Maar Leeghwater verstond daarenboven eene kunst, die sedert geheel
schijnt verloren te zijn geraakt, de kunst namelijk van onder water
te duiken, aldaar eenen geruimen tijd te vertoeven en verschillende
verrigtingen ten uitvoer te brengen [18].
Hij gaf met Pieter Pietersz. [19] van deze bekwaamheid in den
jare 1605, in de nabijheid van 's Gravenhage, eene proeve in
tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeders Frederik Hendrik,
van de Graven Willem en Ernst van Nassau, van vele Edelen en andere
personen. Welke proefneming hij in het volgende jaar buiten Amsterdam
herhaalde, in tegenwoordigheid van vele menschen. Hij bleef alstoen
drie kwartiers onder water, waar hij at, de schalmei bespeelde,
ja zelfs op een papier schreef en andere verrigtingen ten uitvoer
bragt, zoo als zulks door hem, op eene hoogst eenvoudige wijze, met
vermelding van vele kleine omstandigheden, in zijn kleine Kronijk
aldus is te boek gesteld [20]:
»Van het onder-water gaan, geschiet in den Hage
in bijwezen van Prins Mauritius en andere
groote Heeren, een konst nooit te voren
gehoort of gezien.
»1. In 't jaar 1605, in 't laatste van April, zoo is daar een
Wijnkooper tot Alkmaar geweest, genaamt Dirk Thomasz., die met den
Prince Mauritius zeer familiaar was, en verscheiden redenen met den
Prince hadde, waarvan hij mede verhaalde, dat in Noort-Hollant in de
Rijp twee of drie jongelingen waren, die onder het water konden gaan,
waarvan den Prince zeer begeerig was om 't zelve te zien; waarop
den Wijnkooper tot antwoord gaf: »Ik zal de luiden verschrijven,
dat zij bij zijne Vorstelijke Genade in den Hage zullen komen."
»2. Ende alzoo door het schrijven zijn wij na den Hage gereist, en
zijn aldaar bij den Prince gekomen, die ons zeer vriendelyk groette
ende ons vraagde, of wij de luiden waren, die onder 't water konden
gaan? waarop wij antwoordden: Ja mijn Genadigen Heer; waarop de
Prince wederom zeide: Hoe zoude men dat konnen weten, of men zoude
dat moeten zien? waarop wij wederom antwoordden en zeiden: Zo het
mijn Heer morgen belieft te zien, wij willen 't alhier morgen in den
Vijver wel doen; waarop de Prince wederom zeide: dat hij dat in den
Vijver niet en begeerde; daar zouden wel duizent menschen bij komen;
dat en zoude niet dienen.
»3. Doen heeft de Prince een Valkenier bij hem ontboden, genaamt
Henderik Evertsz., die met ons zoude gaan buiten den Hage, om een
water te zoeken, daar 't bequaam was om de konst te doen, 't welke
wij alzo gedaan hadden, welke water is een weinig buiten den Hage
aan de slinkerhand, in een Molentocht, als men naar Delft vaart.
»4. Den eersten dach doen wast een storm ende heel kout weder, zo dat
wij den Prince doen niet en spraken, maar den tweeden dach daaraan
heeft den Prince ons een zeker uure gestelt, als den maaltijt gedaan
was na den middag, dat wij dan op de plaatze gereet zouden staan,
waarbij dat de Prince ook tegen ons zeide: Mannen, ik heb gisteren
wel om u gedocht, ik en zoude niet gaarne hebben, dat gij een ziekte
zoude halen om mijnent wille.
»5. Alzo den tijt bestemt was, zoo zijn wij op de plaatze gegaan,
ende gereetgestaan; doen is den Prince Mauritius, met zijn broeder
Prins Henderik, met Graaf Willem van Vrieslant, met Graaf Ernst,
ende meer andere groote Heeren en Edelluiden met de koetzen bij
ons gekomen, ende daar alzo gelijk bij ons staande, doen zeide den
Prince Mauritius: Mannen, ik ben nu gereet om te zien; waarop ik Jan
Adriaansz. Leeghwater met een goede couragie in 't water gesprongen
ben, en zeide: Adieu, mijn vroome Heeren; ende ik was daar zo lange
onder het water, dat den Prince Mauritius met d'andere Heeren wel
vernoegt waren, en doen ik weder boven 't water quam, doen vraagde
mij den Prince Mauritius: Wat was dat geluit dat ik hoorde? waarop ik
zeide: Ik heb luide geroepen; heeft mijn Heer dat ook verstaan? waarop
de Prince zeide: Ik meende, dat het het brullen van een koe was.
»6. Daarna is Pieter Pietersz., een van onze medemakkers, in 't water
gesprongen een stuks weegs verscheiden, dewelke alzo lang onder het
water was als ik, waarover Pieter Pietersz. met zijne vingeren een
weinig boven 't water speelde; doen zeide Graaf Willem van Vrieslant:
Den kerel werd verzoepen; hij en kan hem nigt langer holden.
»7. Ende alzo Pieter Pietersz. mede op 't land komende, wij beide nog
fris ende wel waren, zoo heeft den Prince Mauritius tegen ons gezeit:
Mannen, ik zie dat de konste goet is; gaat niet uit den Hage aleer ik
u gesprooken heb, en gaat in een goede herberge en maakt goede cier,
hetwelke wij alzo gedaan hebben, ende daarna zijn wij weder bij den
Prince gekomen op het Hof, daar hij ons een vereeringe gegeven heeft,
ende ook mede Octroy van onze konste, hetwelke ik nog tot dezen dag
bewaart heb."
»De tweede onderwaterduiking, geschiet tot Amsterdam.
»1. In 't jaar 1606, op Amsterdamsche kermis, zo is daar een
koopman van de Rijp geweest, geheeten Meinert Cornelisz. Salm,
die tot Amsterdam zeer wel bekent was, die van de konste van onder
water te gaan tegen zommige bekende Borgers van Amsterdam gezeit
hadde, dat de konste op de Wetering, buiten de Heilige Wegs-Poort,
aan de slinkerhant, gedaan zoude werden in prezentie van 10 of 12
perzonen, aldaar mede prezent was Meinert Salm van de Rijp, Albert
Verspek van Antwerpen, Dirk van Os van Amsterdam met zijn Soon,
die nu Dijk-Graaf van de Beemster is, Frederik Jansz. met zijn Soon,
Jacob Frederiksz. van Amsterdam, beide Olijslagers, Jacob Wrogt van
Amsterdam, met Jan Louwen van de Rijp met zijn Huisvrouw, ende meer
andere goede bekenden.
»2. Ende alzo dit geschiedde nabij de stad Amsterdam, zo is aldaar een
grooten toeloop van volk gekomen ende vergadert van verscheiden steden,
dorpen en plaatzen, so dat daar wel zeven of agt hondert menschen bij
malkander waren, of meer: zo was daar een onder allen, die het niet
geloofde, en zeide: Het zal wezen gelijk die man die vliegen zoude;
wie is malder, de man die vliegen zal, of die gene die het zien
zullen? waarop ik Jan Adriaansz. wederom zeide: Ik zal het volk niet
bedriegen; ik zal 't voor haar oogen doen, dat zij dat zien zullen.
»3. Zo is 't dat ik een linnen kleed bij mij genomen hadde, hetwelke
ik aandede, waarvan ik de zakken uittrok, en dede daar tien of twaalf
peeren in, dat zij het voor hare oogen zagen, ende ik zeide tegen
het volk: Deze peeren zal ik half op-eeten, opdat gij luiden niet en
zegt dat ik de peeren in den grond gesteken heb. Ook hadde ik mede
een schalmey bij mij, daar ik wel op konde speelen, dien ik mede bij
mij in mijn zak dede, en zeide: Daar zal ik verscheiden voizen en
Psalmen op speelen, dat gij dat boven water, op het land hooren ende
verstaan zult; waarbij Pieter Pietersz. op het land bij het volk bleef;
om het volk reden te geven en te onderregten.
»4. Onder allen was daar mede een Makelaar onder het volk, geheeten
Lems, die hadde een schoon blad pampier bij hem, daar schreef hij zijn
naam op, hetwelke hij mij gaf, waarop ik tegen hem zeide: Ik zal daar
onder water op den grond op dat pampier met pen ende inkt schrijven,
dat gij dat boven water op het land zult konnen lezen.
»5. Ende doen ik gereed was, ende wel wakker konde zwemmen, ende ook
mede een jongman was, zoo gaf mij den Almogenden God de vrijmoedigheit,
dat ik met een goede couragie in 't water sprong, mijn aangezigt na het
volk toewendde, ende zeide: Adieu, gij vroome Borgers van Amsterdam,
dat is u ter eeren, daar ga ik onder.
6. Zo is dat alzo geschied, dat ik de peeren onder water half
op-gegeten heb, en vertoonde de peeren onder het volk, doen ik op
het land quam; ende op hetzelve pampier schreef ik mede zo veel:
dit heb ik voor Amsterdam in de Wetering ende onder water geschreven;
ende op de schalmey speelde ik mede onder water op den grond, dat het
volk, die op het land stonden, boven water gemakkelijk hooren ende
verstaan konden; onder allen speelde ik mede den 23 Psalm: Mijn God
voet mij als mijn Herder geprezen, dat die luiden, die op de kant van
de sloot stonden, zeiden: Hoort eens mannen, dat speelt hij nu! Alzo
had ik mijn plaizier ende recreatie onder 't water op den grond.
