De eerste spreker was de Heer van Swinderen, welke zeide: [76]

»Is ten allen tijde in ons vaderland het groot belang, hetwelk

de ingezetenen hebben in den waterstaat, in vaarten en wegen,

levendig gevoeld; zijn in het bijzonder de menigvuldige bedijkingen,

en de in de laatste jaren aanmerkelijk vermeerderde en verbeterde

vervoermiddelen daarvan sprekende bewijzen; het heeft ons dan ook niet

kunnen bevreemden, dat de Regering hare aandacht gevestigd heeft,

zoo wel op het droogmaken en in eenen vruchtbaren grond herscheppen

van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en

daardoor dreigenden waterplas, als op het meer snel en minder kostbaar

vervoer van personen en goederen over ijzerbanen, die reeds in andere

landen in gebruik zijn gesteld. In tegendeel, wanneer wij ons met

de Regering dien uitgestrekten en dreigenden waterplas voorstellen

als in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt,

rijke producten opleverende, en hierdoor den algemeenen rijkdom

vermeerderende, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten

aanmerkelijk bevoordeelende,--wanneer wij tevens het hooge belang

gevoelen van den buitenlandschen handel, en denzelven wenschen te

behoeden voor een gevaar, hetwelk geenszins hersenschimmig wordt

genoemd,--dan kunnen de ontwerpen van wet tot zulke gewigtige oogmerken

strekkende, ons niet dan welkom zijn, en de zorg, met welke het thans

in openbare beraadslaging zijnde ontwerp in alle de afdeelingen is

overwogen, levert een ondubbelzinnig bewijs op, dat het gewigt van

hetzelve levendig door U Ed. Mogenden wordt gevoeld."

»Geen wonder dus, dat de inlichtingen, welke ons ter dezer zake

door de Regering zijn gegeven, vooral ook de op ons aanzoek ons

ter inzage verleende memoriën en berekeningen van die kundige

en vaderlandslievende mannen, welke over deze onderwerpen zijn

geraadpleegd, en welke hunne gevoelens en inzigten zoo uitgewerkt aan

de Regering hebben medegedeeld, door ons met de meeste belangstelling

zijn ontvangen geworden."

»Ik wenschte dan ook, Ed. Mog. Heeren! dat het ontwerp van wet mijne

geheele toestemming mogt kunnen erlangen, en dat ik niet in den

tijd en de wijze waarop, zoowel als in de middelen door welke, de

uitvoering van de in dat ontwerp, alsmede in de toelichtende memorie

en in de beantwoording der ingebragte bedenkingen, omschrevene werken

zal plaats hebben, zoo vele bezwaren vond, dat ik daardoor van die

toestemming, immers voor alsnog, wierd weêrhouden."

»Daar echter die bezwaren reeds in de processen-verbaal van

de beraadslagingen der afdeelingen zijn te berde gebragt, zoude

ik vreezen de aandacht van U Ed. Mogenden te misbruiken, indien ik

thans in eene breede ontwikkeling van alle dezelven wilde treden, en

ik zal daarom trachten deze bezwaren, zoo verre die in het verhaal

der vierde afdeeling voorkomen, doch naar mijne meening door de

antwoorden der Regering niet zijn opgelost of genoegzaam toegelicht,

zoo kort mogelijk voor te dragen."

»En dan vallen in de eerste plaats in het oog drie algemeene

bedenkingen, welke in de genoemde afdeeling zijn vooruitgezet,

en die ik daarom thans slechts zal opnoemen, namelijk 1º. dat de

tijd nog niet gekomen is, om zulke groote en kostbare ondernemingen,

als zijn die van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer,

en van het daarstellen van ijzerbanen, voor rekening van het Rijk

tot stand te brengen, maar dat werken van dien aard, voor zoo veel

dezelven niet door particuliere personen of maatschappijen onder

toevoorzigt der Regering kunnen worden daargesteld, en niet door den

drang van omstandigheden gebiedend worden geeischt, dan eerst behooren

in overweging te worden genomen, als de Belgische zaak geschikt,

de oorlogskosten verminderd, en de jaarlijksche vermeerdering van

schuld opgehouden zal zijn; 2º. dat werken van zoo onderscheiden

aard niet te zamen in één wetsontwerp behooren te worden vereenigd,

maar in afzonderlijke ontwerpen vervat, opdat niet het goed en nuttig

geoordeelde werk om het afgekeurd wordende verworpen, of omgekeerd

het afgekeurd wordende om het goedgekeurde aangenomen mogt worden;

