Denzelfden dag dat Lodewijk zijne reis begonnen had, en, door
liefdedroomen langs de baan vergezeld, aan zijne Geertruid dacht, ging er
in Godmaerts woning iets om, waarvan de kennis aan onzen jonker menigen
bitteren traan moest kosten.
Het was juist twee uren na middag, Godmaert en zijne dochter zaten rustig
over onverschillige onderwerpen te spreken.
“Maar, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “die Spanjaard heeft immers
de macht niet om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen?”
“Welke bedreigingen, mijne dochter?” vroeg de Geus verbaasd.
“De dienstboden hebben mij gezegd, dat Valdès u de gevangenis heeft
toegezeid. Wist gij dat niet?”
“De gevangenis!” zuchtte hij, “de gevangenis!”
Een sombere angst betrok zijn gelaat. Hij vatte de hand zijner dochter en
drukte ze met liefde.
“Geertruid,” hernam hij mistroostig, “ja, de Spanjaard is een rijk en
arglistig man. Zeg mij, zoo het lot u eenmaal van uwen ouden vader
scheidde, zoudt gij dan dien hartbrekenden slag wel kunnen verdragen?”
“Maar, vader,” antwoordde het treurig meisje, “gij hebt immers geene
misdaad begaan? De rechters zouden uwe onschuld weldra erkennen en niet
lijden, dat men u in de gevangenis brengen zou?”
“Kind,” sprak Godmaert, “gij kent de wereld niet. Voorwaar, ik zeg u,
het is zeer mogelijk, dat men mij uit mijne woning rukke. Alhoewel wij
aan een loffelijk werk arbeiden, zijn wij niettemin strafbaar volgens de
bestaande wetten, want wij werpen ons op tegen den heerschenden koning.
Voor mij vrees ik niet, maar voor u, zwakke spruit, die reeds zoovele
tranen over het lijden uws vaders gestort hebt.”
Nu drukte hij weder hare zachte handen, en haar stijf in de oogen ziende:
“Zoo gij dáár,” sprak hij, op de deur wijzende, “eenen hoop soldaten
met bloote degens zaagt komen, zoo gij hen met uwen grijzen vader zaagt
weggaan; zeg mij, zoudt gij dan op mijne bede stil en gerust de uitkomst,
gelukkig of ongelukkig, afwachten zonder mij door uwe tranen het lot nog
bitterder te maken? — Geertruid, gij antwoordt mij niet?”
“Ja, ja, vader,” schreide deze, “ik zal u niet verlaten, en u door mijne
liefde troosten!....”
“Maar zoo gij mij niet volgen moogt, en dat een onbepaald vaarwel
tusschen ons beiden moet uitgesproken worden?”
Heete tranen en pijnlijke snikken waren alleen des meisjes antwoord.
“Geertruid,” sprak de grijsaard, haar kussende, “wees moedig en houd u
sterk.”
“Neen, neen,” schreide zij, “het lot zal ons zoo hard niet drukken.”
“God geve, dat gij de waarheid zegget,” antwoordde de Geus twijfelachtig.
Hij klopte met zijne vuist sterk op de tafel. De oude Theresia kwam op
het gerucht binnen.
“Theresia,” sprak Godmaert haar toe, “luister naar mijne bevelen. Ik ken
de liefde, die gij mijne dochter toedraagt. Gij hebt haar lang tot moeder
verstrekt. Misschien zal heden of morgen alles in vuur en vlam staan,
en de straten van Antwerpen zullen misschien met bloed geverfd worden.
Dan zal ik mijne vrienden niet verlaten en mijn leven, hoe dierbaar het
ook zij, voor vaderland en eer in de waagschaal stellen. Mijne Geertruid
beveel ik in uwe handen. Van nu af zult gij haar niet verlaten; want de
wolken drijven ons steeds onstuimig boven het hoofd.”
Op eens vloog een snijdende schreeuw uit Geertruids borst.
“Och, God! daar zijn ze!” riep zij angstig.
Eene menigte verwarde stemmen deden zich in den doorgang hooren.
“Kom hier, mijn kind,” sprak Godmaert, “kom hier, dat ik u omhelze. Ween
zoo bitter niet. God zal mij voor ongeluk bewaren!”
Het meisje huilde jammerlijk. Op Godmaerts bevel werd zij door Theresia
met geweld uit de kamer geleid.
“Geertruid,” riep de vader, “misschien bedriegt gij u!”
Doch Geertruid zag de soldaten in het voorbijgaan, en lang weergalmde
hare kleine kamer van hare klachten, totdat zij, zwak en afgemat, in
diepen weemoed sprakeloos lag verzonken.