»7. Ende doen ik dogte dat ik aldaar lang genoeg geweest was, dat
het volk wel vernoegt zoude wezen, zo ben ik met een goede couragie
weder opgekomen, mijn aangezigt na het volk, en doen ik nog in 't
water was, zo heb ik tegen het volk met een luide stemme geroepen:
Wat dunken de luiden van de konst? waarop het volk antwoordde en zeide:
De konst is goet.
»8. Ende doen ik weder op het land quam, doen vertoonde ik mijn
geschrift, het pampier nog droog wezende, hetwelke veel luiden gezien
en gelezen hebben, ende daarover zeer verwondert waren: ende den
Makelaar Lems weder behandigt hebbende, die het nog zommige jaren
daar naar bewaarde; ende als ik nog onder water was, zo was alreeds
de tijdinge al in de stad, die man is al verdronken, hij en komt zijn
leven niet weder: en doen ik weder op het land quam, zo hadde Frederik
Jacobsz., Olijslager van Amsterdam, een nagt-glas bij hem genomen, en
zeide tegens mij: Jan Adriaansz., weet gij wel hoe lange dat gij onder
water geweest hebt?--Neen ik, Frederik Jacobsz., zeide ik. Doen zei
hij weder tot mij: Dat glas is eens uit-geloopen ende eens half uit,
dat is drie quartier van een uur. Doen waren daar verscheiden luiden,
die tegen malkanderen zeiden: Hebt gij wel gezien wat dat hij gedaan,
hadde doen hij in 't water ging? hij hadde hem met olij bestreken;
ende d'andere zeide: hij hadde een root lapken in zijn mond genomen; in
zomma, elk een zeide het zijne. Ik hadde gedaan gelijk de Comedianten
doen, ik speelde het spel te regt, zonder iets te haperen ofte te
manqueren; die het spel niet en kan, die en speel het niet. Ende
als het werk gedaan was, zo waren daar veel liefhebbers, die haar
milde hand toonden: ende onder allen was daar een man uit Zeeland,
die zeide; omdat de konste zoo fraay is, zoo schenke ik u daartoe
nog een Zeeusche Daalder.
»9. Daarna heb ik mijne kleederen weder aangetrokken, ende ben weder
na de stad gegaan, aldaar ik een groot getal van volk bij mij hadde,
die zeer begeerig waren om de man te zien, waarvan nu nog verscheiden
luiden in de stad van Amsterdam zijn, die het gezien hebben ende
daarvan konnen getuigen.
»10. Nu voort wat de konste belangt, men vint in 't Boek Jobs
geschreven in het 28 cappittel in het 12 vers: Men keert den stroom
des waters, ende brengt dat daar verborgen in is aan 't licht. So
dat ik niet en weet eenige konsten te bedenken, die zo bequaam ende
zo goet zijn om verborgen schatten van den grond te halen; men kan
aldaar onder water een wijl tijds leven, ende zijne handen en voeten
wel gebruiken, hetzij dat het een vadem diep is, ofte meer: al waar
't agt of tien vadem diep, de konst is even goet."
Indien dit verhaal alleen in de Kronijk van Leeghwater werd gevonden,
zou men genegen zijn, de waarheid van hetzelve in twijfel te trekken;
maar nog op den huidigen dag wordt het oorspronkelijk Octrooi, door
de Staten-Generaal aan Leeghwater en twee andere daarbij vermelde
personen, wegens die kunst, den 5den Mei 1605, en dus kort nadat zij
in 's Hage proeven van hunne bekwaamheid gegeven hadden, verleend,
en waarvan Leeghwater (hierboven bl. 19) gewag maakt, nog bij de
nazaten van Leeghwater bewaard, en ik ben het aan de vriendelijke
tusschenkomst van den Wel-Eerwaarden Zeer Geleerden Heer J. van
Gilse verschuldigd, dat ik in staat ben gesteld, een fac-simile van
hetzelve hier bij te voegen. Dit Octrooi werd reeds door wijlen den
Heer J. Meerman in den jare 1807, in den Konst- en Letterbode [21],
aan het licht gebragt. Het oorspronkelijke is op parkement of francyn
geschreven en van den volgenden inhoud:
»Die Staten Generael der Vereenichde Nederlanden, Allen den ghenen die
desen jegenwoordige sullen sien ofte hooren lesen. saluyt.--Doen te
weeten, dat wy ontfangen hebben de supplicatie, aen ons gepresenteert
by Pieter Pietersz., Jan Adriaensz. ende Wilhem Pieters, alle woonende
in de Rype, inhoudende hoe dat sy supplianten geinventeert ende by
Zyne Princelycke Excellentie geprobeert hebben, seker waterconste, soo
om onder twater te gaen, staen, sitten, liggen, eeten ende drincken,
lesen ende scryven, singen ende spreken, voorts om eenige bruggen ende
sluysen te repareren off te nyente [22] te doen, cabels onder schepen
die gesoncken zyn, vast te maken, om die uuyten gront te winden, item
om peerlen, ende andere costelycke goederen op ten gront te soucken,
mitsgaders om eenige missiven ofte brieven heymelyck onder twater
te dragen ende brengen, boven dien zyn Asem bequamelyck te mogen
halen, tzy oft het diep is een, twee, vyff, sess offe meer vademen,
verzoeckende ende biddende oitmoedelyck, (nademael zy beducht zyn,
dat men haerlieder inventie soude namaecken), dat Wy hen souden
willen verleenen onse openen brieven van Octroy, om de voorsz. heure
Inventie voor eenige jaren alleene in de Vereenichde Provincien
te mogen maken, met verboth van deselve na te maken, in geenerlye
wyse, int geheel ofte ten deele, by verbeurte van sulcke nagemaecte
Inventie, ende daerenboven van seekere groote Penen, by ons daertoe
te ordonneren. Waerom Soo ist, dat Wy, genegen wesende ter Bede van de
voorsz. Supplianten, deselve geoctroyeert hebben, ende octroyeren mits
desen, dat zy voor den tyt van thien jaeren naestcommende, alleene
in de Vereenichde Provincien sullen mogen maken ende gebruycken de
voorsz. Waterconste, by hen geinventeert om onder twater te gaen,
staen, sitten, liggen, eeten ende drincken, lesen ende scryven, singen
ende spreken, voorts om eenige bruggen ende sluysen te repareren
offe te nyeuwte te doen, cabels onder schepen, die gesoncken zyn,
vast te maken, om die uuyten gront te winden. Item om peerlen, ende
andere costelycke goederen opten gront te soucken, mitsgaders om eenige
missiven offe brieven, heymelyck onder twater te dragen ende brengen,
bovendien zyn Asem bequamelyck te mogen halen, tzy off diep is een,
twee, vyff, sefs offe meer vademen, verbiedende een yegelyck van wat
qualiteyt offe conditie hy zy, de voorsz. geinventeerde Waterconste
int geheel ofte ten deele in de Vereenichde Provincien natemaken,
ofte elders nagemaect inde selve te brengen, om die te gebruycken,
op te verbeurte van het nagemaecte werck, ende daerenboven van de
somme van twee hondert Guldens, tappliceren deen derddendeel daervan
tot behoeff van den Aenbrenger, een ander derddendeel tot behoeff
van den officier, die de executie doen sal, ende het resterende
derddendeel tot behoeff van de voorsz. supplianten, ende dit alles
mits dat het zy eene nieuwe Inventie, te vooren in dese Landen niet
gepractizeert, ende sonder preiuditie van alle voorgaende generale,
ende particuliere concessien. Gegeven onder onsen cachette [23],
in Sgravenhage, den vyffden Mey XVIc ende vyff."
Ter ordonnan. van de voorn. Heeren Staten-Generaal.
(was geteekend:)
AERSSEN.
1605.
De waarheid van het verhaal van Leeghwater is alzoo boven allen
twijfel verheven; maar zonderling is het, dat nergens elders blijkt,
dat hij, die meer dan 40 jaren na het bekomen van dit Octrooi leefde,
of zijne makkers naderhand eenig gebruik van hetzelve hebben gemaakt,
of dat bij het eindigen van dit Octrooi hunne kunst de eigendom van het
publiek zou zijn geworden, of dat zij die kunst naderhand aan anderen
zouden hebben medegedeeld. Men zou bijna moeten vermoeden, dat het
geheim met het overlijden der Geoctroijeerden is verloren gegaan. Wij
stemmen het den Heer Meerman [24] gereedelijk toe, dat men zich moet
verwonderen, in het Octrooi te hooren gewagen van eene inventie, die
men na zou kunnen maken, of elders gemaakt in het land invoeren van
een werk, dat verbeurd zou kunnen worden verklaard enz., daar men uit
het bovenvermeld verhaal van Leeghwater zou moeten opmaken, dat hij
en zijne makkers zonder eenig toestel in het water sprongen. [25]
Een mijner vrienden vermoedt, dat het toestel van Leeghwater en
zijne makkers eene duikerklok zou zijn geweest, welke zij bevorens
heimelijk ter plaatse, waar zij hunne kunst zouden vertoonen, onder
water bragten. Ik ben niet ongenegen dit zijn vermoeden te deelen,
hoezeer mij echter het heimelijk brengen van brieven naar elders,
alsdan nog niet duidelijk is.
Hoe dit zij, uit al het hiervoren gezegde kan men opmaken, dat
Leeghwater een bekwaam waterbouwkundige was: dat hij tevens Landmeter,
Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker,
Waterduiker--ja wat niet al?--is geweest. Ik mogt hem dus met regt een'
duizend-kunstenaar noemen.
