed, die mij zoo zwaar op het hart gelegen heeft, ware het
niet geweest om aan de begeerte van Godmaert te voldoen. Gij zijt het,
mijne heeren, die veranderd zijt; gij hebt het geloof uwer voorvaderen
verzaakt om eene nieuwe gezindheid aan te kleven.”
“Dit is niet waar,” viel Van Halen hem in de rede. “Ik ben getrouw aan
den godsdienst.”
“Wat zult gij morgen dan doen?” vroeg de jonkheer.
“Morgen,” antwoordde Van Halen, Lodewijks hand drukkende, “morgen zal ik
aan uwe zijde staan, en ik zal strijden met u tegen de scheurders.”
Een algemeene schreeuw van verontwaardiging ging op onder de Geuzen:
“Nog een lafaard! nog een verrader! Gebannen, de dwepers! Weg met de
Spaanschgezinden! De deur uit!”
De geheele vergadering stond in rep en roer. Dolken werden
vooruitgebracht, en men ging de bedreiging van “de deur uit!” werkstellig
maken, wanneer moeder Schrikkel, vol benauwdheid en met de armen
opgeheven, binnen de zaal kwam geloopen en huilde:
“Gauw, gauw, mijne heeren, vlucht weg! op den zolder, in de goot, — in
den kelder! De wacht is dáár, — het huis is omringd van gewapende mannen!
Gauw, gauw!”
De Geuzen wierpen eenen gloeienden blik op Lodewijk, alsof zij hem nu van
een waar verraad beschuldigden; geen van hen deed wat moeder Schrikkel
zoo angstig aangeraden had. Integendeel, zij schaarden zich allen in een
halfrond, bereidden hunne pistolen, trokken hunne degens of dolken, en
bleven staan met het voornemen om zich dapper te verweren.
De deur der kamer ging open. Een man van uitnemende lengte en sterkte
trad binnen. Zware knevels daalden hem langs de wangen, wapenen van
allerhanden aard hingen aan zijnen gordel.
“Wolfangh!” riepen de Geuzen verbaasd uit, terwijl zij hunne degens en
dolken weder instaken.
“Heeren,” sprak Wolfangh, zijnen hoed afnemende, “wat is dit? waartoe die
krijgsorde?... Komt op dan!” riep hij, zich naar de trappen keerende,
“komt op, mannen!”
Een twintigtal roovers drongen de zaal in en bevonden zich te midden der
Geuzen, die zich met afkeer van hen verwijderden.
De lastige stappen van menschen, welke iets zwaars geladen hadden, deden
zich nog op de trap hooren.
“Wat brengt gij ons dan, Wolfangh?” vroeg Lodewijk.
“Wat ik u breng, jonkheer? — Godmaert.”
“Godmaert!!” riepen allen met verwondering.
Vier mannen droegen den grijzen Geus op een vederen bed, en plaatsten hem
zachtjes op den vloer neder.
“Vrienden!” sprak hij, “het verheugt mij, dat ik u nogmaals wederzie. Wie
wil mij de hand drukken?”
Lodewijk had deze reeds vast en kuste ze met liefde. De Geuzen kwamen, de
een na den ander, den grijsaard met medelijden in hunne armen drukken.
Allen stonden stilzwijgend en met verbaasde blikken op hem te staren.
“Wolfangh,” vroeg Schuermans, “hoe hebt gij toch onzen meester verlost?”
“Heeren,” antwoordde de roover, “dit heeft weinig moeite gekost. Ik
had het gisteren al in den zin, en wilde u eene aangename verrassing
toebrengen. Ik dacht nogtans, dat wij Godmaert in eenen beteren toestand
zouden gevonden hebben.... Nu dan, ik kwam met mijne makkers zachtjes
aan het Steen. Wie is daar?” riep een schutter, die met vele anderen bij
de poort stond. “Wolfangh!” antwoordde ik met eene donderende stem; en
eer ik bij het Steen naderde, waren zij allen de Palingbrug over en den
Vischberg afgeloopen. De Steenwarer wilde niet opendoen, doch wanneer
hij de poort onder de slagen onzer voorhamers en onder het geweld onzer
hefboomen zag waggelen, liet hij ons ras binnen en smeekte om zijn leven.
