Er ist ein Unglücksohn; kein Bösewicht.
_Die Ahnfrau._
“Ter linkerzijde, mijnheer!” riep de landbouwer.
Lodewijk trad in eenen tamelijk breeden weg, die dwars door het woud
scheen te leiden. Beide de boorden waren met ondoordringbaar heestergewas
bezet, en hooge mastboomen beletten de zon, die nu vrij laag aan de kim
brandde, hare verlichtende stralen op de baan te laten nedervallen.
“Waar leidt deze weg naartoe?” vroeg Lodewijk.
“Het is weinige jaren geleden,” antwoordde de landman, “dat hij in het
bosch gehakt is tot het vervoeren der zwaarste boomen; doch nu wordt deze
baan verzuimd en alleen door roovers en kwaaddoeners bewandeld.”
Sedert het begin der onstuimige jaren waren weinige of geene schepen op
de Antwerpsche timmerwerf geplaatst geweest; daarom was het, dat men nu
geene zware boomen meer uit het woud haalde. De schelmen konden het dus
vrij bewonen, wijl er geene geregelde macht in de dorpen bestond, en de
soldaten de steden, waar het zoo roerig was, niet mochten verlaten.
Na over deze en andere zaken eenigen tijd gesproken te hebben, kwamen
onze reizigers in eene dicht bewassene plaats, waar de weg zich tusschen
boomen en heesters verloor. Hier zagen zij een steenen kruis bij de
gracht geplant.
“Waarom staat dat teeken dáár?” vroeg de jonker.
“Hier is een moord begaan,” antwoordde zijn leidsman. “Zoo gij de moeite
wilt nemen het kruis te naderen, kunt gij er den naam van den rampzaligen
reiziger op lezen.”
En Lodewijk las:
D. O. M.
HIER IS IAN VAN HERCK
DEIRELICK VERMOORD
OP SINTE GEERTRUIDIS DAGE
IN ’T IAER MDXXI.