“Arme dochter!” zuchtte hij, en na een oogenblik de hand op het voorhoofd
gehouden te hebben, hief hij wanhopig de schouders op. “Neen, Geertruid,”
hernam hij, “ik weet geen enkel middel. Ik raad u, ongelukkig meisje, te
huis in uwe kamer den uitslag dezer zaak, zonder meer te weenen, af te
wachten. Ik zal zelf bij alle vrienden gaan, en zoo ik eenige verzachting
in uw lijden kan brengen, zal ik mij met haast naar uwe woning begeven. —
Waar is Lodewijk Van Halmale?” vroeg hij.
“Lodewijk is weg,” antwoordde zij. “Oh! ware Lodewijk hier, ik zou weldra
mijnen vader zien.”
“Waar is hij dan naartoe?”
“Naar Zoersel, om Wolfangh op te zoeken.”
“Oh ja! hij zal toch morgen, bij dageraad, hier zijn. Kom, Geertruid,
stil uw gemoed. Die bittere tranen zullen uw lot niet verzachten. Denk,
dat warme vrienden uws vaders leven angstig bewaken. Vaarwel, lieve
jonkvrouw. Ik zal moeite doen om uw leed in vreugde te doen veranderen.”
Nu vertrokken de twee vrouwen zonder vertroosting. Zij kwamen ten
uiterste bedrukt in hunne woning terug.
“Wat gaan wij nu doen?” riep Geertruid, zich wanhopig op eenen stoel
werpende.
“Geduld hebben en op God betrouwen,” antwoordde de goede vrouw. “Gij ziet
immers wel, lieve Geertruid, zooals Schuermans zegt, dat ons de tranen
weinig helpen. Laat ons dan niet meer weenen en Lodewijks komst op goeder
hoop afwachten.”
“Weenen!” zuchtte Geertruid, “ik kan toch niet meer weenen, mijne oogen
branden, en bitter hartzeer alleen blijft mij over. Hoe rampzalig ben ik
toch, lieve Theresia. Ik heb immers dit drukkend lot niet verdiend? Ik,
die zoo nauwkeurig mijne plichten jegens God en de menschen gekweten heb?”
“Geertruid, Geertruid! Wilt gij den Almachtige, den eenigen troost, die u
op aarde overblijft, op u verbitteren, en door gemor uw lijden verdienen?”
Zij wees met ernstigen toon op de knielbank.
“Jonkvrouw,” sprak zij, “gij hebt gezondigd!....”
Het meisje boog zich gehoorzaam voor het kruis neder en bleef lang, zeer
lang in het gebed. De oude vrouw, die wel wist, dat zij meer troost in
bidden dan in klagen vinden kon, liet haar zonder stoornis zitten en
volgde stilzwijgend hare kniebuiging na.
De zon nu reeds lang onder de kim gedoken zijnde, waren de Antwerpsche
straten in duisternis gedompeld, wanneer de jonge Geertruid, van de
knielbank opstaande en in tranen uitbarstende, zich aan den hals van
Theresia wierp.
“Ik heb niet gebeden!” schreide zij, “ik heb niet eens aan God gedacht.
Ik ben eene schuldige zondares!....”
“Aan wien hebt gij dan gedacht?”
“Aan mijnen vader, aan Lodewijk,” riep Geertruid weenende, “en God is op
mij vergramd; want voor het kruis heb ik geenen troost gevonden.”
En de oogen stonden haar gansch verdwaald in het hoofd.
“Wel, wel! ongelukkige Geertruid, wat zult gij geworden, arm kind!”
zuchtte Theresia.
Zij drukte het half zinnelooze meisje met medelijden tegen haren boezem.
“Theresia,” riep deze, “wist ik maar wat mijn vader doet! Hij is dood.
Dit heb ik dáár op de knielbank gedroomd en geloofd; en daarom heb ik
niet gebeden.”
En zij sloeg zich van wanhoop voor de borst, en huilende liep zij de
kamer rond.
“Geertruid! wat doet gij? Gij doolt!”
Doch hare woorden stilden het meisje niet.
“Jonkvrouw!” riep zij harder, “ik herinner mij iets, dat u bij uwen vader
kan doen naderen.”
Nu kwam Geertruid ijlings tot haar geloopen.
“Spreek! lieve Theresia, spreek, wat is het?”