Wij gingen dan, door hem vergezeld, tot in de moordenaarsputten, waar wij
Godmaert vonden liggen. Voorts hebben wij den edelen gevangene van zijn
stroo opgelicht en, het bed van den Steenwarer tot draagbaar nemende,
hebben wij hem op zijne vraag tot hier gebracht.”
Wolfangh keerde zich naar Lodewijk en vroeg met stille stem:
“Jonkheer, hoe heet de priester, die bij Godmaert was?”
“Pater Franciscus uit het Predikheerenklooster.”
De roover bracht den vinger aan zijn voorhoofd, als iemand, die een woord
in zijne hersens wil drukken om het niet te vergeten.
“Oh, wist de dochter van Godmaert, dat haar vader uit de gevangenis
geraakt is, wat vreugde zou het haar zijn!....” zuchtte Lodewijk.
“Pater Franciscus heeft zich met deze boodschap belast,” antwoordde
Wolfangh. “Mannen!” ging hij voort zich tot zijne makkers keerende,
“ieder ga naar zijne legerplaats. Morgen te acht uren! Gij blijft hier,”
sprak hij tot de vier, die het bed gedragen hadden.
De roovers ruimden de zaal en, na de Geuzen Godmaert vele teekens van
vriendschap en medelijden gegeven hadden, werd er gevraagd of men
beginnen zou. De stoelen werden binnengebracht en zoo wel geplaatst, dat
allen zich om den grijsaard konden nederzetten. Deze, door de rust en het
bijzijn zijner vrienden een weinig krachtiger geworden, kon zijne armen
reeds verroeren, en Lodewijk bemerkte met uiterste blijdschap, dat de
dood hem niet treffen zou. Zijn hart vloog naar zijne beminde Geertruid.
Nijdig was hij, dat dit nieuws haar door een ander was gedragen geworden.
“Mijne heeren,” sprak Godmaert, na met een teeken der hand de
stilzwijgendheid gevorderd te hebben, “ik heb mij naar deze vergadering
doen brengen, om met u te beraadslagen over hetgeen er moet gedaan
worden. Hebt gij reeds over de zaak gehandeld?”
Houtappel bezag Lodewijk met eene spottende uitdrukking en kwam vooruit
tot bij Godmaert, dan sprak hij:
“Morgen zullen wij om acht uren ons op de Groote Markt bevinden. Dit is
vastgesteld. Het volk zullen wij door den kreet: Leven de Geuzen! tot
woelen opmaken; het sermoen van Herman in de hoofdkerk zal eene groote
beroerte in de stad verwekken; wij zullen deze ten onzen voordeele
wenden. Dan naar het stadhuis; alwat Spaansch of Spaanschgezind is,
gevangen; de stad met gewapende mannen bezet, en onzen vrienden van
Brussel en van de Noordergewesten kennis gegeven van den goeden uitslag.
Dan nieuwe wethouders benoemd, het volk uitgezonden om de steden en
vlekken van het markgraafschap te doorloopen en de Spanjaarden overal te
verdrijven. Ik ben zeker, dat dit ontwerp uwe goedkeuring zal bekomen.”
Godmaert bleef een oogenblik in diep gepeins. Terwijl wachtten de Geuzen
op een antwoord, alhoewel zij niet twijfelden of de oude krijgsman zou
hunne onderneming toejuichen.
Maar hoe stonden zij verslagen, wanneer Godmaert hun zeide:
“Neen, ik kan dit ontwerp niet goedkeuren. De tijd is niet gekomen. Wij
mogen nu tegen de Spanjaarden niet strijden.”
“Hij ook!” riep Houtappel, als vervoerd door razenden toorn. “Welaan,
broederen, wij zijn verraden, maar niet geleverd. Laat ons, zonder die
lafaards langer te kennen, ons werk voortzetten. Zij mogen alleen met de
Spanjaarden, nonnen en papen naar den hemel gaan!”
