De landbouwer, die zijn hoofd ontdekt had en een vurig gebed voor de
ziele des overledenen stortte, werd door Lodewijk hierin gevolgd. De
jonkheer steeg van zijn paard en zette zich godsdienstiglijk bij het
kruis neder. Veel bad hij niet, want droevig nadenken had hem van het
doel zijner kniebuiging onttrokken. De naam zijner minnares op een zoo
bloedig kruis had hem het hart gebroken.
Zoo zat hij eenige oogenblikken, wanneer hij, het hoofd naar zijn paard
keerende, twee afgrijselijke menschenaangezichten tusschen de bladeren en
heesters ontwaarde. Vier zwarte verglaasde oogen waren op hem met ijver
gevestigd, en de monden van twee zinkroeren mikten hem naar de borst.
“Uw geld of uw leven!” schreeuwden deze twee mannen, uit het kreupelbosch
komende en altijd met hunne roeren gereed om den jonkheer eene van de
twee hoofdzaken, die zij geëischt hadden, door geweld te ontnemen.
“Hier hebt gij mijne beurze,” sprak Lodewijk een weinig verschrikt.
“Mannen,” ging hij voort, “ik zoek Wolfangh, en bid u, mij zijne woning
aan te wijzen!”
“Leg uwe wapens op den grond neder!” riep een der roovers.
De jonker vatte zijne pistolen en wierp ze met zijn rapier verre van
zich. De roover naderde hem.
“Wat hebt gij met Wolfangh te doen?” vroeg hij.
“Ik heb hem eenen brief te geven,” was het antwoord.
“Komt gij van de stad en zijt gij een Geus?” vroeg de roover nogmaals.
“Dat ben ik en moet Wolfangh nog vóór den avond spreken.”
“Dit weet ik,” hernam hij. “Mijn meester is heden in de stad geweest
en heeft uwe komst door eenen anderen Geus vernomen. Sedert twee uren
verwacht hij eenen jonker, en vermits gij zelf deze jonker zijt, kunt gij
uwe wapenen hernemen en ons zonder vreezen in het bosch volgen.”
De landman, die dit alles met angst had nagezien, raapte Lodewijks
wapenen van den grond op en reikte ze hem over.
“Vader,” sprak de jongeling, “ik dank u uiterharte mij zoo wijd vergezeld
te hebben, en smeek u terug te keeren, om uwe vrouw en kinderen, die
zorgend voor uw leven bekommerd zijn, te gaan vinden. Binnen een paar
uren zult gij mij, zoo ’t God belieft, in uwe woning wederzien.”
Hij drukte des heibewoners hand, en deze bleef met tranende oogen staan,
totdat Lodewijk tusschen het boomgewas verdween.
Een der roovers had het paard gevat en trok het door omwegen voort. De
andere poogde, zooveel hij kon, beleefd te zijn en met Lodewijk een
gesprek aan te gaan; doch deze, met verachting op hem ziende, antwoordde
niet dan met bondige woorden.
“Er zal in ’t kort wat omgaan, eh, mijnheer? Ze gaan in de stad weer
woelen, en dan zal er voor ons ook wat te pakken zijn!”
“Dat weet ik niet,” morde Lodewijk.
“Ik wel,” hernam de binder, “onze meester heeft ons gezegd, dat wij
genoeg zouden plunderen om met ons lastig ambacht een einde te maken en
gelijk heerkens van ’t geroofde te leven.”
“Waar zoudt ge dit alles rooven?” vroeg Lodewijk treurig.
“In Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen is genoeg om onze bende schatrijk te
maken.”
De jongeling liet eenen fieren blik op den roover vallen en riep toornig:
“Hoe durft gij het verachtelijk inzicht om Gods tempel te rooven,
opvatten?”
“Wij hebben dat niet opgevat,” viel de roover driftig in, “gijlieden hebt
het ons gegeven. En ik weet zeker, dat in dien brief niets anders staat,
dan de belofte om ons op dien dag te laten doen wat wij willen.”
Lodewijk antwoordde op des roovers verwijt niet; hij zuchtte met diepen
weemoed bij het overdenken der rampen, die zijne vaderstad bedreigden.