Hij was daarenboven ervaren in de Fransche en Duitsche talen, en,
naar de veelvuldige aanhalingen te oordeelen, ook niet geheel onbekend
met de Latijnsche.
Veelvuldige reizen zijn door hem gedaan. Behalve al de zeven toenmalige
Vereenigde Provinciën, bezocht hij Braband, Vlaanderen, Henegouwen,
Duitschland en zoo als hij het noemt, Oostland, waartoe hij Riga,
Elzeneur, Elzenberg enz. brengt. Ook reisde hij in Westphalen,
Lotharingen, Frankrijk en Engeland. Achter zijne Kleine Kronijk
vindt men een breed register van de meeste door hem, tot zijnen
vierenzeventigjarigen ouderdom, bezochte plaatsen. [26]
Maar dit is niet alles. Wij spraken van tijd tot tijd van zijne
schriften; ook als schrijver heeft hij verdiensten. Het is waar,
zijn stijl is hoogst eenvoudig, en »zijne werken dragen de kenmerken
van geschreven te zijn door een' ongeletterd man, die door zijne
eigene verdiensten uit eenen geringen stand opgekomen was. Maar zij
getuigen," zoo als de Heer Van Lijnden te regt zegt: »niettemin van
's mans kunde en bekwaamheid." [27]
Drie gedrukte werkjes worden van Leeghwater vermeld, en wel:
1º. Korte beschrijving en klein Kronykje van Haarlem; een boeksken,
waarvan mij in Boekenlijsten twee uitgaven [28] voorkwamen, doch
hetwelk ik nimmer gezien heb.
2º. Een kleyne Cronyke en voorbereiding van de afkomst en het
vergroten van de dorpen Graft en de Rijp, en van meer verscheiden
notabele oude stukken en gebeurtenissen.--»Het is," zoo als de Heer
De Wind naar waarheid zegt, »eene Kronijk van al wat hij hoorde,
vernam en deed; alles voorgedragen in eenen eenvoudigen, maar zeer
naïven stijl, zoodat dit boekje zich met het grootste genoegen lezen
laat." Gezegde Heer De Wind heeft, in zijne Bijdrage over Leeghwater,
het een en ander uit dit werkje overgenomen. Ook van deze Kronijk
bestaan verschillende uitgaven. Wij vonden melding gemaakt van
eenen druk van den jare 1654; doch deze was waarschijnlijk niet de
eerste, omdat op den titel, even als op dien der volgende drukken,
vermeld staat: »en nu op nieuws hier by gedaen de beschrijving van den
grooten brand, voorgevallen in de Rijp, op den 6den Febr. 1654." [29]
Waarschijnlijk bestaat er eene uitgave van den jare 1649. De door mij
gebruikte is van den jare 1714 en die van den Heer De Wind van 1727
[30].
Doch het vermaardste zijner werken is:
3º. Zijn Haarlemmer-Meerboek, hetwelk een ontwerp tot bedijken en
droogmaken van het Haarlemmer-meer bevat, door hem, naar het schijnt,
aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan
de Burgemeesteren en Raden van Amsterdam, Leiden, Haarlem en Gouda,
en aan den Dijkgraaf en de Heemraden van Rhijnland, in den jare 1641,
aangeboden. Of de eerste druk van dit werk reeds in 1641 verscheen,
is wel waarschijnlijk, doch niet zeker. Op den titel van dien eersten
druk [31] vindt men geene vermelding van het jaar der uitgave, maar op
de laatste (de 35ste) bladzijde staat onder de letters J. A. L. W. het
jaartal 1641. [32] Zeker is het, dat reeds in 1642 de derde druk het
licht zag, [33] en de Heer Van Lijnden spreekt (bl. 42) van eenen
vierden, die in 1643 uitkwam. [34]
De Heer Mr. J. T. Bodel Nyenhuis noemt in de 3de lijst zijner opgave
van beschrijvingen der Gewesten, Steden en Plaatsen, in het Koningrijk
der Nederlanden, geplaatst in het VIIIe Deel van het Tijdschrift de
Vriend des Vaderlands, No. 11, eenen vijfden druk (Amst.) van den
jare 1654.
Het jaar waarin de 6de druk verscheen heb ik niet gevonden; doch de
7de zag in 1669, [35] de 8ste in 1714 [36] het licht.
In 1724 verscheen reeds weder eene nieuwe uitgave [37]; welke in
1727 door eene tiende werd gevolgd [38]. De elfde verscheen negen
jaren daarna in 1736, [39] terwijl eindelijk eene twaalfde in 1749
het licht zag [40].
Al de vermelde drukken zijn in quarto.
Toen Leeghwater zijn Meerboek schreef, was hij zes en zestig jaren
oud: hoe lang hij hierna nog leefde is mij niet gebleken; maar in
1649 was hij nog in leven, blijkens de laatste bladzijde van zijne
kleine Kronijk. Hij was echter reeds in den jare 1654 overleden, want
op den titel der uitgave van dat jaar staat: in zijn leven Ingenieur
en Molenmaker in de Rijp [41].
Leeghwater behoorde tot het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, hetwelk
destijds zeer talrijk in de Rijp en andere Noord-Hollandsche plaatsen
was. Dat hij een Godvruchtig man was en 's menschen afhankelijkheid
van den wil des Allerhoogsten diep gevoelde, bewijzen zijne schriften.
Meerdere bijzonderheden heb ik wegens onzen verdienstelijken landgenoot
niet kunnen vinden, de opgegevene zijn grootendeels uit zijne eigene
schriften ontleend [42].
Uit het Haarlemmer-Meerboek, No. 24, blijkt, dat Leeghwater eenen
zoon had, Simon genaamd, dien hij den oudsten noemt; uit de kleine
Kronijk leeren wij bl. 36, No. 35, eenen tweeden, met name Adriaen,
en bl. 30, No. 7, eenen derden, Jan genaamd, kennen.
Nog heden bestaan er afstammelingen van den beroemden man, en wel:
1º. Pieter Leeghwater, wonende te Koog, geboren in 1786, die een zoon
is van den in 1807 overledenen Jan Cornelisz. Leeghwater en diens
eerste vrouw Ariaantje Heertjes.
2º. Trijntje Leeghwater, geboren in 1797, eene dochter van voorn. Jan
Cornelisz. Leeghwater en diens 3de vrouw Maartje Kuik. Deze is gehuwd
aan Pieter Haremaker te Zaandijk; [43] en
3º. Cornelis Jansz. Honig, zoon van den Heer Jan Cornelisz. Honig,
te Zaandijk, en diens overledene echtgenoot, Neeltje Leeghwater,
welke was eene dochter van Louwrens Leeghwater en Aaltje Ouwerijk, en
eene kleindochter van Cornelis Louwrensz. Leeghwater en Trijntje Peper.
Behalve deze leeft er te Wormerveer, in den ouderdom van 80 jaren,
een Jan Louwrensz. Groot, wiens moeder mede Leeghwater genaamd was.
De éénige mannelijke afstammeling van Leeghwater, die dien naam
voert, is, voor zoo verre ik heb kunnen nagaan, gemelde Pieter
Jansz. Leeghwater, daar deze ongetrouwd is, staat het te vreezen,
dat met hem het geslacht van Leeghwater zal uitsterven.
Bij de voornoemde afstammelingen van den beroemden man is zijne
nagedachtenis nog in eere: behalve een exemplaar van het Meerboek en
van de kleine Kronijk, zijn aan mij, namens den voornoemden Heer Jan
C. Honig, door bemiddeling van den Heer van Gilse, ter hand gesteld:
1º. Het origineele Octrooi van den jare 1605.
2º. De bovenvermelde, met de pen vervaardigde, eigenhandige teekening.
3º. Een koperen Alidade (liniaal met vizieren) van een werktuig om
hoeken te meten, met het jaartal 1619, afkomstig van onzen Leeghwater.
4º. Een zilveren vergulden Penning, geslagen op de overwinningen van
Prins Frederik Hendrik, en die, volgens het verhaal van vader tot zoon,
mede van onzen Leeghwater afkomstig is, als door hem óf ten geschenke
ontvangen, óf gekocht ter gedachtenis van zijne verrigtingen voor
's Hertogenbosch. [44]
Behoef ik wel te doen opmerken, dat zoo vele herhaalde uitgaven van
het Haarlemmer-Meerboek als ik opnoemde, twaalf in den tijd van iets
minder dan eene eeuw, getuigen van de belangstelling, die het werk
van Leeghwater verwekte? Nog is die belangstelling niet geweken. Zijn
werk is nog altijd belangrijk voor ieder, die over de droogmaking van
het Haarlemmer Meer wil spreken of schrijven. Nog steeds wordt zijn
Haarlemmer-Meerboek gezócht, en de schaars voorkomende exemplaren
worden op boekverkoopingen ruimschoots betaald.
Het kwam mij alzoo niet ongepast voor, om eene dertiende uitgave
van dit werk het licht te doen zien, vooral in deze dagen, waarin de
belangstelling in het ontwerp der droogmaking van het Haarlemmer Meer,
dat groote plan van Leeghwater, weder meer algemeen is. Het kan toch
niet onwelgevallig zijn te weten, wat over dit onderwerp vóór nu twee
eeuwen gezegd is, door eenen man, grijs geworden hij het droogmaken
van zoo vele meren, wier bloei en welvaart thans het sieraad en den
rijkdom van Noord-Holland uitmaken; door eenen man, die sprak uit
eigene ondervinding, niet naar theoriën, dikwerf slechts fraai op
het papier, maar minder geschikt om ten uitvoer te worden gebragt.