Die scherts ontroerde Godmaert; een lichte gloed van gramschap kleurde
zijn bleek voorhoofd, en hij sprak met een streng gelaat:
“Dank moogt gij zeggen, Houtappel, dat mijn lichaam door lijden uitgeput
is, of ik zou uwe goddelooze spotternij op uwen mond doen sterven. Stil,
Lodewijk, word bedaard, mijn zoon.”
Houtappel dorst den grijsaard niet meer hoonen, en ging voort met
tusschen zijne makkers in stilte de verwijtingen en den haat uit te
strooien.
“Ha, nu begrijp ik het!” sprak Godmaert in zich zelven, “nu ken ik u. —
Het is waar, wat pater Franciscus mij zeide: er zijn ketters onder ons. —
Mijne heeren,” ging hij met meer kracht voort, “aan u, die mijne vrienden
zijt, ben ik de uitlegging van mijn gedrag verschuldigd. Wij haten
altemaal de Spanjaarden, eenigen om persoonlijke redenen, allen omdat
zij vreemdelingen zijn en ons hoonen. Ik heb veel bijgebracht om dien
haat onder u aan te stoken; doch nu betreur ik het.... Mijne oogen zijn
opengegaan, en ik heb met pijn bevonden, dat al onze pogingen, zonder dat
ik en velen onder ons het wisten, tegen onzen godsdienst gericht waren.
Dan, hoe vurig ook mijn haat tegen de Spanjaarden zij, nimmer zal ik met
de vijanden van mijn geloof samenspannen.”
“Wat heeft de biecht gemeens met de omwenteling van morgen?” schreeuwde
Houtappel van uit eenen hoek der kamer.
“Wat zij er mede gemeens heeft, weet gij best,” hernam Godmaert. “Gij
weet, dat Herman Stuyck en zijne aanhangers de kerk van Onze Lieve Vrouw
willen ontheiligen: gij weet, dat de scheurders eene gelegenheid zoeken
om al onze tempels te verwoesten en de beelden te breken; en gij hoopt,
dat de beroerten van morgen die gelegenheid van zelf zullen doen geboren
worden. Ik beklaag mij, dat ik machteloos ben.... want anders zou ik u
misschien kunnen ontmoeten en bestrijden, in uwe goddelooze aanvallen.
En gij, mijne vrienden, die mij altijd met achting aangehoord hebt, ik
bezweer u, helpt de ketters niet; stelt de omwenteling uit. Verlaat de
zijde dergenen, die zich niet schamen, in deze vergadering zelve met
spotternij te spreken van voor ons heilige zaken.”
Eene merkbare scheuring was er onder de Geuzen gebeurd. In het diepe
der kamer, rond Houtappel en Van der Voort, stonden die, welke van geen
uitstel wilden hooren. Omtrent Godmaert bevonden zich Lodewijk, Van
Halen, De Eydt en bijna de eene helft der Geuzen. Schuermans liep over en
weer, en wist niet bij wat gedeelte hij zich voegen zou, terwijl Wolfangh
zich als een vreemdeling in deze onderhandeling gedroeg.
Nadat Houtappel met eenigen zijner makkers gesproken had, kwam hij in het
midden der kamer staan, als iemand, die eene uitdaging gaat doen, en, de
hand in de hoogte heffende, riep hij:
“Wij scheiden ons af van de bevreesden! Al wie den naam van Geus
liefheeft, al wie met ons tegen de Spanjaarden strijden wil, dat hij
ons volge.... Wij gaan in eene andere plaats onze beraadslagingen
voortzetten! Verraders mogen ons niet hooren!”
Omtrent de helft gingen de deur uit en verlieten vloekend de kamer.
Houtappel vond zich niet weinig bedrogen, wanneer hij zag, dat Wolfangh
geene beweging deed om met hem te gaan.
“Kom aan, Wolfangh,” riep hij. “Wat kont gij bij deze vreedzame menschen
doen? Gij behoort er bij als een hond in een kegelspel!”
De roover sloeg zijne hand aan een pistool en wilde Houtappel die scherts
met het leven doen betalen; maar Lodewijk belette hem dit met een teeken.
“Gij zijt gelukkig,” riep Wolfangh. “Ga, ik heb met u niets gemeens, en
laat mij met vrede, of ik zal u leeren spotten!”
