AEN DEN LEEUW VAN HOLLANT.

Uitheemsche vyanden te zitten in de veeren,

Te slingeren den staert groothartigh over zee;

Is ydel, als uw long, geslagen aen het teeren,

Inwendigh vast vergaet; en gy, van hartewee,

Zoo deerlijk zucht, en kucht, en loost, by heele brokken,

Het rottende ingewant te keel uit in de golf.

Wat baet het met uw' klaen al 't oost en west te plokken,

Naerdien u bijt in 't hart dees wreede Waterwolf,

Belust om over u eerlang te triomfeeren?

o Lantleeuw, waek eens op, en wek met eenen schreeu

Al 't Veen, de Kennemaer, en Rynlands oude Heeren,

Met d'Aemsterlanders op, tot noothulp van hun' Leeuw,

Men sluite met een' dijk dees pest, die u komt plagen.

De Wintvorst vliegh' er met zyn molewieken toe.

De snelle Wintvorst weet den Waterwolf te jagen

In zee, van waar hy u quam knabblen, nimmer moê.

De Veenboer zit en wenscht dees waterjaght te spoeien,

En 't Veenwijf roept: hy ruimt, de Lantleeuw weit op 't ruim

En zuight zyn long gezont aen d'uiers van de koeien.

Zoo wint de Lantleeuw lant: zoo puurt hy gout uit schuim.

Vondel.

De aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal voorgestelde wet,

ter uitgifte van losrenten op een gedeelte der schuld, ten laste

der overzeesche bezittingen, tot het doen van voorschotten voor

openbare werken, is in de zitting dier Kamer van den 2den April

j.l. afgestemd en met haar alzoo ook het, bij die wet voorgedragen,

plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer. Van de vijftien Leden,

die over die wet het woord hebben gevoerd, is er echter niet één

geweest, die zich tegen die droogmaking heeft verklaard, ja de meeste

hunner hebben het verwezenlijken van dit zoo lang reeds beraamde

plan wenschelijk genoemd, en alleen één der sprekers heeft bezwaren

tegen hetzelve in het midden gebragt, welke meer uit bijzondere

plaatselijke belangen, dan uit de zaak zelve hunnen oorsprong namen,

zoodat men gerust mag vaststellen, dat, indien de droogmaking van

het Haarlemmer Meer bij eene afzonderlijke wet ware voorgesteld, die

wet door de Tweede Kamer zoude aangenomen zijn geworden, en dat zij

alleen, zoo als een geacht Lid der Kamer zeide, »om den vorm en om de

daarbij voorgestelde wijze van voorziening in de benoodigde gelden,"

niet om de daarbij voorgestelde zaken, is afgestemd geworden.

Wij vleijen ons alzoo, dat nog eenmaal, en, zoo wij hopen, binnen

kort, het zoo vaak beraamde plan tot droogmaking van het Haarlemmer

Meer zal verwezenlijkt worden; want wie, die, in den aanvang van het

vorige jaar, den toestand des lands rondom Amsterdam met aandacht

heeft gadegeslagen; die het water van het Meer over de landen in

den Binnenpolder tusschen Sloten en Sloterdijk, ja over den weg

zelven tusschen Haarlem en Amsterdam, heeft zien stroomen; die den

zwakken staat der dijken en middelen kent, welke dat water moeten

keeren, waarvan sommige niet veel meer dan enkele Zomer-kaden zijn,

wier onderhoud voor de eigenaren der naburige landen drukkender en

bezwaarlijker is, dan zij dragen kunnen, vreest niet met Leeghwater,

en met nog meer grond dan hij, dat het kind al geboren is, die het

zal beleven, dat het Meer voor de poort van Amsterdam zal komen? ja

vreest niet, dat hij zelf dit weldra zal ondervinden? en zegt niet

met den dichter [1]?

Wilt, eer uw ijver deez' landouwen

Met ijzren gordel prijken doet,

ô! Wilt de jammerplaag beschouwen,

Die kank'rend in heur binnenst wroet.

Of, moet ik ze u nog kennen leeren?--

Ziet, hoe de inééngevloeide meiren,

Door zwakke dammen niet te keeren,

Het land, dat land van melk en room,

Waar eens het vette rundvee loeide,

Waar Slotens vruchtbre moeshof groeide,

Herschiepen in een' waterstroom!

Wat zal voor de opgeperste vloeden,

Daar zelfs geen dijk hunn' voortgang stuit.

Het zinkend Aemstelland behoeden?

Verzwelgend breiden zij zich uit.