Ik heb bij deze uitgave gebruik gemaakt van den hierboven vermelden
achtsten druk. Op verzoek van den uitgever, die zulks voor ons lezend
publiek noodig oordeelde, heb ik hier en daar den stijl een weinig
veranderd, doch mij hieraan slechts zeldzaam schuldig gemaakt. Ik
wilde den eenvoudigen, naïven, ongekunstelden stijl van Leeghwater
zoo min mogelijk bederven. De spelling heb ik naar de thans in gebruik
zijnde gewijzigd.
Het Lofdicht van Heyndrik Albertsz., dat voor het Meerboek gevonden
wordt, heb ik weggelaten, omdat het geene kunstwaarde bezit. Om
dezelfde reden heb ik de gedichten, die Leeghwater in en achter
zijn werk gevoegd heeft, niet overgenomen, omdat zij wel van 's
mans rijmlust, maar geenszins van zijne dichterlijke bekwaamheid
getuigen. Enkele rijmpjes heb ik echter vermeend te mogen overnemen.
Het kaartje en de afbeelding van den Schrijver, welke ik bij deze
uitgave heb gevoegd, worden in den eersten druk niet gevonden. Men
zal ze, zoo ik mij niet vergis, hier met welgevallen aantreffen. De
afbeelding is naar eene teekening van J. de Keyser en gegraveerd door
J. Lamsveld; onder dezelve staan de volgende niet zeer dichterlijke
regels van J. J. Schipper [45].
»Dit is Leegwaters Beeldt, Aenschouwers, siet vry toe,
Zyn geest, die altyt werckt en nimmer meer wort moê;
Aen 't geen zyn Vaderlandt tot welstant kan verstrecken,
Zich in syn Meerboek zal ten deel aen u ontdecken:
Wat d' ander rest belangt, die spreyt zich wyt en breet,
En vat, in zijn vernuft, wat yemand wist off weet."
Ook in den 2den en 3den druk van het Meerboek wordt de afbeelding van
Leeghwater niet gevonden. Waarschijnlijk verscheen zij het eerst in den
4den of 5den druk. In den 7den vond ik haar, doch niet door Lamsveld,
maar door S. Savrij gegraveerd. Daar deze in een' der hoeken het getal
43 heeft, vermoed ik, dat Leeghwater in 1643 door Keyser is geteekend,
toen hij 68 jaren oud was.
Na Leeghwater verschenen er verscheidene andere geschriften over het
Haarlemmer Meer, welke ik kortelijk zal vermelden.
Bijna gelijktijdig met het werkje van Leeghwater, kwam er nog een
ander plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer in het licht,
opgesteld door Jacob Bartelsz. Veeris. Dit werk maakte echter minder
opgang. »Volgens den Heer Van Lijnden (Verhand. bl. 43), verschilde het
plan van Veeris in zoo verre van dat van Leeghwater, dat bij hetzelve
bepaald was een voorboezem, met een' dijk over het eiland Ruigoord,
op welken dijk 15 bovenmolens zouden gesteld worden."
De plannen van Leeghwater en Veeris vonden al dadelijk tegenstand,
vooral bij de Ingelanden van Rhijnland, welke vermeenden, dat, door het
droogmaken van het Meer, de boezem van hun gewest te klein zou worden;
en reeds in 1642 gaf N. van Haegh, onder den titel: C. A. Colevelt's
[46] bedenckingen over het drooghmaken van de Haarlemmer en de
Leydtsche Meer, Honderd Twee en Zeventig articulen in het licht, welke
hij, zoo als hij in het voorberigt zegt: als een liefhebber van het
Gemeenebest, had gecopieerd uit eenige Bedenkingen zamengesteld door
Coleveld, handelende op het uit- en droogmaken van de Haarlemmer en
Leidsche Meer, waarbij hij, naar zijn goeddunken, nog eenige punten
had bijgevoegd, hetgeen hij hoopte dat de schrijver hem niet ten
kwade zou duiden. Uit dit voorberigt zou men dus opmaken, dat deze
bedenkingen zonder voorkennis, immers zonder medewerking van Coleveldt
zijn uitgegeven. Hoe dit zij, de bedenkingen van Coleveldt werden door
Leeghwater in den 4den en volgende drukken van zijn Meerboek bestreden.
Toen de tiende druk van het werk van Leeghwater in 1727 uitkwam,
werd ook in dat jaar het tegenschrift van Coleveldt herdrukt
[47]. Deze herdruk gaf aanleiding, dat C. Velsen, Landmeter van
Rhijnland, in dat zelfde jaar, onder den titel van Aanmerkingen over
de tegenwoordige staat van de Haarlemmer Meer [48], een werkje in het
licht gaf, waarin hij het plan van Leeghwater tegen de bedenkingen van
Coleveldt verdedigde, op de noodzakelijkheid van het droogmaken van
het Meer aandrong en de wijze aan de hand gaf, waarop dit zou kunnen
geschieden, »in voege, dat de steden Haarlem, Leiden en Amsterdam,
alsmede het Hoogheemraadschap van Rhijnland, van veel beter natuur,"
(het zijn 's mans woorden) »omtrent de waterstaat en scheepvaart
zullen wezen, als tegenwoordig."
Dit werkje van Velsen vond zoo veel belangstelling, dat nog in
hetzelfde jaar 1727 van hetzelve een tweede druk in het licht kwam
[49].
Hij oordeelde zoo ongunstig over de Bedenkingen van Coleveldt, dat
hij in de voorrede van zijn werkje zegt: »dat hij er niet anders in
kon vinden, als een deel opgeraapte schimpredenen, op papier gebragt
zonder order en met groote drift; dat het doorzaaid is met zoo vele
belagchelijke stellingen, dat hij niet begrijpt, hoe het in den tijd
van zijn geboorte, zoo veel geloof heeft kunnen verdienen, en dat
men het nu heeft waardig geacht, om het weder het licht te doen zien."
Het werkje van Velsen is zeer lezenswaardig.
Vijftien jaren hierna, in Julij 1742, overhandigden Nicolas Cruquius,
en Jan Noppen, Toeziener en Melchior Bolstra, Landmeter van Rhijnland,
als hiertoe gelast, aan Dijkgraaf en Hoogheemraden van dat Collegie,
een uitvoerig plan wegens de bedijking der Haarlemmer Meer; hetwelk
te vinden is in de nieuwe Nederlandsche jaarboeken van April 1773,
(bl. 385-405); en waarvan de hoofd-inhoud wordt medegedeeld in
de tegenwoordige staat van Holland, (VIe deel der Teg. Staat der
Vereenigde Nederlanden, bl. 186-196) [50].
Tegen dit plan opperde de stad Leiden bedenkingen, welke door de
gemelde Toeziener en Landmeter, bij eene Memorie van het jaar 1745,
werden wederlegd; zoo als gelezen kan worden in de voorm. jaarboeken
van 1773, bl. 406-419.
Intusschen verscheen te Leiden, in het jaar 1743, een ander plan tot
droogmaking van het Meer, van Conradus Zumbach de Koesfeld, Med. en
Stads Dr., Lid van de Koninklijke Societeit van Wetenschappen te
Berlijn, hetwelk volgens den Heer van Lijnden [51] dit bijzonders
had, dat de schrijver, tot uitsparing der kosten, wilde beginnen
met alleen de wateren, die in het meer uitkomen, af te dammen, en,
eerst na de droogmaking, een' ringdijk, uit de klei van het Meer,
daar te stellen [52].
Maar behalve de opgenoemde [53] werden er nog verschillende andere
plannen tot droogmaking van het Haarlemmer Meer gevormd, welke door den
druk niet zijn gemeen gemaakt. Zoo spreekt de Heer Baron van Lijnden,
(verh. bl. 43), van een ongedrukt werkje, dat in 1659 of 1660 schijnt
geschreven te zijn, waarin een plan voorkomt verschillend van die
van Leeghwater en Veeris, en maakt vervolgens (bl. 44 en 45) melding:
1º. Van een plan opgemaakt, ten gevolge van een verzoekschrift door
Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, om te worden gemagtigd
tot het maken van eene uitwatering te Katwijk en tot het bedijken
van de Haarlemmer en Leidsche Meren, aan de Staten van Holland in
1750 ingediend.
2º. Van een plan door de Landmeters D. Klinkenberg en B. Goudriaan,
bij eene Memorie aan gecommitteerde Raden van Holland, benevens aan den
Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, den 31 Jan. 1769 ingeleverd
[54].
3º. Van een plan in den jare 1808, op last van den toenmaligen Minister
van Binnenlandsche Zaken [55], opgemaakt door den Inspecteur A. Blanken
Jansz.; hetwelk in de archiven van den waterstaat berust.
Geen tijdvak echter leverde zoo vele schriften over het droogmaken
van genoemd Meer, als dat tusschen de jaren 1819 tot 1823.
In het eerst gezegde jaar, in 1819, gaf de Heer Mr. J. C. Baron du
Tour, ten gevolge van het bekend geworden plan der Heeren van Lijnden,
Roëll en Repelaar, eene verhandeling over het Haarlemmer Meer in
het licht [56], welke eene historische beschrijving van de wording,
vergrooting en gesteldheid van dat water, en eene uiteenzetting der
plannen van Leeghwater, Veeris en Bolstra bevat.
In het volgende jaar verscheen te Zutphen een werkje, onder den
titel: verhandeling over de droogmaking van het Haarlemmer Meer en
aangelegen veenplassen, doormengd met landbouwkundige aanmerkingen,
door J. Engelman, Oud-Landmeter bij 's Lands Waterstaat [57], waarin de
noodzakelijkheid en nuttigheid van het droogmaken van dien ontzettenden
plas wordt betoogd, en een ontwerp tot droogmaken wordt opgegeven.