Na een groot half uur door boomen en heesters gedrongen te hebben, kwamen
zij eindelijk bij de legerplaats van Wolfangh en zijne makkers.
Het was een groot open plein, aan alle kanten dicht met het duister bosch
omsingeld. Men had er de boomen in eenen kring afgehakt en den grond
effen gemaakt, om er zonder belemmering te kunnen wonen. In het midden
stond eene groote hut, van hout en klei te zamen gevoegd; vijf kleinere
hutten stonden ook hier en daar in eenen kring, doch dusdanig verspreid,
dat er eene plaats, die wel eene markt geleek, overbleef.
Zoodra de jonker deze plaats genaakte, trok zijn leidsman een beenen
fluitje uit zijn wambuis en deed het woud driemaal de kwaadvoorspellende
klanken herhalen. Er werd op dezelfde wijze geantwoord, en Lodewijk trad
de legerplaats binnen. Zijn leidsman verliet hem, om, zoo hij zeide,
Wolfangh van zijne komst te gaan verwittigen.
De jongeling staarde met afgrijzen op het onmenschelijk gelaat der
roovers, die hij daar bemerkte. Zes der leelijksten stonden bij een groot
vuur, waarop een ketel, die het avondmaal bevatte, hevig dampte. De vlam,
welke rood op de wangen dezer roovers kaatste, gaf hun een buitengemeen
fantastisch voorkomen, en maakte hen eer den duivelen dan den menschen
gelijk. Verder zaten er eenige anderen, zich aan het wisselvallig lot
overgevende en elkander met de teerlingen eenige geldstukken betwistende.
Zij dachten niet eens dat dierbaar menschenbloed hunne winst alleen
uitmaakte. Vloeken en zweren deden zij zoo ijselijk, dat Lodewijk eenige
stappen achteruitdeinsde, om zoo weinig mogelijk hunne godslasteringen
te hooren. Anderen weder waren ter aarde gezeten en kuischten de eene
zijn roer, de andere zijnen dolk. Dezen hadden groote stoopen bij zich en
schonken zonder ophouden den drank rond. Toen de jonker de legerplaats
binnentrad, zongen zij met verwarde stemmen een liedje, dat in dien tijd
onder het volk liep. Degene, die onder hen de voorzanger scheen te zijn,
begon dus:
Des winters als het reghent,
Dan syn de paetjes diep, ja diep,
Dan comt dat loose visschertje,
Visschen al inne dat riet,
Met synen rysstock, met synen strycstock,
Met synen lapsack, met synen cnapsack.
En dan antwoordden de overigen te gelijk:
“Met syne leire van dirre domdeire,
Met syne leire leirsen aen.”
En na de stoop rondgegaan was, en ieder zijnen mond en knevels met de
hand had afgeveegd, hernam de voorzanger:
Dat loose Molenarinnetje
Ghinck in heur deurtje staen, ja staen,
Opdat het aerdich visschertje
Voorby heur heen sou gaen,
Met synen rysstock, met synen strycstock,
Met synen lapsack, met synen cnapsack.
En de twintig stemmen:
Met syne leire van dirre domdeire,
Met syne leire leirsen aen.
“Wat zei de visscher dan?” riep eene stem.
Wat heb ick jou misdreven,
Wat heb ick jou misdaen, ja daen,
Endat ick niet met vrede
Voorby jouw deur mag gaen?
Met mynen rysstock, met mynen strycstock,
Met mynen lapsack, met mynen cnapsack.
En weder het gansche gezelschap:
Met myne leire van dirre domdeire,
Met myne leire leirsen aen.
“Nu ga voort, drink straks!” — “Ja:
Ghy hebt my niet misdreven,
Ghy hebt my niet misdaen, ja daen,
Maer moet my drymael groeten,
Eer ghy van hier meught gaen.
Met jouwen rysstock, met jouwen strycstock,
Met jouwen lapsack, met jouwen cnapsack.”
En de anderen klapten in de handen, en raasden en lachten dusdanig, dat
zij van vreugde dol schenen. Met nieuwe kracht schreeuwden zij:
“Met jouwe leire, van dirre domdeire,
Met jouwe leire leirsen aen.”
Allen waren zij bruin van aangezicht, met lange verwarde haarlokken.