“Weet gij het Jan-van-Lier-straatje, hier juist achter den hoek?”
“Zeker,” antwoordde Geertruid.
“Wel, daar woont een oud grijs wijf; die kan, zoo gij den moed hebt mij
bij haar te volgen, u alles zeggen wat gij zoekt te weten. En zeker moogt
gij zijn, dat de waarheid uit haren mond spreekt.”
“Die oude gebukte vrouw, die door de geburen de tooverheks wordt
geheeten?”
“Ja, dezelfde.”
“Denkt gij, dat deze mij zeggen kan wat mijn vader doet en lijdt?”
“Ja, kind, ik zeg het met schaamte, menigmaal ben ik bij haar ten rade
geweest, en nooit heeft zij een valsch woord voor mij uitgesproken. Gij
zult zien, dat, zonder wij haar van ons ongeluk onderrichten, zij alles
van zelf zal raden.”
Zij verlieten onmiddellijk hunne woning, keerden den hoek om en bevonden
zich in het enge Jan-van-Lier-straatje.
“Wie klopt zoo laat in den nacht aan mijne deur?” werd er gevraagd.
“Moeder, doe maar open!” antwoordde Theresia, “gij kent immers uwe
buurvrouw nog wel?”
“Wacht een weinig, dat ik mijne lamp ontsteke.”
De deur werd met omzichtigheid en langzaam voor hen geopend. Na de
herkenning werden zij in een klein vertrek gelaten, waarin de lamp bij
hunne komst menigvuldige stralen zond.
Een akelige schreeuw ging uit den mond der verschrikte Geertruid op, en
zij dorst het vertrek niet binnentreden.
“Kom maar binnen, jonkvrouw,” sprak de tooveresse, “ik verzeker u, dat
gij geene reden hebt om te vreezen.”
Nu trad Geertruid bevend in de kamer en drong zich vast tegen Theresia’s
kleederen.
Het was er in wanorde en vuil; twee stoelen stonden er bij eene zware
tafel, waarop een groot boek, een moordpriem, speelkaarten en eenige
geraamten van kleine dieren lagen. Twee pikzwarte katten zaten ronkend
op de stoelen. Hunne bewegingen waren zoo ernstig en zonderling, dat het
scheen, dat deze dieren met verstand begaafd waren; zij zagen Geertruid
met stijve nieuwsgierigheid aan. Een doodshoofd, waarvan de holle oogen
en de blinkende tanden Geertruid verschrikt hadden, stond vervaarlijk op
de schouwplaat. De tooveresse was een leelijk wijf, dat honderd jaar oud
scheen; diepe rimpels lagen haar over het aangezicht, waarop hare grijze
haarlokken verward rolden. Hare gele oogen waren met ijver op de angstige
Geertruid gevestigd.
“Wat is toch de oorzaak, welke u eene arme vrouw, als ik ben, zoo laat in
den nacht doet bezoeken, edele jonkvrouw?” vroeg zij. “Wilt gij, dat ik
uw lot in de kaarten leze? Nu dan.”
En zij mengde de kaarten terdege ondereen.
Na het krakend gebeente op den vloer gelegd te hebben, spreidde zij het
spel kaarten op de tafel uit. Zij lag eenige oogenblikken in overdenking,
om, zoo goed zij kon, haar orakel aaneen te krijgen; dan, wanneer zij
dacht het gevonden te hebben, sprak zij:
“Ziet gij daar, jonkvrouw?.... Kom toch dichter bij de tafel. Wees niet
bevreesd. Ziet gij dáár, zeg ik, dien schoppenheer?”
“Ja wel,” antwoordde Geertruid.
“Nu, dit is uw vader. Het schijnt, dat hij op dit oogenblik zeer
ongelukkig is. Op de kaart zie ik zijne tranen en de knarsing zijner
tanden.”
Geertruid beefde van schrik en droefheid.
“Wacht dan, jonkvrouwe,” sprak de tooverheks, “wacht! Ziet gij daar
die twee klaveren? Dat is twee dagen lijdens. Die tien, die zich dáár
bevindt, toont aan, dat de pijn groot, onuitsprekelijk groot zal zijn.
Geduld, jonkvrouw, geduld! Het beste komt aan. Stel u gerust. Daar, ziet
gij dien ruitenheer, die daarnevens ligt? Die alleen zal uwen vader door
zijne hulp verlossen.”