Doch al wat tot dus verre over het Haarlemmer Meer en over het
droogmaken van dien plas was geschreven en uitgegeven, werd in
uitgebreidheid en uitvoerigheid overtroffen door het belangrijke werk
van den Heer F. G. Baron van Lijnden van Hemmen, Commandeur van de Orde
van den Nederl. Leeuw, Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal,
enz. enz. enz., onder den titel van verhandeling over de droogmaking
der Haarlemmer Meer [58].
Dit werk, hoe men ook over de uitvoerbaarheid en nuttigheid van het
daarbij voorgesteld plan, en over de juistheid der daarbij gevoegde
berekeningen, moge denken, zal steeds bij de behandeling van dit
onderwerp onschatbaar blijven.
Alles is hier duidelijk, op eene hoogst, ook voor de in het vak van
den waterstaat oningewijden, bevattelijke wijze, en met kennis van
zaken ter nedergesteld. Het is voorzien van onderscheidene hoogst
nuttige staten en tafels; en bij het werk is gevoegd een atlas met
vier kaarten en eene afzonderlijke plaat.
De 1ste kaart wijst den voormaligen staat van Holland aan, met
zijne Meren en Plassen, vóór die bedijkt waren. Bijna de helft was
toen water.
De 2de toont ons dat zelfde Holland in 1820, met zijne drooggemaakte
Meren en Plassen. Welk een lagchend gezigt!
De 3de geeft ons, in 6 vakken, de onderscheidene gedaanten en grootten
van het Haarlemmer Meer: sedert 1531 tot 1808. Welk eene schrikwekkende
vertooning!
De 4de kaart stelt voor, hoedanig, volgens het plan des Heeren van
lijnden, na de droogmaking het Meer met vaarten doorsneden en in
kavels verdeeld zou kunnen worden. Aangename voorstelling! Terwijl
eindelijk op de plaat eenige werktuigen ter uitmaling zijn afgebeeld.
Dit werk des Barons van lijnden gaf aanleiding tot het ontstaan van
verschillende geschriften. Nog in hetzelfde jaar 1820 kwamen er vier
stukken in het licht.
Al dadelijk verscheen een werkje, tot titel voerende: Het ontwerp
van droogmaking van het Haarlemmer Meer, beknopt, maar volledig
voorgedragen in eenen brief van een' Heer te Utrecht aan zijnen
vriend te Amsterdam [59]. Het bevat eene naauwkeurige opgave van den
zakelijken inhoud des werks van den Heer van lijnden.
Kort hierop volgde een stukje, getiteld: vrye gedachten van een
ingeland van Rijnland over de Verhandeling van droogmaking der
Haarlemmer Meer, uitgegeven door den Heer F. G. Baron van Lijnden
van Hemmen [60].
Waartegen de Heer van Lijnden nog hetzelfde jaar uitgaf: antwoord op
de vrije gedachten van een ingeland van Rijnland [61].
Doch op het einde van dat jaar verscheen in het licht eene Memorie van
den Hoogleeraar Jacob de Gelder, overgegeven aan het Hoogheemraadschap
van Rijnland, behelzende deszelfs consideratie over het ontwerp van
den Heer Baron van Lijnden tot Hemmen, strekkende ter droogmaking
van het Haarlemmer Meer [62].
Op welke Memorie de Baron van Lijnden, in den jare 1822, aanteekeningen
in het licht gaf [63], ter wederlegging van de bedenkingen des
Hoogleeraars.
Indien ik wèl onderrigt ben, heeft de Heer de Gelder eene tweede
Memorie ter perse gezonden; doch deze is, zoo verre mij bekend is,
niet uitgegeven. Mij ten minste kwam zij nimmer in handen.
In den jare 1829 verscheen te Brussel [64] een werkje van Alex. de
Stappers, Mémoire sur le desséchement du lac de Harlem, et sa
conversion en forêt. De schrijver zegt in het Voorberigt, dat hij
in Mei 1829 aan het Gouvernement het voorstel heeft gedaan, om aan
hem voor altijd het Meer en eenige nabijgelegene plassen af te staan,
ten einde ze door eene Maatschappij, zamengesteld uit 12000 Aandelen,
ieder van f 500.--, droog te maken, en wel door middel der pompen, voor
welke hij op den 9den dier maand een Octrooi van uitvinding gedurende
15 jaren heeft bekomen. Hij stelt voor, tusschen Bennebroek en Lis een
Kanaal naar de Noord-Zee te graven, om, in geval de sluizen van Katwijk
en Sparendam niet voldoende mogten zijn, door hetzelve het water van
het Meer en van Rhijnland te doen afloopen. Een groot gedeelte van
het drooggemaakte Meer wil hij in bosch herscheppen, en geeft hoog
op van de voordeelen, die de droogmaking zou opleveren. De politieke
omstandigheden schijnen den Heer Stappers te hebben belet, verdere
pogingen ter bereiking van zijn doel in het werk te stellen. Het
werkje, schoon wat winderig, is niet onbelangrijk.
Eindelijk moeten wij nog melding maken van het onlangs uitgekomen werk
van den Heer G. J. Pool, Med., Chir. en Stads Doctor te Amsterdam,
onder den titel: de droogmaking der Haarlemmer Meer, mits met de
noodige voorzorgen in het werk gesteld, voor de gezondheid der naburige
bewoners en arbeiders niet schadelijk [65]. Moetende strekken ter
bestrijding van het gevoelen van velen, dat de droogmaking van eenen
zoo grooten plas, als het Haarlemmer Meer, tot heerschende ziekten
in de omliggende plaatsen aanleiding zou kunnen geven. Welk gevoelen
ook de Heeren van Lijnden en Stappers in hunne werken hebben bestreden.
Deze talrijke geschriften over het droogmaken van het Haarlemmer Meer
en over de gevolgen, die zulk eene onderneming zou kunnen hebben,
getuigen van het belang, hetwelk men te allen tijde in deze zaak
heeft gesteld. Maar aan Leeghwater komt de eer toe, van, zoo ver
men kan nagaan, het eerst een plan tot droogmaking wereldkundig te
hebben gemaakt. Dit plan is door de meeste der volgende schrijvers,
maar bijzonder door den Baron van Lijnden, ten hoogste geprezen,
en zijn werk is, na al wat er na zijnen tijd over dit onderwerp
is geschreven en na al de vorderingen, welke men sedert dien tijd
in bijna alle Wetenschappen, voornamelijk in de waterbouwkunde en
aanverwante vakken, ook door het gebruik van stoom heeft gemaakt,
nog altijd eene vraagbaak voor hem, die over het droogmaken van het
Haarlemmer Meer wil schrijven of spreken.
Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer, en over het
droogmaken van dezen plas, was en is nog aan de orde van den dag
[66], nadat Z. M. bij besluit van den 7den Augustus 1837, No. 51 [67],
»in aanmerking nemende," (het zijn de woorden van het besluit zelf)
»dat de ondervinding van den laatsten winter de noodzakelijkheid
heeft doen geboren worden, om de droogmaking van het Haarlemmer
Meer op nieuw in opzettelijke overweging te nemen," eene commissie,
bestaande uit de Heeren: H. Ewijk, Raad-adviseur bij het Departement
van Binnenlandsche zaken, Voorzitter, Jonkr. W. Barnaart van Bergen,
Lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, M. G. Beijerinck,
Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Zuid-Holland, C. J. de Bruijn
Kops, Burgemeester der stad Haarlem, Jonkheer L. R. Gevaerts,
Lid van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, P. T. Grinvis,
Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Noord-Holland, Jonkheer D. Hooft
Jacobsz., Lid van den Raad der stad Amsterdam, D. Mentz, Inspecteur
van den Waterstaat en P. A. du Pui, Hoogheemraad van Rhijnland,
had benoemd, ten einde de verschillende reeds bestaande ontwerpen
van droogmaking van dat Meer te onderzoeken, vervolgens een bepaald
eindontwerp en begrooting van kosten dezer onderneming op te maken
en van hare werkzaamheden uiterlijk op den eersten November 1837 aan
Z. M. verslag aan te bieden.
Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer is niet verminderd,
nadat in de Zitting van de Tweede Kamer der Staten Generaal van den
28sten Februarij j. l., met eene Koninklijke boodschap, een ontwerp
van wet, omtrent de uitgifte van losrenten op een gedeelte der schuld
ten laste der overzeesche bezittingen tot het doen van voorschotten
voor openbare werken, was ingekomen, waarbij onder anderen eene som
werd bestemd en aangewezen, tot het bedijken en droogmaken van het
Haarlemmer Meer, alzoo Z. M. in overweging had genomen, (het zijn
de woorden van het ontwerp) dat het belang van den Staat vordert,
om eerlang tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer
over te gaan [68].
Hoezeer die wet is afgestemd, kan het echter voor elk, die belang in
deze zaak stelt, niet onwelgevallig zijn, al hetgeen omtrent dezelve is
voorgevallen te kennen, en de gevoelens der volks-vertegenwoordigers
over dit belangrijk onderwerp te vernemen. Meenig een' zal het,
dunkt mij, welkom zijn, alles wat over deze zaak, ten gevolge van de
voorgestelde Wet in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, is verhandeld,
voor zoo ver het openbaar is gemaakt, alhier bijeen verzameld aan
te treffen.