De hoofdman naderde den Geus en las hem een bevel van den markgraaf voor,
volgens hetwelk hij als staatsgevangene in het Steen moest gebracht
worden. De grijsaard wierp zich den mantel over de schouders en volgde
den hoofdman met onderwerping, zonder zich eenigszins over zijn lot
te beklagen. Bij de deur stonden twintig wapenbroeders, om hem te
geleiden, en eene menigte volks, die nieuwsgierig wachtte om te zien,
wie de gevangene zijn mocht. Zoodra zij Godmaert ontwaarden en zijn
droevig gelaat onder zijne grijze haren zagen uitschijnen, steeg een
schreeuw van verlossing en wraak uit alle monden, doch de wapenbroeders
wederhielden deze wolk van ongewapende menschen, en brachten den Geus
zonder bloedstorten tot aan het Steen. Hier zag deze den wreeden Valdès
bij de poort staan. Gelukkig dat Godmaert geene wapens bij zich had, of
de Spanjaard hadde zijnen spottenden grimlach met den dood geboet.
De gevangene werd in eenen diepen en duisteren kelder gebracht, en na
hem de middel met eenen ijzeren gordel omsingeld en deze in den muur
vastgemaakt was, werd hem een stuk brood en water voorgezet, en de zware
deur met gekraak op hem toegegrendeld.
Dáár zat nu die droeve vader in eenen duisteren kerker, geboeid, op een
weinig vochtig stroo te zuchten. Voor zich zelven was hij niet bekommerd,
mits hij zijn eigen lot nog niet eens berekend had, doch de tranen zijner
lieve Geertruid en het afwezen van dit dierbaar meisje, dat als eenig
kind hem zoo nauw aan ’t harte lag, waren al te zware slagen om niet
onder hun geweld te bukken. Ook zakte hij wanhopig op zijn stroo neder.
Een vloek van wraak ging op uit zijnen mond, en de zwaar overwelfde muren
herhaalden de woorden: Valdès en verrader, met een naar en dof geluid.
Terwijl de grijze vader dus angstig aan zijn kind dacht, was Geertruid,
door wanhoop en bittere pijn uitgeput, in een stoel nedergezakt.
Ongeloovig was zij aan dit voorval. Zulk ongeluk scheen haar al te
groot, en menigmaal vroeg zij twijfelend, of het wel waar was, dat haar
oude vader van soldaten was weggevoerd. Wanneer de dienstbode haar
dan een bevestigend antwoord gaf, stroomden hare tranen harder dan te
voren. Jammerlijke klachten en wanhopige gebaren vermoeiden haar telkens
zoodanig dat zij meer dan eens, afgemat en uitgeweend, zich op den stoel
liet nedervallen.
“Lieve Theresia,” schreide zij, “loop naar pater Franciscus hij alleen
kan nog onze engelbewaarder zijn.”
“Maar gij vergeet, jonkvrouw, dat pater Franciscus met den abt van St.
Bernards vertrokken is?”
“O wee, het is waar! Raad mij dan, wat ik doen moet om mijnen vader te
zien. O, raad mij! weet gij geen middel, zeg?”
“Anders geen, jonkvrouw,” antwoordde de dienstbode, “dan den Steenwarer
door woorden of werken pogen te bewegen, dat is te zeggen door gebeden of
geld.”
“Kom aan,” riep Geertruid, “geld heb ik, en woorden zullen mij niet
ontbreken. Door liefde en bittere smart ingegeven, zal ik den Steenwarer
wel tot medelijden brengen.”
“Gij weet niet, jonkvrouw, hoe ongevoelig een gevangenbewaarder is. En
zoo het geld op hem niet werkt, is er weinig hoop over.”
“Kom aan! kom aan!” smeekte het bedrukte meisje vuriger, “al hadde hij
een steenen hart, hij zou immers voor mijne roodbetraande oogen en mijne
krachtige bede moeten wijken.”
“Ik wil gaarne met u uitgaan, om te zien, of wij uwen ongelukkigen vader
troosten mogen; maar houd u ingetogen, en wees voorzichtig in uwe smart.
Laat mij ook eerst uwe kleederen wat opschikken.”
Nu kreeg Geertruid met haast hare zwarte zijden huik op het hoofd; en
daar zij onrustig heen en weer door de kamer stapte, alsof zij daardoor
haren weg vervorderde, vatte Theresia eene harer handen en zij begaven
zich te zamen op weg.
Na vele hoopen menschen, waarvan de een met medelijden, de ander met
koude nieuwsgierigheid ’s meisjes droefheid aanzag, doorgedrongen te
hebben, kwamen zij eindelijk bij de zwaarbemuurde gevangenis.
“Is mijn vader hier op het Steen?” vroeg Geertruid angstig.
“Ik geloof het vast,” antwoordde de oude Theresia. “Kom, Geertruid, schep
moed. Ik zal kloppen.”