De teugellooze golven zwellen,

Gevoed uit 's afgronds diepe wellen:

Ras laat zich 't oogenblik voorspellen,

Wanneer zij haar verbolgen nat

In 's Aemstels bedding overgieten,

Met vaart en Slochter samenvlieten,

En stroomen binnen d'Aemstelstad.

Er zijn, wij weten het, die ons zullen toevoegen: reeds meer dan twee

eeuwen is dit schrikbeeld opgehangen, en nóg heeft het Meer Amsterdam

niet bereikt! Maar moet het dan eerst zóó ver komen? moet de water-wolf

dan nog eerst meer lands hebben ingezwolgen, vóór men tot het besluit

kome, om hem den muil te breidelen? Dat hij jaarlijks aan de randen

knabbelt, en jaarlijks meer en meer inzwelgt; dat het jaarlijks

schatten kost, om hem zijnen roof te betwisten, is overbekend [2].

In de XVIde eeuw was het Haarlemmer Meer nog slechts een plas van 3040

morgen, en afgescheiden van het Leidsche-, het Spiering- en het oude

Meer, uit welke het sedert is zamengesteld. Al deze Meren besloegen

in den jare 1531, volgens de kaart door den Landmeter van Rhijnland,

Melchior Bolstra, opgemaakt, te zamen 6585 morgen. Weldra werden deze

Meren door de kracht hunner wateren veréénigd; zij bedekten in 1591

reeds 12375, in 1647, 17082, en in 1687, 18100 morgen. Toen voormelde

Bolstra in de jaren 1739 en 1740, op hoog bevel, de vier Meren mat,

vond hij, dat 19,500 morgen lands door die wateren waren bedekt,

en bij de opmeting in 1808, door den Heer A. Blanken Jsz., is het

vereenigd Meer, thans bekend onder den naam van Haarlemmer Meer, met

het Kager Meer bevonden eene oppervlakte van 20872 morgen te beslaan,

zonder daarbij te rekenen het Lutke Meer, dat 323 morgen groot is

[3]. Een aanwas alzoo van bijna 15000 morgen op 6000, gedurende den

tijd van drie eeuwen.

Daarenboven zijn van het Haarlemmer Meer, aan den zuid-oostkant,

verscheidene zeer wijde uitgeveende plassen slechts door smalle

strooken lands afgescheiden, zoodat, indien men er deze bijvoegt,

de uitgestrektheid waters op 30000 morgen kan geschat worden, en

gewoonlijk geschat wordt.

Het door ons hierbij gevoegde kaartje toont den toestand van het

Haarlemmer Meer, zoo als het in 1531 was, en duidt tevens aan, hoe het

Meer van tijd tot tijd is vergroot en toegenomen: de buitenste streep

wijst de grootheid aan van dezen plas in den jare 1808. Al het land,

hetwelk tusschen die streep en die, welke met 1531 gemerkt is, ligt,

of liever, lag, is gedurende die drie eeuwen door het water verzwolgen.

Het is nog geen 250 jaren geleden, dat Zwanenburg (halfweg Haarlem

en Amsterdam) meer dan 700 Rhijnlandsche roeden van het toenmalig

Spiering-Meer, thans geheel met het Haarlemmer veréénigd, verwijderd

was, en nu ligt Zwanenburg aan het Meer en wordt door zijne wateren

bespat. Het is naauwelijks 200 jaren geleden, dat de dorpen Nieuwkerk

en Rijk, welig bewoond, hunne torens in het omliggend land omhoog

staken. Nieuwkerk en Rijk, toen meer dan drie honderd roeden van het

Meer verwijderd, zijn verdwenen, en hunne kerken en torens in hetzelve,

even als vroeger het dorp Vijfhuizen, bedolven, en de namen Nieuwkerk,

Rijk en Vijfhuizen zijn van de kaart des Lands en uit de geheugenis

der menschen weggevaagd.

Maar het Meer is nog zeven honderd roeden van Amsterdam verwijderd! wij

zeiden het zoo even, zeven honderd roeden was in 1591 Zwanenburg van

het Meer gelegen, en geen vijftig jaren daarna klotsten zijne golven

tegen Zwanenburg aan; zij zullen welligt weldra tegen en in Amsterdam

klotsen. De inwoners dier stad zullen ter eeniger tijd, (misschien is

die tijd niet verre verwijderd,) bij hun ontwaken vreemd ophooren,

dat het Meer over den Amsteldijk en bij de Beerenbijt stroomt. Dan

vergoeden Rhijnland en Leiden aan het Rijk de verliezen van Amstelland

en Amsterdam, Maar kunnen Rhijnland en Leiden ook niet eenmaal eene

prooi van dit vernielend gedrogt worden?