Bij de voornoemde Wet was gevoegd eene memorie ter toelichting,
welke ten opzigte van het punt der droogmaking van het Haarlemmer
Meer aldus luidt [69]:
"Wat de droogmaking van het Haarlemmer Meer betreft, vermeent men,
dat het wenschelijke en nuttige dezer onderneming geen breed betoog
zal behoeven."
»Het is algemeen bekend, hoe grootelijks deze waterplas gedurende de
laatste eeuwen zich heeft uitgebreid, en hoe vele vruchtbare gronden
daardoor zijn verslonden geworden. Met opoffering van zware kosten
heeft men daaraan dan wel eenigermate paal en perk gesteld; doch nog
jaarlijks moeten aanzienlijke sommen worden aangewend, om het verder
inbreken voor te komen, en in weerwil daarvan heeft de ondervinding nog
onlangs geleerd, hoe groote verwoestingen door het geweld van dezen
plas kunnen worden, aangerigt, welke eenmaal zoodanig kunnen worden,
dat de rampen niet dan met enorme kosten zouden kunnen worden hersteld,
of zelfs onherstelbaar zouden worden."
»Daarbij nu komt, dat in het midden des lands eene onvruchtbare
waterplas of liever binnenlandsche zee van omtrent 18,000 bunders
lands gevonden wordt, die voor den landbouw, de industrie en
de bevolking verloren is, en die, wanneer zij eenmaal mogt zijn
drooggemaakt, en in vruchtdragenden grond herschapen, ook door
deszelfs gunstige gelegenheid nieuwe bronnen van welvaart openen
kan, en in de gevolgen voor het algemeen of het Rijk aanzienlijke
voordeelen moet opleveren, door het verschaffen van arbeid en middelen
van bestaan aan duizende handen en nijvere menschen, en het daardoor
in evenredigheid vermeerderen van 's Rijks inkomsten; in één woord,
door het toenemen van den publieken rijkdom, hetwelk van het een en
ander het natuurlijk gevolg moet zijn."
»De ondervinding en het besef van het een en ander moest natuurlijk
leiden tot het denkbeeld, om door het droogmaken van dezen waterplas
het eene voor te komen en het andere te bewerken; en in der daad zijn
daartoe in vroegere en in latere tijden ontwerpen te berde gebragt en
beraamd, waarvan de uitvoering echter steeds is achterwege gebleven,
hetzij dat tijden en omstandigheden daartoe hebben medegewerkt,
hetzij dat zich daartegen bedenkingen opdeden, voornamelijk ontleend
uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap van Rhijnland,
die niet altijd gereedelijk waren uit den weg te ruimen."
»De omstandigheden, waarin dit distrikt ten aanzien van deszelfs
uitwatering verkeert, zijn echter in de latere tijden zóódanig
veranderd, en de middelen, die men thans kan aanwenden, om alle
bedenking daaromtrent weg te nemen, zóó gereed, dat men alsnu tot de
onderneming der droogmaking veilig zal kunnen overgaan."
»De opzettelijke en naauwkeurige overweging, die ten aanzien hiervan
is ingesteld, heeft dit ontegenzeggelijk doen zien, en dienvolgende is
dan ook het ontwerp beraamd, welks uitvoering thans gereed is om te
kunnen worden ondernomen, om weldra de heilrijke vruchten te dragen,
die daaruit moeten voortvloeijen."
»Eene onderneming van dezen aard, mitsgaders al de voorzorgen,
die daarbij moeten worden in acht genomen, kunnen niet anders dan
aanzienlijke kosten vereischen, zijnde de geheele som, hiertoe noodig,
berekend op ruim acht millioenen gulden, welke som nogtans natuurlijk
niet op éénmaal zal worden vereischt, maar successivelijk zal moeten
besteed worden, en voor een goed gedeelte slechts als voorschot kan
worden beschouwd en zal worden gerecouvreerd uit den verkoop der
drooggemaakte gronden en de verdere voordeelen, die de onderneming
gedurende de bewerking zal opleveren; terwijl, al mogt uit het een en
ander de geheele uitgeschoten som niet kunnen worden teruggevonden,
het ontbrekende als uitnemend wel besteed geld zal moeten worden
aangemerkt, en door de vermeerdering van de algemeene welvaart en
rijkdom rijkelijk zal worden vergoed."
»Behalve enz."
Met betrekking tot dit onderwerp van wet, werden aan de Kamer drie
verzoekschriften ingediend, waarvan één in de vergadering van 7 Maart
ingekomen, als niet voldoende aan de vereischten van de grondwet,
ter zijde werd gesteld. Het tweede was van Jonkheer N. J. Steengracht
van Duivenvoorde; waarop door de commissie van de verzoekschriften,
in de zitting van den 23sten Maart, bij monde van den Heer van Welderen
Rengers, werd uitgebragt het navolgend verslag:
»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van
jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde, landeigenaar onder
Rijnland. Verzoeker geeft te kennen, dat aan de Staten-Generaal
een ontwerp van leening van 30 millioen is aangeboden, om daaruit,
onder andere werken van openbaar nut, ook de Haarlemmer Meer droog
te maken; dat de landeigenaars onder Rijnland, vertegenwoordigd
door hunnen dijkgraaf, hoogheemraden en hoofd-ingelanden, over dit
belangrijk onderwerp niet zijn gehoord geworden; dat deze echter een
verkregen regt vermeenen te hebben op de Haarlemmer Meer, als boezem
voor hunne landen."
»Hij beweert, dat het voor al de landen ten zuiden van den Rijn
gelegen, die door eenen dijk van den algemeenen boezen zijn
afgescheiden en uit hoofde van derzelver lagere verkaaijingen aan
een maalpeil zijn onderworpen, van het hoogste belang is, dat de
voorgestelde maatregelen van droogmaking alle die waarborgen opleveren,
welke ten voordeele van dezelve worden verlangd. Requestrant vermeent,
dat uit het gemaakte plan van droogmaking blijkt, dat de boezem twee
derden in zijnen omvang zal worden verkleind; dat daardoor de berging
voor het water, hetwelk door de molens op den Haarlemmer Meer-boezem
thans wordt uitgemalen, even zoo veel beperkter wordt. Hij betoogt,
dat het gevolg hiervan zal worden, dat de landen zoo voor de kultuur
van granen, als voor het weiden van beesten, onbruikbaar zullen
worden, en meer dan tachtig duizend bunders zullen verloren gaan. Hij
beweert, dat dit eene van de voorname redenen is, om welke men in
vroegere tijden nimmer heeft durven overgaan tot het droogmaken van
de Haarlemmer Meer. Hij geeft verder te kennen, dat het groot nadeel,
hetwelk de landeigenaren bij eene eventuëele droogmaking van die meer
zouden lijden, door het gemis van eenen genoegzamen boezem tot berging
van het uitgemalen water, en door het even groot verlies van ontlasting
van dat water op het IJ, konde worden voorgekomen, wanneer gebruik werd
gemaakt van genoegzame stoomwerktuigen, om den winterboezem te houden
op 14, 15 à 16 duimen beneden A. P., op welke hoogte die boezem altijd
wordt gehouden en tot de cultuur der landen moet worden gehouden. Hij
vraagt al verder, door wien het daarstellen en het onderhoud van zoo
vele benoodigde werktuigen zouden moeten worden bekostigd, en vermeent,
dat die kosten alleen ten laste van dezulken, door wie de Haarlemmer
Meer zoude worden drooggemaakt, behooren gebragt te worden, en niet
ten laste van Rijnlands eigenaren zoude kunnen komen, hetwelk uit
de stelling van den requestrant schijnt te zijn eene der voornaamste
grieven, waarom het request wordt aangeboden. Adressant eindigt met
het verzoek, dat het U Ed. Mogenden behage, de belangen van Rijnlands
landeigenaren ten deze in vaderlijke overweging te willen nemen en te
zorgen, dat de Haarlemmermeer niet worde drooggemaakt, dan nadat de
daartegen militerende grieven der landeigenaren onder Rijnland zullen
zijn opgeheven en geheel weggenomen; dat zij in hunne belangen mogen
worden gehoord en als eigenaren van de Meer, als boezem van geheel
Rijnland beschouwd, voor de uitwatering der landen, in dat hun regt
mogen worden gemaintineerd."
»Uwe Commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking
hebbende tot eene wet bij deze Vergadering aanhangig, ter inzage van
de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie." [70]
Het derde verzoekschrift was van den Heer G. J. A. A. Baron van
Pallandt, waarop door de voornoemde Commissie mede bij monde van den
Heer Rengers, in de zitting van den 26sten, werd gedaan het volgend
verslag:
»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van
G. J. A. A. van Pallandt."
»Verzoeker geeft te kennen, dat hij, doordrongen van en vervuld met
het gewigt eener zaak van zoo veel belang als de droogmaking van de
Haarlemmer Meer, en geheel ingenomen met dit grootsche plan, zich tot
U Ed. Mogenden wendt, om, als een der belanghebbende grondeigenaren,
onmiddellijk aan dien thans zoo gevreesden waterplas grenzende,
zijne bedenkingen tegen de wijze waarop en de middelen waardoor die
droogmaking waarschijnlijk zal plaats hebben, met allen eerbied aan
deze vergadering bloot te leggen, in de hoop, dat U Ed. Mogenden hem
mogen gerust stellen, door betere inlichtingen, of de bezwaren opheffen
en keeren, of door andere meer doelmatige hulpbronnen doen vervangen."