De deur draaide welhaast schreeuwend op hare hengels. Zij werden in de
kleine kamer van den Steenwarer binnengelaten.
“Wat verlangt gij, edele jonkvrouw?” vroeg hij, zich voor Geertruid
buigende.
“Is mijn vader hier?”
“Zoo Godmaert uw vader is, jonkvrouw.”
“Ja, ja, Godmaert. Gij zult gevoelig zijn voor mijne droefheid, en zeker
mij mijnen grijzen vader voor een oogenblik laten troosten. O, weiger mij
niet! Neen, weiger mij niet, ik bid u. Zoo gij ook kinderen hebt, kunt
gij licht bedenken, welken hartdruk ik gevoel. Laat mij de stem mijns
vaders hooren; ik zal u mildelijk beloonen.”
“Jonkvrouw,” antwoordde hij treurig, “het is nog geen half uur geleden,
dat Signor Valdès mij een schriftelijk bevel van den markgraaf heeft doen
geven, om den gevangen Godmaert alle onderhandelingen met zijne vrienden
te beletten. Het drukt mij evenzeer, dat ik uwe vraag niet kan toestaan.”
Nu smolt de weemoedige Geertruid opnieuw in bittere tranen, en, des
Steenwarers ruwe hand in de hare smeekend drukkende:
“Ik bid u,” schreide zij, “ik bid u, heb medelijden met een kind, dat
aan zijnen vader wreedelijk ontrukt is. O, wees niet ongevoelig! Laat u
mijn bitter schreien door het hart gaan. Gij zijt immers ook een mensch,
en niet van gevoel beroofd: gij kunt immers mijne tranen niet zonder
medelijden aanzien? Och, laat mij toch bij mijnen vader, of ik verlaat u
niet, en zal zoolang weenen, totdat gij zelf, om van mijne lastige bede
ontslagen te zijn, mij in de gevangenis mijns vaders brengen zult.”
“Och ja, mijnheer,” sprak Theresia, “laat ze toch bij hare vader, of zij
sterft nog van angst.”
Nu klonken de sleutels, die aan des Steenwarers gordel hingen, de twee
smeekende vrouwen, denkende dat hij hunne vraag ging toestaan, sloegen
de handen van blijdschap en opgetogenheid te zamen, en woorden van
dankbaarheid ontvielen reeds hunnen mond, wanneer de gevangenbewaarder,
die achteruit was gegaan, om eenen traan van zijne wangen te vagen, haar
opnieuw naderde.
“Vrouwen,” sprak hij, “uw lijden heeft mij eenen traan uit de oogen
geperst. Dit is een teeken, dat ik ten uiterste in uwe droefheid deel,
doch, daar plicht mij dwingt, kan ik u niet troosten. Denkt niet, dat gij
mij door weenen kunt verbidden. Neen, ik heb lang genoeg droefheid en
bitter lijden gezien, om voor uwe tranen niet meer te zwichten. Derhalve
zeg ik u, dat geen middel, welk het ook zij, mij mijnen plicht kan doen
vergeten. Ik ben een gevangenbewaarder. Vraagt wat een gevangenbewaarder
is, en iedereen zal u antwoorden: een tijger, en dit is ook zóó. Dit moet
zoo zijn.”
Hij liet bij deze woorden de neerslachtige vrouwen staan huilen, en ging
weg.
“Wreedaard!” zuchtte Geertruid, “hoe koud is hij voor onze droefheid.
Theresia, gij hadt gelijk, een gevangenbewaarder is geen mensch. Kom aan,
ik zal bij onze vrienden om hulp zoeken.”
Zij vertrokken met meer droefheid dan zij gekomen waren.
Geertruids eerste gedachte viel op den goeden Schuermans, dien
edelmoedigen, doch armen Geus. Zij wendden zich met haastige stappen naar
het Klapdorp. Dáár werd de deur van een oud vervallen huis voor haar
geopend.
“Och, Schuermans!” riep Geertruid, “weet gij wat mijnen vader gebeurd is?”
“Ja, jonkvrouw,” antwoordde de Geus, haar binnenlatende, “ik weet alles.
Zwijg, ween niet; want ik kan uwe tranen niet zonder lijden aanzien. De
verrader Valdès heeft dit alles bewerkt. Ik heb mijnen dolk reeds gewet,
daar denkt hij niet aan!”
“Schuermans,” sprak het meisje, “om Gods wil, zeg mij, weet gij geen
middel om mij bij mijnen vader te brengen?”
“Geen,” was het antwoord, “ik heb zelf bij de gevangenis een uur lang
gesmeekt, doch zij zijn onverbiddelijk.”
“Zoek nog eens in uw hoofd of er niet de minste hoop overblijft. Gij,
mannen, weet beter dan wij, wat er te doen staat.”