Hunne kleeding zou op eenen anderen tijd zeker Lodewijks lach verwekt
hebben; want, terwijl velen eenen nieuwen fijnen rok aanhadden, hingen
hun de overige kleedingstukken slordig en verscheurd aan het lichaam.
Anderen, bij een met goud gestikt wambuis, hadden eenen groven en
versleten monniksmantel op de schouders. Hunne wapens alleen waren in
zeer goeden staat en blonken als zilver op hunne bedelaarsplunje uit. Te
zamen genomen, geleken zij wel een hoop gemaskerde personen. Twee stonden
recht bij de deur der groote hut; eene zware hellebaard blikkerde in
hunne handen bij de laatste stralen der avondzonne. Deze mannen riepen op
Wolfanghs bevel den verbaasden Lodewijk binnen.
Het vertrek, waarin hij trad, was niet prachtig: dit is wel te denken.
Evenwel was het zeer zuiver. De muren waren met kalk wit gemaakt en als
marmer met andere kleuren besprengd, schitterende wapens versierden den
wand; nette zetels stonden rondom eene tafel. Bij deze zat Wolfangh.
Zijne kleeding was zedig en scheen eenen man, die nooit de stad verlaten
had, te behooren. Hij kon niet boven de veertig jaren oud zijn; dit was
aan zijne nog fraaie wezenstrekken zichtbaar. Zwarte oogen, waarin een
nijdig vuur blaakte, een mond, waarop haat en spijt te lezen was, en
eene koude en misschien droeve uitdrukking waren do teekens, waaruit een
gelaatskundige de voorspelling van des roovers inborst trekken kon.
Zoodra hij Lodewijk ontwaarde, stond hij van zijnen zetel op en boog zich
beleefdelijk voor zijnen nieuwen gast.
“Wees welkom, jonker!” sprak hij, en hij reikte den jongeling eenen stoel
om zich neder te zetten.
“Wat nieuws brengt gij mij?” vroeg hij.
Lodewijk gaf hem stilzwijgend den brief.
Wolfangh scheurde het zegel met haast er af en vatte, na de lezing, een
elpenbeenen fluitje. Op den klank kwamen twee roovers in het vertrok.
Hij fluisterde hun iets aan het oor. “Te elf uren!” riep hij met luider
stemme.
Nu werd er wijn gebracht en in bekers voor hen uitgeschonken.
“Jonker,” sprak Wolfangh, “op der Geuzen gezondheid!”
“Op der Geuzen gezondheid!” herhaalde Lodewijk zachtjes.
Hij bracht den romer aan zijne lippen, doch dronk niet.
“Ho, ho! heer jonker!” riep de roover met spijtige aandoening, “Mijn glas
is ledig: ik verzoek u, mij ook aldus bescheid te doen. Ledig ook uw
glas, en verder staat het u vrij, niet meer te drinken.”
Lodewijk dronk met eene uitdrukking, die genoeg aanduidde, dat deze daad
tegen zijnen dank geschiedde.
“Ik versta u wel, jonker!” zei Wolfangh. “Een roover is u een al te
verachtelijk mensch, om in zijn gezelschap te drinken, ja, dit versta ik
wel!”
Een bittere grimlach bewoog zijne wangen, terwijl hij, in diep gepeins
verzonken, dus voortging:
“Waarom vraagt gij dan mijne hulp, mits gij mij veracht? Gij antwoordt
niet. Ik weet het: als het werk voltooid is, verbrijzelt men een
noodeloos werktuig, of men werpt het weg, niet waar, jonkheer?....”
Lodewijk bezag den roover met verwondering.
“Wolfangh,” antwoordde hij, “ik ken den inhoud dezes briefs niet, dus kan
ik ook op uwe vraag niet antwoorden. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat, zoo
gij in de omwenteling deelneemt, gij zonder twijfel, indien gij wilt, een
groot nut voor u er uit kunt trekken.”
“Welk nut, jonkheer?”
“De vergetelheid over het verledene halen, en als lid der maatschappij
eerlijk en rustig leven.”