Houtappel ging morrend de trappen af. Er bleef dan in de kamer nog één
Geus, die niet wist wat hij doen zou; hij sloeg zich met de handen tegen
het hoofd om een besluit er uit te krijgen; eindelijk riep hij:
“Zult gijlieden morgen niet vechten?”
“Ja, Schuermans,” antwoordde Van Halen, “tegen de ketters zullen wij
strijden.”
“Ha, dan blijf ik nog liever met u.”
“Ik versta de vreeze van den edelen Godmaert zeer wel,” sprak De Rydt.
“Die vervloekte predikers hebben den haat van een deel des volks tot
hun voordeel gekeerd en hen tot beeldenstormen opgemaakt. Daar zij in ’t
eerst, evenals wij, de Spanjaarden alleen als vijanden aanzagen, hebben
die aanbrengers eener nieuwe leer het volk haat voor den godsdienst
ingeboezemd, en nu denkt het, dat beelden en Spanjaarden één zijn.”
“Ik heb gehoord,” sprak Van Halen, “dat zij morgen iets tegen
Onze-Lieve-Vrouwekerk willen ondernemen. Zij spreken niet meer dan van
branden en verwoesten. Hoe gaan wij die heiligschenderij beletten?”
“Ik heb twintig uitgelezene mannen,” zei Wolfangh; “dezen zullen uwe
bevelen stiptelijk ten uitvoer brengen.”
“Meester,” viel een der vier roovers hem in de rede, “zoo wij niets
stelen mogen, zullen die heeren Geuzen hunne beloften ook moeten
volbrengen, of....”
“Zwijg, kerel!” riep Wolfangh.
De roover zweeg en gaf zijne wezenstrekken eene zeer wantrouwende
uitdrukking. Vele Geuzen waren over zijne woorden verbaasd; want zij
wisten niets van deze beloften. Godmaert alleen kende ze, mits hij ze
gedaan had.
“Onze zaak,” sprak de zieke, “is te edel en te verheven geworden om nog
betaalde mannen er toe te gebruiken. Ik zal u het beloofde loon doen
geven. Maar van nu af aan zijt gij ontbonden. Keert terug naar Zoersel,
indien gij wilt.”
“Zij zullen blijven!” riep Wolfangh met een bliksemenden oogslag. “Ik zal
hen dwingen tot goeddoen.... Geen woord meer, kerel!”
De roover sloeg zijne oogen nederwaarts voor de bedreiging van zijnen
meester.
“Luistert, mijne heeren,” hernam Godmaert. “Ziet hier wat gij zoudt
kunnen doen: er zijn nog genoeg getrouwe burgers in onze stad; wij kennen
er veel, die tegen de ketters zijn. Roept die morgen bij elkander, en
gebruikt hen om alle beroerte te beletten en de kerken te beschutten. Dat
Schuermans het volk van het Klapdorp met zich brenge, De Rydt, gij de
trouwe burgers der Nieuwstad, Lodewijk, onze vrienden van het Kipdorp,
Van Halen, de bootsliên van den Burcht, enzoovoorts, ieder van ulieden
degenen, die hem toegedaan zijn. Gij zult u dan morgen op de Groote Markt
bevinden en de wapenbroeders helpen, indien het noodig is. Op de plaats
zelve zult gij misschien betere maatregelen uitvinden. Alles zal wel
gaan.”
Godmaert had tweemaal eenen schotel wijn tot den bodem geledigd, en
dit had hem wonderlijk versterkt, want zijne wangen waren reeds zacht
gekleurd. Lodewijk zag met opgetogenheid den verbeterden staat des
grijsaards: hij verliet hem geen oogenblik en scheen ten uiterste voor
hem bezorgd; op het minste teeken vloog hij Godmaerts wenschen vooruit,
lichtte zijn hoofd op, dekte zijne ledematen of reikte hem het drinkvat,
om zijnen vrienden bescheid te doen.
Nu hoorde men de voordeur opengaan, en het gerucht van een krijschend
zijden kleedsel deed zich op de trap hooren. Na eenige oogenblikken lag
Geertruid op de borst haars vaders te weenen, niet van droefheid, maar
van verrukking en blijdschap.