»Hij geeft in de eerste plaats te kennen, dat, hoezeer de droogmaking
van de Haarlemmer Meer, bij welgelukken, als een zegen mag worden
beschouwd, echter proefnemingen, bij gelegenheid van die verbazende
en kostbare onderneming, al de in- en aangelanden in eene groote
ramp zouden storten.--Hij vermeldt, dat het hem uit het rapport
der commissie van de droogmaking der Haarlemmer Meer, ingesteld bij
Koninklijk besluit van 7 Aug. 1837, No. 51, is kenbaar geworden, dat
men de kanalen van Sparendam en Katwijk verbeteren en sluizen wil
bijbouwen, en, bij onvoldoende bevindingen, een stoomwerktuig van
180 paardenkracht te Sparendam wil plaatsen.--Hij geeft te kennen,
dat men dus, in plaats van met wiskundige zekerheid een werk van
dien omvang en van zoo groot gewigt te beginnen en te voltooijen,
eene proeve wil nemen, of, nadat de genoemde Meer zal zijn bedijkt,
de kleinere boezems de massa's water, die thans op den grooten boezem
worden uitgemalen, zullen kunnen verzwelgen.--Hij merkt aan, dat men
eerst dán, wanneer de molens zullen moeten stilstaan en de heerlijke
en vruchtbare landerijen geheel of ten deele met water zullen zijn
overdekt, waardoor het bestaan van den landman, althans voor een
gedeelte van het jaar, zal zijn weggenomen, een stoomwerktuig zoude
willen plaatsen."
»Adressant beschouwt zoodanige proefneming strijdig met het regt van
den grondeigenaar, die daaraan have en goed ziet prijs gegeven.--Hij
zegt, dat de ondervinding hem heeft geleerd, dat in het voor- en
najaar, wanneer er eenige dagen stilte is geweest, de groote meerboezem
met eene stevige koelte in één' dag een' Rijnlandschen duim en soms
hooger wordt opgemalen; dat in het najaar, bij aanhoudende westewinden,
dikwijls in verscheidene weken, door den hoogen stand der zee, noch
te Katwijk, noch te Sparendam of elders kan worden gestroomd, dat dan
de Haarlemmer Meer, door aanhoudend malen, zoo hoog wordt opgezet,
dat de onbedijkte landen en ook die in zomerkaden zijn gelegen,
overstroomd worden, of dat bij storm de polders, door het woedend
opzetten van het water, onderloopen;--hij vraagt, wat dan zoo vele
sluizen kunnen helpen, en vermeent, dat dezelve zonder nut zullen
dáár zijn, omdat wanneer de Haarlemmer Meer nu in weinige weken zoo
hoog kan worden opgezet, alsdan de kleinere boezem in weinige dagen
boven peil zal moeten zijn."
»Requestrant geeft in de tweede plaats te kennen, dat hij zich
niet zal vermeten eenige berekening te maken of het stoomwerktuig
te Sparendam voldoende zal bevonden worden, alsmede of de kanalen,
op zoodanige uitgestrekte ruimte, al het water, dat in zijne streken
en ook achter Leijden en in dien omtrek wordt opgemalen, zullen
kunnen bergen, en spoedig genoeg naar hunne uitwatering te Sparendam
en elders afleiden?--Hij vermeent evenwel, dat het doelmatiger
zoude zijn, wanneer dadelijk bij den aanvang van het werk, zoo te
Sparendam als ook te Katwijk, een stoomwerktuig wierd opgerigt, dat
dan de Spieringermeer niet tot vóórboezem zoude behoeven te worden
gehouden.--Hij gelooft tevens, dat het voorzigtiger zoude zijn, den
duiker, die hen, bij gebrek aan water, uit den IJssel daarvan zoude
voorzien, dadelijk daar te stellen; en vraagt, voor wiens rekening,
wanneer eens de meer droog zal zijn, en daarna het nut van zoodanigen
duiker wordt ingezien, dit nawerk zal komen, alsmede het onderhoud
der stoomwerktuigen?--Hij beweert, dat de aangrenzende landbezitters
met billijkheid een' genoegzamen waarborg mogen vragen, en schadeloos
behooren gesteld te worden, even als bij eene onteigening hunner
gronden,--dat de meer hun eigendom is, en dat de bedijking van
dezelve met eene onteigening gelijk staat.--Hij geeft te kennen
dat hun regt op de Haarlemmer Meer van uitmaling en boezem sedert
eeuwen onbetwistbaar is gebleven,--dat zij sinds onheugelijke jaren
in Rhijnland tot onderhoud der kostbare Meerwerken betalen, alleen om
in die Meer altoos het overbodige water vrij en onverhinderd te mogen
uitmalen,--dat zij nooit op eenig peil zijn gezet,--dat zij hunne
landerijen met die voorregten hebben gekocht, en dat de directie
van Rhijnland altijd met de meeste en onvermoeide zorgen voor de
uitwatering heeft gezorgd.--Hij vermeent verder, dat de voornaamste
grondeigenaren in Rhijnland, immers eene commissie uit hun midden,
mogt worden gehoord, ten einde zoodanige maatregelen te beramen,
als waardoor elke vrees voor onzekere uitkomst wierd weggenomen en
hunne duurgekochte landerijen tegen groote onheilen wierden verzekerd."
»Adressant geeft eindelijk te kennen, dat de geopperde bedenkingen
en zwarigheden hem gewigtig genoeg zijn voorgekomen, om dezelve aan
U Edel Mogenden met allen eerbied, in het belang van het algemeen,
maar vooral ook voor hen, die in Rhijnland hun land en bestaan vinden,
kenbaar te maken, in de hoop en het vaste vertrouwen, dat dezelven in
uwe vergadering zullen worden overwogen en velen met hem mogen worden
gerust gesteld, door meer voldoende maatregelen op vaste gronden,
zonder proefnemingen."
»Uwe commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking
hebbende tot eene wet bij deze vergadering aanhangig, ter inzage van
de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie [71]."
Beide verzoekschriften werden ter griffie nedergelegd en de verslagen
gedrukt en rondgedeeld.
Inmiddels werd het Ontwerp der Wet in de onderscheidene Afdeelingen der
Kamer behandeld; uit de Proces-Verbalen der beraadslagingen bleek onder
and., dat de Afdeelingen, alvorens zich met de zaak bezig te houden,
eenparig verlangd hebben, dat, aangezien het tegenwoordig Voorstel
drie onderwerpen bevat, welke met elkander niets gemeens hebben,
hetzelve in drie Ontwerpen van Wet mogt worden gesplitst, waarvan
het eerste zou handelen over den IJzeren Spoorweg, het tweede over
het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en het derde over
het aanleggen en verbeteren van andere werken van algemeen nut, enz.
»Nopens het droogmaken van het Haarlemmer Meer, heeft men de vraag
geopperd, of daartoe nu werkelijk noodzakelijkheid bestond; welke
de waarschijnlijke gevolgen zouden zijn, indien hiertoe niet spoedig
werd overgegaan, en of er ook andere middelen aanwezig zijn, om die
bezwaren uit den weg te ruimen? Voorts heeft men verlangd te weten,
hoe veel kosten er, gemiddeld, in de laatste 10 jaren zijn aangewend,
om de uitbreiding van het Haarlemmer Meer tegen te gaan; door wie
de kosten zijn gedragen, en op welke wijze het Rijk vergoeding zal
bekomen voor de ontlasting, welke uit eene bedijking en droogmaking
zal voortvloeijen? Welke bezwaren, uit den physieken toestand van het
Hoogheemraadschap Rijnland ontleend, het droogmaken tot nog toe in
den weg stonden, en op welke wijze die uit den weg zijn geruimd. Hoe
veel bunders men hierdoor voor cultuur denkt te verkrijgen, en of deze
dadelijk, dan wel eerst na verloop van vele jaren, vruchtdragend kunnen
zijn? Welke de voordeelen zijn, die, volgens de memorie, gedurende
de bewerking door de onderneming zullen worden opgeleverd? Of het
drooggemaakte Meer eventueel bij Rijnland zal worden gevoegd, en of
er behoorlijk zal worden zorg gedragen voor het voortdurend onderhoud
van de dijken, opdat dit niet ten laste van het Rijk moge komen?"
»Intusschen vermeenden onderscheidene leden reeds nu in het midden te
moeten brengen, dat zij het droogmaken van het Haarlemmer Meer in vele
opzigten als zeer nuttig beschouwen, niet alleen ter bevordering van de
gezondheid der in de nabijheid wonende ingezetenen, als ten behoeve van
Rijnland en van de Hoofdstad, en tot voorkoming van overstroomingen
en uitbreiding van dit Meer. Eenige leden waren van gevoelen, dat,
aangezien die droogmaking eigenlijk strekte ten nutte van Holland,
de onderneming ook moest komen ten laste van de provinciale kas van
Holland, en niet tot die van het Rijk, daar de Regering b. v. verklaard
had, dat ten aanzien van de verbetering van rivieren, waarmede het
belang en de welvaart van vier Provinciën in het naauwste verband
staat, en de conservatie van de zeeweringen in Groningen en Vriesland
de Rijksfinanciën niet toelieten, daartoe bij te dragen, terwijl
overigens de ondervinding b. v. bij den Zuidplas geleerd had, dat de
kosten bij de droogmakingen de ramingen verre overtroffen enz." [72].
De antwoorden der Regering betreffende dit onderwerp waren van den
volgenden inhoud:
»1º. Het zoude, naar het inzien der Regering, overbodig zijn, om de
nuttigheid en noodzakelijkheid van de onderworpen droogmaking in het
breede te betoogen."