Hier ging een glimlach van vergenoegen over Wolfanghs aangezicht, doch
onmiddellijk kwam hopeloosheid die uitdrukking vervangen, en hij sprak,
het hoofd schuddende:
“Terugkeeren, terugkeeren is zoo moeilijk! En nogtans, het moet zijn. Ik
kan de geheime stem, die mij toeroept, niet langer wederstaan. Waarom
hebben de menschen mij verstooten, toen ik nog onschuldig was? Ja,
jonker, er was een tijdstip in mijn leven, dat ik ook beschaamd was om
met eenen schelm te drinken!”
“Dit is mogelijk,” antwoordde de jongeling, “zeker moeten het gewichtige
voorvallen geweest zijn, welke u dus van het pad der eer deden verdwalen.”
“Ja, eenmaal was ik een jong en fraai kerel als gij zijt, vol
hersenschimmen, die mijn leven als bloemen versierden; doch de
boosaardigheid der menschen heeft mij het hart verbrijzeld.”
“Gij zijt niet geboren om in dezen staat te leven, Wolfangh. Ik zie dit
wel. Uwe wezenstrekken verraden geene wreedheid, uwe woorden getuigen van
geene woeste onwetendheid. Niets toont mij in u dit verworpen schepsel,
dat het bloed zijner broederen zonder ontsteltenis zou vergieten. Kom
terug in de samenleving, Wolfangh, uw hart is nog vatbaar voor het goede.
Slijt het overige uwer dagen in eenen eerlijken arbeid en in deugd.
Misschien zullen de rust en de vrede des gemoeds het loon uwer bekeering
worden. Gedenk dat Gods barmhartigheid oneindig is, en zich afmeet naar
de wijdte der zonden en naar de innigheid van een oprecht berouw.”
“Heb dank, jonkheer, om uwe troostende woorden. Gij hebt een edel en goed
hart. Zie, indien gij mij met verachting en misprijzen had toegesproken,
zoo zou de spijt mijne goede gedachten in mijn hart gedoofd hebben, maar
gij hebt mij met vriendelijkheid den weg aangewezen, die eene omwenteling
in ’s lands zaken voor mij kan openen. O, ik zweer u, dat uw raad niet
zal verloren gaan. Gij hebt niet op de steenen gezaaid, geloof mij.”
Lodewijk werd ontroerd bij de uitdrukking, die op des roovers gelaat
deze woorden vergezelde. Hij zag de ziel van Wolfangh geheel in zijn
aangezicht schijnen, en begreep, dat die misdadige naar vergiffenis
haakte.
“O, Wolfangh,” zeide hij, “wat moet gij toch ongelukkig geweest zijn
om, met eene inborst als de uwe, tot een zoo schandelijk leven te zijn
vervallen.”
“Ja, jonker, zoo is het. Mocht ik mijn schuldig en misdadig hart in uw
edel hart uitstorten, dan zoudt gij hooren hoe rampvol mijne jeugd was.”
“Spreek, Wolfangh, ik zal u met genoegen hooren.”
“Welaan dan, om u te doen gevoelen, dat in het menschenleven rampen
zijn, wier gevolgen men niet kan ontwijken, zal ik u de oorzaak mijns
ongeluks in bondige woorden verhalen. Zoo gij eenige zuivere gevoelens
er in bespeurt, zie dan niet op hetgeen ik nu ben, want er is eene
schrikkelijke verandering in mij omgegaan. — Ik woonde in het dorp Rethy.
Jong en fraai van gestalte was ik. Onder al mijne makkers was er geen,
die zulke zoetluidende stemme had als ik, en menigmaal heb ik den ouden
lindeboom onder de klanken mijner weemoedige liederen doen zuchten....”