“Vader, vader!” riep zij, “ziet gij wel, dat gij genezen zult? O, gij
bloost reeds! En uwe armen kunnen zich om mijnen hals drukken, laat mij u
kussen; gij weet wel, dat de zoenen uwer dochter warm en krachtig zijn.
Vader, lieve vader, gij lacht mij toe!...”
En hare handen lagen plat op des grijsaards wangen. Deze genoot met
verrukking de liefde zijner dochter.
“Lief kind!” zuchtte hij, “gij zijt mij een zegen des hemels!”
Hij knelde haar met teederheid op zijne borat.
De omstanders schouwden in godsdienstig stilzwijgen op dit tooneel.
Schuermans en vele anderen leekten warme tranen van de wangen. Wolfangh,
die nu de belooning eener weldaad smaakte, had zijne oogen met de handen
bedekt en stond in eenen hoek der zaal geweken. Lodewijk, die geenen
enkelen oogwenk van zijne Geertruid ontvangen had, was half treurig; doch
die aandoening was kort, want Geertruid vatte hem de hand en drukte ze
teederlijk. De jongeling verstond het meisje; een heldere glimlach rees
over zijn gelaat.
“Wolfangh, waar zijt gij?” riep Geertruid, de kamer rondziende. “Ha, daar
zijt gij, verlosser mijns vaders! Dank moet gij hebben; — ik zal voor u
bidden....”
De oogen des roovers blonken van ontroering.
“Ik ben uwe erkentenis onwaardig, edele jonkvrouw,” sprak hij. “Niettemin
acht ik mij gelukkig, iets te hebben kunnen doen, dat u aangenaam is. Uwe
blijdschap is mij eene zoete belooning.”
“Heer Wolfangh,” hernam Geertruid met eene droeve, doch vriendelijke
uitdrukking, “O, het spijt mij, dat een moedig mensch als gij....”
“Ik versta u, jonkvrouw,” antwoordde de roover, “maar alle hoop is niet
verloren.... Gedenk mijner in uwe gebeden.”
Terwijl Geertruid voortging met Wolfangh te spreken, stond de oude
Theresia, die met de jonkvrouw was binnengekomen, bij haren grijzen
meester te weenen. Duizend uitroepingen kwamen haar uit den mond, en
zij vervulde de kamer met droefheidsgillen; want zij zag hem voor de
eerste maal en kon des meisjes blijdschap niet begrijpen. Had zij hem zoo
nabij het graf gezien als zijne dochter, zij zou zeker ook wel verheugd
zijn geweest. Op Lodewijks bevel zweeg zij, doch weende voort met doffe
snikken.
“Vader,” sprak Geertruid, “laat mij u in onze woning brengen, opdat gij
rusten moget en morgen welgemoed onder mijne zoenen ontwaket.”
“Heeren,” riep Godmaert, “ik verlaat u. Maakt, dat de dag van morgen
geene gruwelen zie.... Komt, uwe hand nog eens gedrukt, mijne vrienden,
en blijft met God!”
Allen kwamen hem beurtelings de hand drukken en een eerbiedig vaarwel
zeggen.
Wolfangh deed de draagbaar naderen.
“Mannen,” sprak hij tot zijne makkers, “dat men den edelen Godmaert naar
zijne woning drage! Gij allen zult bij het huis blijven waken en mij op
uw leven voor al wat hem geschieden kan, verantwoorden.”
“Ik dank u, heer Wolfangh,” zei Geertruid, zich voor hem buigende.
De grijsaard werd voorzichtig door de vier roovers opgelicht en verliet
de zaal onder het gejuich zijner vrienden.
“Lodewijk, als gezegd is, heden te acht uren!” riep Schuurmans.
In min dan een oogenblik was de kamer ledig; de stappen der heengaande
personen weergalmden op de trappen, en de voordeur werd achter hen
gesloten.
“Jezus, Jezus! wat zal er vandaag nog gebeuren!” zuchtte moeder Schrikkel.
En zij schoof den laatsten grendel toe.