“Wie is dat?” vroeg Geertruid.
“Zijnen naam weet ik niet,” was het antwoord, “maar dit weet ik, dat het
een mensch is, die veel kwaad gedaan heeft en als een dier de bosschen
bewoont.”
“Wolfangh!....” zuchtte Geertruid.
“Dáár,” ging de oude vrouw voort, “die hartenboer is een jongeling, die
u teederlijk bemint en aan u sedert dezen morgen onophoudelijk gedacht
heeft.”
“Weet hij wat mijnen vader gebeurd is?” vroeg het meisje.
“Neen, dit weet hij niet, anders zou hij in uw lijden gedeeld hebben.
Hier, nevens hem, hebt gij hartenvrouw. Zie, jonkvrouw, dit zijt gij
zelve, alles toont mij aan, dat gij eens gelukkig met hem zult zijn.
Verder zeggen de ruiten, die dáár liggen, dat er tegenwoordig veel over
uwen vader geschreven wordt, en deze klaverenheer en die boeren komen
mij als rechters voor. Vast geloof ik, dat uw vader op dit oogenblik
ondervraagd wordt. Nog iets weet ik, doch, daar het u al te pijnlijk zou
zijn dit te weten, zal ik verder niets meer zeggen.”
“Wel, nu weten wij nog maar weinig, moeder!” sprak Theresia.
“Hoe?” riep het oude wijf, “weet gij niet, dat uw leed in ’t kort zal
eindigen; en is het niet beter, dat ik de schrikkelijke zaak, die ik nog
weet, verzwijg?”
“Neen,” antwoordde Geertruid, in hare droefheid verbolgen, “zeg mij alles
wat gij weet, en ik zal u rijkelijk beloonen.”
“Wel, gij wilt het zoo, jonkvrouw? Gij hoort het, Theresia, zij wil alles
weten.”
“Nachtboden!” sprak zij, zich tot de katten keerende, “dat mijn wil
geschiede!”
En jammerlijk huilende vlogen de twee zwarte dieren in de schouw, en
verdwenen.
“Och God!” riep het verschrikte meisje, zich tegen Theresia’s borst
klemmende, “het zijn helsche geesten die hier wonen!”
“Gij hebt het gezegd,” antwoordde de tooveresse, “doch wil u daarom niet
verschrikken: er zal u niet het minste leed geschieden. Ik bid u, mij
niet in deze mijne groote werking te storen.”
Zij vatte eenen ijzeren kelk en plaatste hem op eenen vergulden
driepikkel. Een stukje purperen zijde wreef zij driemaal tegen het
doodshoofd, en, na het met zeker water bevochtigd te hebben, smeet zij
het in den beker. Eene blauwe vlam ging kronkelend in de hoogte. Zij nam
dan haar tooverboek, en, na menigmaal hare dorre handen door de vlam
gedreven te hebben, las zij grommelend op verscheidene bladen des boeks
woorden, die eenen schrikverwekkenden klank bij zich hadden. Driemaal
liep zij rondom de tafel, en riep de helsche geesten tot zich.
De katten kwamen weder huilend de schouw uit.
Het laat zich lichtelijk bedenken, hoe verschrikt het arme meisje zijn
moest; maar, dewijl ander lijden hare krachten verzwakt had, was zij nu
voor hetgeen zij zag, schier ongevoelig geworden. Theresia rilde in al
hare ledematen, doch hare nieuwsgierigheid was grooter dan hare vrees, en
daar zij menigmaal zulke dingen gezien had, vond zij sterkte genoeg om
Geertruid te ondersteunen.
“Wel,” sprak de tooverheks, ’s meisjes hand vattende, “zeg mij nu of
gij, zoo ik u de waarheid zien laat, zeg mij, zoo uw lijden er door
vergroot wordt.... zult gij dan op mij verbitterd zijn?”
“Neen, neen,” antwoordde Geertruid bevende, “ik heb u dit immers zelve
gevraagd.”
“Wilt gij dan eerst uwen minnaar zien?”
“Ja.”
“Kom dan hier, bij de schouw. Oh, gij zijt van de katten bang? —
Vertrekt!” riep zij, en de zwarte dieren liepen haastig de schouw in.
Zij vatte het doodshoofd en legde het op de tafel.