Hij werd gestoord door degenen, die de lampen, welke van het verdiep
daalden, kwamen ontsteken. Na eene poos gezwegen te hebben, hernam hij:
“Denkt gij, jongeling, dat de loftuitingen van allen, die mij zagen en
aanhoorden, mij eenige vreugde konden toebrengen? Neen, de goedkeuring
der jonge Helena alleen kon mij het geluk schenken. Onze harten waren
van onze kindsheid onscheidbaar verknocht, en, daar de mannenjaren mij
dan toegekomen waren, was dit gevoel in innigheid aangegroeid. Zoo bleef
ik in mijn dorp menig jaar rustig doorbrengen. Ongeduldig wachtte ik het
oogenblik af, dat mijne Helena haar achttiende jaar zou bereikt hebben,
om haar met toestemming haars vaders te trouwen, doch het lot, dat niet
op der menschen wensch let, had mij eerst het zoete van den kelk laten
drinken en de gal er van bewaard, om mij deze in eens als vergif te
doen smaken. Hier begint het treurige mijns verhaals.... Een voornaam
Fransch heer, die machtig aan het hof van keizer Karel was, kwam dikwijls
bij het landgoed van Postel ter jacht. Eens dat hij in Helena’s woning
trad, werd hij door hare zuivere wezenstrekken en zedigen glimlach diep
getroffen. Zeker kwam de ontucht zich in zijn hart vesten, doch, mits
hij van hoogen adel en gehuwd was, bleef hem niets over tot voldoening
zijner lusten, dan verleiden of schaken. Lang poogde hij door dit eerste
middel te gelukken, na veel nutteloozen arbeid, stelde hij het laatste
zeer wreedelijk in ’t werk. Op eenen avond dat ik Helena te vergeefs
had gewacht, begaf ik mij naar hare woning. De vader mijner vriendin
stond verbaasd, dat ik haar niet gezien had. Twaalf uur weergalmde op
de torenklok, en allen wachtten wij nog op het meisje, dat ons was
ontrukt. Veertien lange dagen wachtten wij, en van Helena hoorden wij
niet spreken. Ik acht het nutteloos u onze wanhoop te beschrijven, mijne
wangen verbleekten onder mijne tranen, mijn moed begaf mij. Kwijnend en
door mistroostigheid afgemat, wandelde ik door de dichte bosschen, en
dan, door bittere smart ongevoelig geworden, zakte ik op het gras neder,
en mijne tranen liepen als beken over mijne wangen.”
“Ik beklaag u, ongelukkige Wolfangh,” zuchtte Lodewijk, “ik versta hoe
oneindig bitter uw lot geweest is.”
“Ja, jonkheer,” hernam de roover, “bid God, dat u nooit een zoo bitter
lot treffe. De dood zou u alsdan eene bekoorlijke vriendin toeschijnen.
Maar luister, welke dolk er mij nog door het hart moest gaan. Dertig
dagen had ik met nauwkeurige hardnekkigheid geteld, en des avonds was
ik bij den vader mijner vriendinne gezeten. Door onze tranen scheen ons
ongeluk een weinig te verzachten, toen de deur met eenen naren schreeuw
openvloog. Helena hing haren vader huilend aan den hals! Na deze eerste
beweging van liefde viel zij voor hem op hare knieën neder, en een
onuitsprekelijke vloed van hartbrekende tranen liep haar aangezicht
af. Eenige woorden kwamen haar in wanorde uit den mond, zij smeekte om
vergiffenis, sprak van vlek en schande, — en een razende nijd drong mij
de tranen terug in de oogen.
“Helena!” riep ik, haar strengelijk beziende, “waar zijt gij geweest?”
“Wolfangh,” schreide zij bevende, “ga heen! oh, ga heen! uwe oogen doen
mij wee.”
“Waar zijt gij geweest?” riep ik.
Zij wees met hare hand wijd ten venster uit.
“Voor u eeuwig verloren,” voegde zij er bij.
Langer kon ik mij niet wederhouden. Denkende, dat zij zelve uit eigen
wil mij verzaakt had, sprak ik al de smaadwoorden, die ik maar vinden
kon, tegen haar uit; bij ieder woord beefde zij van schrik en schaamte.
Nog lang ware ik op denzelfden toon voortgegaan, hadde haar vader mij
niet tot stilzwijgen gedwongen, door mij zijne dochter roerloos en koud
aan te toonen. Wat medelijden drong in mijn hart, wanneer ik, haar beter
beziende, op hare uitgemagerde wangen en in hare diepgezonkene oogen al
haar lijden had doorgrond! Nu werd ik over mijne wreedheid ten hoogste
verbolgen en smeekte wanhopig Helena om vergiffenis, doch zij hoorde mij
niet. Jonker, geloof mij, al de tormenten der pijnbank zijn niets bij
het hartzeer, dat ik dien avond doorgestaan heb. — Des anderen daags
was Helena van hare zinnen beroofd en antwoordde door lachen op onze
bittere tranen. Bleek en mager was zij, als de dood zelf, en wanneer
een grimlach over haar aangezicht ging, maakten de diepe rimpels en het
uitstekende gebeente haar dusdanig afgrijselijk, dat het ons allen van
schrik deed beven. Den vierden dag lag zij op het sterfbed. Hare zinnen
waren eenigszins wedergekomen, en zij had hare biecht gesproken. Toen de
priester haar verliet, zei hij, dat Helena mij nog eenmaal zien wilde.