Meermalen heeft men dan ook, uit besef der onberekenbare gevolgen,

die dat ontzettend water voor Holland zou kunnen hebben, en bij het

denkbeeld, hoe vele morgen goeden, bruikbaren gronds door de golven

bedekt zijn, het plan beraamd om het Meer te bedijken, en, even als

zulks zoo vele andere meren zijn gedaan, droog te malen. Niet slechts

geldelijk belang, maar ook het afweren van een te vreezen onheil, was

het doel dier ontwerpen. Nu eens werd zoodanig een plan door bijzondere

personen, dan weder, gelijk bij voorbeeld in 1742 [4] en 1808, op

openbaar gezag beraamd. Maar die plannen bleven alle zonder gevolg. In

het begin van 1819 leverden de Heeren F. G. Baron van Lijnden van

Hemmen, W. F. Baron Roëll en O. Repelaer van Driel, de beide laatste

door den eersten hiertoe opgewekt, aan Z. M. een verzoekschrift in,

ten einde octrooi te erlangen, om, volgens een nader over te geven

plan, het Haarlemmer Meer te doen droogmaken en verlof te bekomen,

om deze onderneming bij wijze van associatie ten uitvoer te brengen,

als eene private en particuliere zaak, zonder dat het Gouvernement

met subsidiën, voorschotten of garantie zou worden bezwaard.

Z. M. gaf aan de verzoekers verlof, om een plan van droogmaking

te beramen, met last, om dienaangaande de belangen der Hoog

Heemraadschappen van Rhijnland en Amstelland in acht te nemen, en

gaf hun vrijheid, om, nadat het plan door Hoogstdenzelven zou zijn

goedgekeurd, hunne landgenooten tot medewerking en deelneming in dit

ontwerp te mogen uitnoodigen [5].

Dit plan van de Heeren van Lynden, Roëll en Repelaer kwam echter nimmer

in werking, en de zaak bleef wederom slepende, tot dat de stormen

van December 1836 en de niet te ontveinzen voor Amsterdam hoogst

bedenkelijke toestand van het Meer in Jan. 1837, het Gouvernement

ernstig bedacht maakten, om dien inlandschen vijand, tegen wien men

reeds eeuwen lang eenen kostbaren oorlog, en steeds met een ongelukkig

gevolg, voert, met kracht ten onder te brengen en zoo mogelijk ten

onder te houden. De voordragt hiertoe is thans verworpen en de zaak

zal wederom slepende blijven, tenzij het Gouvernement, bij eene

afzonderlijke wet, haar op nieuw aan de Staten-Generaal voordrage,

of wel, hetgeen welligt wenschelijker ware, bijzondere personen op

nieuw zich vereenigen, om, onder goedkeuring van het Gouvernement,

dit grootsch ontwerp ten uitvoer te brengen. Indien men bedenkt,

welke schatten de Heemraadschappen en de Ingelanden der polders, die

door het Meer bespoeld worden, jaarlijks moeten betalen, om dat water

in bedwang te houden, dan verwondert men zich, dat niet reeds lang

de eigenaren dier landen de handen in één hebben geslagen, om dien

gemeenschappelijken vijand te beteugelen. Hoe zouden hunne eigendommen

in waarde stijgen, indien zij van de jaarlijksche omslagen, die zij

thans tot het bedwingen van het Meer, dat met toom en breidel spot,

opbrengen, bevrijd waren! Men berekent de tegenwoordige jaarlijksche

kosten, tot onderhoud der Meerwerken, voor Rhijnland alléén, op meer

dan f 30,000. En vraag het den Ingelanden van den Binnen-Polder,

tusschen Sloten en Sloterdijk eens, wat het hun kost, om hunne

landen, en om Amsterdam tegen het Meer te beveiligen! vraag hun

eens, wat het jaar 1837 hun gekost heeft, en gij zult verbaasd

staan. Voor de Ingelanden der rondom het Meer liggende Polders zou

dus het droogmaken van dien plas mede hoogst gewigtig zijn. Bijzondere

belangen kunnen hiertegen in geene aanmerking komen, evenmin of deze

of gene stad, dit of dat collegie, deze of gene persoon voordeelen

uit het aanwezen van het Meer trekt. Bijzondere belangen moeten voor

het algemeen belang zwijgen, en de wet van onteigening, met hare niet

ongunstige schadeloosstelling, is daar en kan ook hier van toepassing

zijn. Het grootste bezwaar is, naar mijn inzien, de vrees, dat bij

sterke opzetting van water Rhijnland geene voldoende uitwatering zou

hebben. Maar zoo dat bezwaar, waarover ik niet kan noch mag oordeelen,

gegrond mogt zijn, dan vraag ik, of in den tegenwoordigen staat

der wetenschappen, en bij het veelvuldig en krachtig gebruik der

stoomwerktuigen, niet een middel is uit te denken, om Rhijnland in

dat geval van het overtollig water te ontheffen? Dit is zeker, dat,

indien het Meer blijft, zoo als het is, Amstelland vroeg of laat de

prooi zijner golven moet worden.