“Kom hier vóór de schouw, jonkvrouw; zie in dezen spiegel.”
En zij trok een gordijntje van voor ’t glas weg.
“Ja, zie, dáár slaapt Lodewijk,” riep Geertruid, “Theresia, kom, zie hoe
rustig hij slaapt! — Zie, een man zit bij hem zorgend te waken. Theresia,
kom dan, ziet gij zijne blonde haarlokken over het hoofdkussen niet
rijzen, en den glimlach, die over zijne lippen zweeft? — Hij droomt!....”
“Ja,” sprak het oude wijf, “hij droomt van u, jonkvrouw.”
Geertruid bleef lang op den spiegel staren. Zij vond eenigen troost in
den zoeten slaap haars beminden.
“Wel, gelijkt die jonker aan uwen verloofde?” vroeg de tooverheks.
“Ja, ja, het is hij zelf,” zeide Geertruid. “Wanneer zal ik hem
wederzien?”
“Morgen, bij zonneopgang,” was het antwoord.
Geertruid verheugde zich bij de hoop, dat zij Lodewijk haast tot troost
en hulp zou hebben.
“Wilt gij nu uwen vader zien?”
“Ja.”
“Ga dan van vóór den spiegel weg.”
Zij deed het gordijntje nedervallen.
“Jonkvrouw,” ging zij voort, “heb wat geduld, totdat het verschijnsel
zich gevormd hebbe. Eene schrikkelijke zaak zult gij zien; en wellicht
zullen uwe krachten u van angst en druk begeven.”
“Gij bedriegt u, moeder,” sprak Geertruid, “zoo ik mijnen vader levend
zie, zal ik moed genoeg hebben.”
“Wel, jonkvrouw, kom nu voor den spiegel,” sprak de tooveresse, het
gordijntje opheffende.
Geertruid had niet zoodra de oogen er op gewend, of een pijnlijke
schreeuw ontvloog haar, en zij viel zwaar en roerloos op den grond neder.
Theresia stortte bittere tranen over hare rampzalige meesteresse, en
kermde over de menigvuldige slagen, welke haar dien dag getroffen hadden.
“Dat wist ik,” zei het oude wijf. “Heb ik het niet gezegd? Doch ik zal
deze onmacht wel overwinnen.”
“Wat heeft zij dan gezien?” vroeg Theresia.
“Zie gij zelve,” sprak de tooveresse, haar voor den spiegel brengende.
Theresia week schreeuwend achteruit.
Wat zagen zij dan?.... Den grijzen Godmaert, van beulen omringd en op
eene vervaarlijke wijze gepijnigd. De uitdrukking zijner stuiptrekkende
wangen en het bloed, dat hem over het lichaam liep, hadden de harten
dezer vrouwen verbrijzeld.
“Wat ga ik nu met mijne roerlooze meesteresse doen?” vroeg Theresia
snikkend.
“Luister,” antwoordde het oude wijf, “hier heb ik een fleschken, dat
alles terecht zal maken. Na ik haar dit zal ingegeven hebben, zal de
jonkvrouw opstaan en u naar uwe woning volgen. Eene diepe vergetelheid
van het verledene zal ik over haar halen. Leg haar dan te bed, en de
stem haars minnaars zal alleen de kracht hebben om haar uit den slaap te
roepen. Ik hoop, dat, wanneer alles zal uitgevallen zijn, gelijk ik het u
voorzegd heb, gij mij dan niet vergeten zult.”
Zij goot langzaam den inhoud van het fleschken in Geertruids mond. Deze
richtte zich op en bleef stilzwijgend staan.
“Ga voor, Theresia!” sprak het oude wijf. “Wees niet voor de jonkvrouw
bevreesd, zij zal u op de hielen volgen. Vaarwel! spreek haar niet aan,
zij hoort u niet.”
En de deur werd achter de beide vrouwen gesloten.
Theresia stapte bevend voort en, angstig omziende, bemerkte zij, dat
Geertruid haar gestadig volgde. Wanneer zij nu in hunne woning terug en
bij Geertruids bed waren, liet deze zich geduldig ontkleeden. Zij was
zoodra niet gelegen, of een diepe slaap sloot hare roodbeschreide oogen.
Theresia waakte bij een klein licht, doch weldra kwam de vermoeidheid
over hare zorg zegepralen, en zij viel op den stoel in slaap.