Ik snelde de duistere kamer in. Dáár lag dat lieve roosje, zoo ontijdig
onder den adem van eenen boozen hoveling verslenst, tusschen vier gele
waskaarsen te zieltogen.
“Wolfangh!” zuchtte zij, hare magere hand doodkoud op de mijne leggende,
“ik verlaat u voor eeuwig, — ginds schijnt mij de hemel toe!.... Daar
vóór mij — wenken de engelen mij van de wereld....”
“Helena,” vroeg ik, “wat is u gebeurd? In Gods naam, spreek!”
“Wat mij gebeurd is?” zeide zij, “kent gij Alfons de Noirmont?”
“Ja.”
“Wel, die heeft mij.... door macht en geweld gekrenkt en mijne ziel — kan
in dit mijn onzuiver lichaam — niet meer wonen, — daarom zie ik — dáár —
eene baan, die mij meteen ten hemel zal leiden!”
“Noirmont!” morde ik wraakgierig en van bloeddorst blakende, “Noirmont!”
“Noirmont,” suisde nog van hare lippen. “Vaarwel, mijn Wolfangh! ééns
zult gij met mij daar.... dáár in den hemel wonen, en ik.... zal
zuiver.... en God.... God.... vaarwel! vaarwel, Wolfangh!....” En ik
voelde, als een langen adem, mijnen naam met hare ziel onder mijne lippen
weggaan. Zij was dood, dood en koud!
Een traan rolde over des roovers wangen, en hij zweeg.
Lodewijk, door medelijden aangedaan, drukte troostend zijne hand.
“Jonker,” vroeg de roover voortgaande, “denkt gij, dat deze Noirmont den
dood verdiend heeft?”
“Ja, ja, zeker,” antwoordde Lodewijk.
“Welnu,” hernam Wolfangh, “ik verliet mijn dorp, niets mede nemende dan
geld, wraakzucht en eenen dolk. Lang heb ik den schaker opgezocht zonder
hem te vinden, doch hoe meer ik wachten moest, hoe meer ik zwoer mijne
Helena te wreken. Eens bij Brussel langs de Senne wandelende, klonken mij
een tiental stemmen te gelijk in ’t oor. Midden onder zoovele personen
ontwaarde ik mijnen aartsvijand. Mijn bloed liep ongestuimig door mijne
aderen, en het hart klopte mij zoodanig, dat ik bijna roerloos werd, —
doch de lust tot wraak stijfde mijnen arm, want mijn dolk ging tot aan
het gevest in des schakers borst. Ik sprong in de Senne en zwom in een
oogenblik tot aan den anderen oever. Daar bleef ik lachend en van vreugd
opgetogen staan. Twee pistoolschoten waren op mij gelost geworden, doch
door geen werd ik getroffen. Met wellust zag ik mijn slachtoffer huilend
ten gronde zinken, en na ik van zijnen dood verzekerd was, vloog ik
als een pijl tusschen de boomen, om mij aan mijne nieuwe vervolgers te
onttrekken. Ook werd ik als een wild zwijn uit alle plaatsten verjaagd,
geen mensch dorst mij herbergen. — Mijn vader werd om mij vervolgd en
door druk en smart ten grave geleid. Nergens kon ik eene schuilplaats
vinden, en wanneer de naam van Wolfangh op eene markt werd uitgesproken,
dan ging de schreeuw: “houd aan, sla dood!” uit alle monden, alsof ik
een dolle hond ware geweest. Zeg mij, jonkheer, wat kon ik dan zonder
geld doen? Na lang zwerven heb ik hier, in dit bosch, een schuilplaats
gevonden. De nood maakte mij tot eenen dief, en de vervolging der
gerechtsdienaren, alhoewel wettig, tot eenen moordenaar. Ik heb geleden
en wroeging gehad over mijn misdadig leven, doch het lot was sterker dan
mijn moed. — Gij, jonkheer, hebt mij het middel aangewezen om mij te
redden. Daarom, ontvang nogmaals mijne dankzegging. Nu komt het beeld van
Helena mij weder levendig voor de oogen. Ik hoop, dat hare gebeden mij
genade zullen doen vinden bij God.”