Maar de meeste schrijvers, die over het droog maken van het Haarlemmer

Meer geschreven hebben, zijn van meening, dat het opgegeven bezwaar

voor Rhijnland niet bestaat; immers zoo geducht niet is, als men het

wel wil voorstellen, en dat het ligtelijk zou zijn af te wenden.

Onder de schrijvers, die over het nut, de noodzakelijkheid en de

mogelijkheid der bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer

schreven, behoort in de eerste plaats Jan Adriaansz. Leeghwater, die,

vóór nu bijna twee eeuwen, in zijn beroemd Haarlemmer-Meer-Boek,

een volledig en, voor zoo ver bekend is, het eerste plan tot dit

onderwerp uitgaf.

Deze Jan Adriaansz. Leeghwater werd, in den jare 1575, in het dorp

de Rijp geboren [6]. Zijn vader Adriaan Symonsz. was aldaar timmerman

en had in 1594 het opzigt over het leggen van de eerste houten sluis

in de Rijp [7], en zijn grootvader, Symon Ruts, was aldaar brouwer,

en had tot vrouw Griet Maartensz., mede van de Rijp, die in den jare

1604, in den ouderdom van 90 jaren, stierf [8].

Waarschijnlijk, ja bijna zeker is het, dat zijne voorouders den

naam van Leeghwater niet voerden, maar naar het gebruik dier dagen,

dat nog lang ten platten lande, vooral in Noord-Holland, het langst

echter in Vriesland, heeft aangehouden, alleen den naam hunner vaders

bij den hunnen voegden, en alzoo slechts Adriaan Symonsz., Symon

Rutsz. enz. genoemd werden. Zoo ook komt Leeghwater in een octrooi van

den jare 1605, waarvan wij nader zullen gewagen, alleen onder den naam

van Jan Adriaansz. voor. Eerst in later tijd, en in meer gevorderden

ouderdom, schijnt hij den naam van Leeghwater te hebben aangenomen,

waarschijnlijk door dezen of genen hem toegevoegd, om de veelvuldige

wateren, die hij in Noord-Holland en elders had helpen leêgen [9].

Zijne moeders-moeder was Pietje Pieters Schoute, en eene dochter der

zuster van eenen Abt van het klooster van Egmond [10].

Hij zelf schijnt eene vrouw uit de Schermer te hebben gehad; want in de

kleine kronijk zegt hij (bl. 11, No. 11): "De huisluiden van Schermer

waren in mijne jonkheit, toen ik aldaar eerst getrouwd was, wat ruw van

manieren en zeden; daar waren weinig huizen, die schoorsteenen hadden."

Van zijne eerste jeugd en van zijne opvoeding is ons weinig of niets

bekend; hij noemt zich op de titels der door hem uitgegeven werken:

Molenmaker en Ingenieur van de Rijp; doch hij bezat in zeer vele

vakken eene groote ervarenheid, en men zou hem een' duizend-kunstenaar

kunnen noemen.

Hij verhaalt in zijne kleine kronijk [11], dat het hem heugde, dat

er in Holland niet één achtkante oliemolen met stampers bestond, en

dat hij voor eigen gebruik den eersten zoodanigen molen tegen Rijp en

Graft getimmerd en gemaakt heeft; dat die molen, toen hij dit schreef,

bijna 45 jaren gebruikt en nog gangbaar was.--Hij schijnt dus ook

olieslager te zijn geweest.

Toen in het jaar 1630 het raadhuis in de Rijp zou worden gebouwd,

vervaardigde hij het bestek en de daartoe behoorende teekeningen,

waarna het werd afgewerkt [12].