»Men moet zich aan den eenen kant voorstellen een' uitgestrekten
waterplas van duizenden bunders, die voor de publieke welvaart
niet alleen geene de minste vruchten oplevert, en voor de som des
algemeenen rijkdoms verloren is, maar die bovendien, in weêrwil van de
aanzienlijke kosten, die, ter verhoeding van rampen, moeten worden
aangewend, de verwoesting steeds verder dreigt uit te strekken,
zoodat de vrees geenszins ongegrond is, dat hij zich eenmaal tot
voor de poorten der hoofdstad zal uitbreiden, onherstelbare rampen
zal veroorzaken, en in eenen staat kan geraken, die de droogmaking,
waartoe men eenmaal zal moeten besluiten, meer en meer moeijelijk en
kostbaar maken zoude."
»Men stelle zich aan den anderen kant voor, dezen uitgestrekten en
dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen, door nijvere
bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en door die producten
den algemeenen rijkdom toegenomen, en den Staat in zijne inkomsten
in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeeld."
»De keus kan dan zeker niet twijfelachtig zijn, al ware het, dat er
eenige opoffering daarvoor moest plaats hebben."
»Het heeft in vorige tijden niet aan ontwerpen, noch aan het voornemen
ontbroken, om tot deze droogmakerij over te gaan; doch er waren
daarmede zwarigheden verbonden, die niet gereedelijk konden worden
uit den weg geruimd.
»Gelukkiglijk is dit thans het geval niet meer, en de Regering
vermeent, dat, zoo ooit, dan thans, het oogenblik geboren is, dat
tot deze zoo weldadige en verlangende onderneming, zonder bedenking
zal kunnen worden overgegaan."
»2º. Eene onderneming van dezen aard zou echter geenszins aan eene
Provincie kunnen worden opgedragen; zij is daarvoor volstrekt niet
vatbaar, en dit te minder: vermits de voordeelen, die er uit moeten
voortspruiten, niet uitsluitend zouden zijn voordeelen voor eene
enkele Provincie, maar wel degelijk voor den geheelen Staat."
»De Regering heeft er zich steeds voor verklaard, om de algemeene
verbetering der rivieren, als eene zaak van algemeen belang, voor hare
rekening te nemen; alles wat daaromtrent geschiedt wordt uit 's Rijks
kas bekostigd, en ook thans is men nog onledig met de overwegingen
omtrent eene uitgestrekte verbetering der rivieren: met zulke groote
ondernemingen laat zich het onderhavig plan het naast vergelijken;
terwijl, wat de conservatie der zeeweringen betreft, dit eene zaak is
van eenen anderen aard; want, over het algemeen, is het onderhoud van
alle rivier- en zeedijken ten laste van de belanghebbenden, en alleen
dan, wanneer de kosten van dit onderhoud hun vermogen te boven gaan,
kan het Rijk met eenen bepaalden onderstand tusschen beiden komen."
»3º. Het kan niet gezegd worden, dat de kosten van uitvoering van
waterstaats-werken in den regel de ramingen overtreffen. Bij verre
de meeste werken is dit het geval niet, en ook is dit tot nog toe
bij de droogmaking van den Zuidplas geenszins gebleken."
»Men meent dan ook, met genoegzamen grond, als zeker te kunnen
stellen, dat de droogmaking van het Haarlemmer Meer voor de geraamde
som zal kunnen worden bewerkstelligd. Het zou overbodig zijn, omtrent
alle berekeningen deswege in de bijzonderheden te treden, daar deze
gegrond zijn op veelal kunstmatige onderzoekingen, en onderworpen
zijn geweest aan eene kommissie, uit de voornaamste belanghebbenden
en deskundigen zamengesteld."
»4º. Het kan niet wel met volkomen waarschijnlijkheid worden voorzien,
welke de opbrengst zal zijn van den verkoop der droog te maken landen,
vermits zulks van zeer vele omstandigheden kan afhangen, die vooraf
moeijelijk te berekenen zijn."
»Daar evenwel de waarschijnlijkheid bestaat, dat de gronden zeer goed
voor weilanden en de veeteelt zullen geschikt zijn, en de situatie ook
daartoe alle aanleiding geeft, zoo mag men met eenigen grond eenen
redelijken prijs voor den eventuelen verkoop der landen verwachten;
terwijl in allen geval de aanzienlijke voordeelen, die het Rijk door
de onderneming niet ontgaan kunnen, nog eene rijke vergoeding zouden
opleveren, indien de opbrengsten der gronden zelve beneden de bestede
kosten blijven mogten."
»5º. De kosten om de oevers van het Haarlemmer Meer volledig
te beveiligen, zijn zeer groot, en gaan verre het vermogen der
onmiddellijk belanghebbenden te boven."
»De geheele oostelijke oever moet thans door eene steenen glooijing
voor verdere inbraak worden beschermd. De som van omtrent f 30,000
wordt daartoe jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland
aangewend, zonder dat men zeggen kan, dat hiermede alle gevaar kan
worden voorgekomen."
»6º. Onder de droogmaking zal worden begrepen het geheele eigenlijke
Haarlemmer-Meer, benevens het Leidsche- en Kager Meer, met uitzondering
echter van het Spiering-Meer, hetwelk men algemeen gemeend heeft niet
in de droogmaking te moeten begrijpen, zoo om den boezem van Rijnland
niet te veel te verkleinen, als om voor de uitlozing eenen gereeden
toegang naar de sluizen te behouden."
»De uitgestrektheid der droog te maken gronden zal dien ten gevolge
een aantal van omtrent 16,700 bunders lands bedragen, die dadelijk
als vruchtdragend moeten worden beschouwd."
»7º. De Regering vermeent, dat zij niet zal behoeven te verzekeren,
dat alle bijzondere belangen en verkregene regten op de volledigste
wijze zullen worden onder het oog gehouden. Zij is zoo zeer overtuigd,
dat zulks behoort te geschieden, dat daaromtrent reeds overwegingen
hebben plaats gehad, en zij acht het een harer voornaamste pligten
te zijn, om hiervoor in alle gevallen te waken."
»8º. De onderneming moet geacht worden zeer uitvoerlijk te zijn,
en, in vergelijking met andere uitgevoerde droogmakingen, zelfs
geene bijzondere zwarigheden op te leveren. Het spreekt van zelf,
dat de waterplas geheel moet worden bedijkt, terwijl de uitmaling,
hetzij door windmolens, vereenigd met de kracht des stooms, hetzij
door stoomwerktuigen alleen (waaromtrent nog overwegingen plaats
hebben), zal moeten geschieden; de juiste tijd, binnen welken de
uitvoering zal kunnen worden tot stand gebragt, kan intusschen
niet worden bepaald, aangezien dit van vele meer of min gunstige of
ongunstige omstandigheden afhangt, en zijnde de keuze, ten aanzien
van het in meerdere of mindere mate aanwenden van stoomwerktuigen,
tot uitvoering en het duurzaam drooghouden van het Meer, daaromtrent
van een' grooten invloed."
»9º. Hierboven is reeds vermeld, welke sommen jaarlijks door het
Hoogheemraadschap van Rijnland, ter beveiliging der oevers, moeten
worden aangewend. Daarvan zal dit district bevrijd worden; doch dit
is niet het éénige voordeel, dat hetzelve door de droogmaking bekomt;
het aantal van 16,700 bunders zal, in zoodanige evenredigheid als
billijk zal worden bevonden, althans voor de uitlozing van deszelfs
water, moeten bijdragen, zoo dat dit district het uitzigt verkrijgt,
dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt."
»10º. De belangen van het gemelde Hoogheemraadschap hebben vroeger de
uitvoering dezer onderneming in den weg gestaan, vermits men vermeende,
dat deszelfs uitlozing daardoor zoude worden belemmerd."
»Men heeft daarin nu echter, door deze gemaakte ontwerpen, op de
meest voldoende wijze kunnen voorzien, zoo door een' overblijvenden
ruimen boezem, als de stichting van meerder uitlozende sluizen, de
volledige verbetering van het Katwijksche Kanaal, en het aanwenden
der stoomkracht, om, ingeval van nog bestaande noodzakelijkheid,
den boezem onmiddellijk naar vereisch te ontlasten."
»11º. De voordeelen gedurende de bewerking, bestaan in de verhuring
der dijken, de verpachting der visscherij, die der van tijd tot tijd
droogkomende landen, en eenige opbrengsten van dien aard."
»12º. De uitlozing van den toekomstigen polder zal op den boezem van
Rijnland plaats hebben; doch de vraag, of deze polder ook onmiddellijk
tot dat Hoogheemraadschap behooren, en, even als alle andere polders,
een gedeelte daarvan zal uitmaken, zal later, overeenkomstig de
bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen,
kunnen worden uitgemaakt."
»13º. De dijken van het droog te maken Haarlemmer Meer komen
natuurlijk ten laste van den eventuëelen polder, en moeten door
denzelven onderhouden worden, even als zulks in alle andere gevallen
plaats heeft, en er is geene de minste reden, om te vermoeden, dat
dit niet naar behooren zoude geschieden, daar het bestaan der droog
te maken landen hiervan afhankelijk is, en overigens daaromtrent ook
een zorgvuldig toezigt plaats heeft [73]."
Nadat deze antwoorden wederom in de Afdeelingen van de Tweede Kamer
waren onderzocht, en, in de vergadering van 31 Maart, de Centrale
Afdeeling een nader Verslag had uitgebragt [74], werd in de Zitting
van den 2den April over de voorgestelde Wet beraadslaagd. Acht en
Veertig Leden [75] waren tegenwoordig, waarvan vijftien over de wet
het woord hebben gevoerd.