Hij zweeg een oogenblik en, de ontroering bemerkende, welke zijn verhaal
in Lodewijk had verwekt, stond hij van zijnen zetel op en sprak:
“Nu, jonkheer, ik wil u niet langer hier houden. Zeg aan Godmaert, dat ik
zijne voorwaarden aanneem en eenen spie in de stad zal zenden, om op het
oogenblik van den toestand der zaken verwittigd te zijn. Dat hij alles
overlegge, en op den dag der omwenteling zullen Wolfangh en zijne makkers
dáár zijn.”
“Vóórdat ik u verlate, Wolfangh, moet ik nog eenige woorden tot u
spreken. Een uwer mannen uitte daareven het inzicht om de kerken te
berooven.”
“Dit denken zij, ja; maar vrees deswege niets: mijn wil is eene stalen
wet, die niemand onder hen zou durven verbreken.”
“Dit alleen wilde ik van u niet verzoeken; ik wilde u daarenboven eene
gelegenheid aanwijzen om eene poging te doen, die ongetwijfeld kan
medewerken tot het verdienen der vergiffenis van uw zondig leven.”
“Zeg, zeg, jonkheer, ik ben bereid om uwen raad te volgen.”
“Gij weet misschien niet, Wolfangh, dat de grootste hoop dergenen, die
zich Geuzen noemen, ketters en afgevallen zijn, en dat zij den dag der
omwenteling afwachten, om al de teekens van onzen godsdienst te niet te
doen?”
“Ik weet het, jonker.”
“Gij weet het! Welnu, help mij en eenigen mijner vrienden in het
beschermen onzer kerken. Het zal moeilijk zijn, ik voorzie het wel; maar
misschien gelukken wij in onze pogingen.”
Op Wolfanghs aangezicht glom eene uitdrukking van genoegen; hij vatte
Lodewijks hand en sprak met nadruk:
“Ga, jonkheer, gij zult over Wolfangh tevreden zijn, ik hoop het.
Vaarwel, tot wederzien!”
Een gewapende roover werd aan Lodewijk tot leidsman gegeven. Deze bracht
hem en zijn paard ongehinderd het bosch uit. Nu steeg hij op en vervolgde
den weg, die hem bij de hut zou brengen. Zeker zou hij gedoold hebben;
doch de dankbare landman, voor zijnen weldoener bekommerd, had een
groot licht aan zijn venster ontstoken. Deze baak bracht den jongeling
eindelijk bij de eenzame woning. De deur werd met haast geopend, en
blij gejuich kwam hem hartelijk verwelkomen. Het avondmaal stond op de
tafel bereid. Na eenige woorden over des jongelings gelukkige terugkomst
gesproken te hebben, bad hem de landman, zich bij de tafel neder te
zetten. Dit deed de hongerige Lodewijk en at, tot der inwoners vreugde,
met meer smaak dan of hij in een paleis ware genoodigd geweest.
“Jonkheer,” sprak de landman, “het is bij middernacht, en, daar de baan
met schelmen overdekt is, bid ik u, in mijne arme woning te vernachten.”
En hij wees hem eene bedstede, waarover zuivere lakens gespreid waren.
Lodewijk bedacht, dat hij, laat als het was, Godmaert toch vóór den dag
geene kennis zijner zending geven kon. Daarom besloot hij des heibewoners
voorstel aan te nemen.
Na hun allen eene goede rust gewenscht te hebben, legde hij zich,
vermoeid en welgemoed, op het bed neder.
V
Dos schreefse met eene zwarte roede een rinck op d’aerde; daer
moest ick midden in staen: voorts brochtse oock allerhande
vreemde dinghen in den rinck, en na dat ick mercken kon,
soo docht my dat het waren Leeuwenklaeuwen, Hondenoogen,
Wolfstanden, Boksbloed, Ezelsooren, enz.