Doch als Molenmaker muntte hij voornamelijk uit, en zijne bekwaamheid

in het vervaardigen en stellen van Molens werd niet slechts binnen

's Lands, maar ook daar buiten beroemd. Van hoeveel belang die

bekwaamheid is, weten zij, die zich met het droogmaken van plassen of

polders immer hebben moeten onledig houden. Maar die bekwaamheid kwam

vooral in den tijd, waarin Leeghwater leefde, te stade. In de XVIe

en in het begin der XVIIe eeuw was Holland bijna meer dan de helft

water. De kaart van J. J. Beeldsnijder, gedrukt in 1575, kan er u

van overtuigen. Reeds in de laatste helft der eerstgenoemde eeuw,

werden eenige dier plassen drooggemaakt; men begon in 1553 met de

Zijp; maar in het begin der XVIIe eeuw, toen het land, van vreemd,

uitheemsch gezag ontslagen, eenigzins tot rust begon te komen, was

men er ernstig op bedacht, om die binnenlandsche wateren uit te malen

en in bruikbaar land te herschapen. Droogmaking op droogmaking volgde

elkander op. Bij de meeste dier ondernemingen was Leeghwater door raad

of daad behulpzaam; vooral was hij werkzaam bij het bedijken van de nu

bloeijende Beemster, waarbij hij was aangesteld, om, zoo als hij zegt:

»waer te nemen het fabrijken en stellen van de watermolens." Het is

bekend, dat dit Meer, met welks bedijking men in 1608 een' aanvang

nam, (niettegenstaande het eens doorbrak) in 1612 geheel droog was

gemaakt. Ook bij het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Bijlmer,

de Waard, de Schermer en van meer andere meren, moerassen en polders

was hij werkzaam [13], en zijn genie wist vaak de hinderpalen te

overkomen, welke zich van tijd tot tijd opdeden. De roem zijner

bekwaamheid in het leêgmalen van plassen was zóó groot, dat hij door

den Stadhouder Frederik Hendrik, in den jare 1629, in het leger vóór

's Hertogenbosch werd ontboden, om, zoo als Leeghwater het uitdrukt:

»het water uit het leger te malen en de watermolens bij Engelen weder

gangbaar te maken." Hetgeen hij naar wensch volvoerde, en niet weinig

tot het bemagtigen dier belangrijke stad heeft toegebragt [14].

Maar ook buiten 's Lands werden zijne bekwaamheden op prijs gesteld:

in den jare 1628 werd hij naar Bourdeaux geroepen, om zijnen goeden

raad te geven tot het droogmaken van een moeras, 4500 morgen groot,

toebehoorende aan den Hertog van Epernon, en niet ver van dáár gelegen

[15]; waaraan hij naar wensch voldeed, eene kaart van dat Moeras

vervaardigde en dezelve aan den Hertog, die toen met het leger van den

Koning van Frankrijk vóór Rochelle lag, overhandigde [16]. Twee jaren

hierna ontbood men hem naar Metz, om raad te geven tot het droogmaken

van een aldaar gelegen moeras [17]. Ook in het gebied van den Hertog

van Holstein, in Emderland, in Friesland en elders werd hij geroepen,

om behulpzaam te zijn in het droogmaken van moerassen en meren, om,

zoo als hij zegt, »te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaijen,

heulen, molens, molen-togten, kolken, wateringen, enz."

Maar zijne bekwaamheden en werkzaamheden bepaalden zich niet tot

het hierboven opgenoemde: wij zeiden reeds boven, dat hij in zeer

vele vakken van wetenschap eene groote ervarenheid bezat. Hoor wat

hij er zelf van zegt:--»Ik heb (dus schrijft hij in zijn kleine

Cronijkje No. 49) in mijnen tijd gemaakt verscheidene soorten van

molens, ook huizen en sluizen en verscheidene notabele stukken van

kassen en schrijnwerken, alsmede vele uurwerken in dorpen en steden,

ook mede twee groote notabele speelwerken te Amsterdam, staande op

den Wester- en Zuiderkerks-toren. Ik heb ook mede gemetseld aan het

nieuwe stadhuis te Amsterdam, en mede aan den toren van de Nieuwe Kerk,

alsmede aan de brug bij Jan-Roodepoorts-toren. Behalve dien heb ik nog

verscheidene notabele handwerken gedaan in hout en steen, in koper,

in ivoor en metaal, hetwelk te lang zou wezen om alles te verhalen."

»Ook somtijds met de pen te speelen,

Te teekenen kerken en kasteelen,

Daar bij te schrijven grof en fijn,

Dat kan (God-lof!) nog heel wel zijn."

Dit schreef hij toen hij 74 jaren oud was. Dat hij elf jaren vroeger

nog heel wel met de pen kon omgaan, blijkt uit onderstaand fac simile

van eene door hem in den jare 1638 vervaardigde teekening.

Een Can die veel te-water gaet.

Int eijnd noch wel aen stucken slaet.

Het Haarlemmer-Meer-Boek · 第 3 / 11 题