3º. dat het niet raadzaam schijnt, om tot zoodanige werken fondsen

te bezigen, welke tot een ander doel zijn bestemd geworden, en door

welker gebruik het reeds zoo ingewikkeld geldelijk beheer nog meer

zoude worden gecompliqueerd; wordende deze bedenking, mijns oordeels,

nog versterkt door de aanmerking in het slot der beantwoording van

de Regering te vinden, volgens welke de openlegging van den staat

van het Amortisatie-Syndicaat spoedig op handen is, en men dan met

meerdere kennis van zaken over gebruik en restitutie van kapitalen,

en over te nemen maatregelen van voorziening, zal kunnen oordeelen."

»Bij deze algemeene bedenkingen komen nog vele bijzondere, ten aanzien

der onderscheidene werken bij dit wetsontwerp bedoeld, waarvan ik

slechts eenige voorname zal in het midden brengen, en wel vooreerst

ten aanzien van den spoorweg of ijzerbaan van Amsterdam naar Arnhem."

»Ik sprak enz.",

»Ook de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer beveelt zich

van onderscheidene zijden aan. De herschepping van eenen grooten, van

tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden

waterplas in eenen vruchtbaren met nuttig vee beslagen' grond, kan met

treffende kleuren worden afgeschilderd: en ook het Rijk heeft daarbij

zóó veel belang, dat het verstrekken van eenige sommen van staatswegen

tot dat einde niet onaannemelijk worden geacht. Verder, ofschoon ik

niet overtuigd ben van de gegrondheid van het bij sommige ingelanden

van Rijnland bestaande bezwaar in eene droogmaking van het geheele

Haarlemmer Meer, en ik zelfs eene zoodanige geheele droogmaking boven

eene partiëele, om verschillende redenen, thans niet te ontwikkelen,

verkieslijk houde, kan ik toch genoegen nemen met de ter gemoetkoming

aan dat bezwaar door de benoemde belanghebbenden en deskundigen

voorgestelde wijze van bedijking, in voege dat een klein gedeelte

van dien grooten plas, onder den naam van Spieringermeer bekend,

buiten bedijking blijft, om te dienen tot een' boezem, in welken

het water wordt opgemalen, ten einde alzoo door sluizen te worden

geloosd. Die boezem is, ook naar mijn oordeel, groot genoeg, om bij

dagelijksche ontlasting al het dagelijks opgemalen of opgestoomd

wordende water te kunnen bevatten; terwijl de door het opmalen of

opstoomen veroorzaakte hooge stand des waters de lossing daarvan in

diezelfde mate zal vermeerderen, als het boezem-water zal rijzen."

»Dan ook tegen dit werk doen zich eenige bedenkingen op. Want

om, ter bekorting mijner rede, niet terug te komen op alles,

wat daaromtrent reeds in de verbalen der beraadslagingen van de

afdeelingen nopens het hooren der belanghebbenden, de verzekering

van wettig verkregene regten, de berekening van het productive des

werks, en meer andere punten is gezegd, en naar mijn oordeel in de

beantwoording der Regering niet tot bevrediging en geruststelling van

U Edel Mogenden is opgelost; om al verder niet te treden in een betoog

van de noodzakelijkheid, dat nieuwe wetsbepalingen, op het stuk van

de onteigening, het daarstellen van zulke groote werken, als in dit

wetsontwerp worden voorgedragen, dienen vooraf te gaan; wil ik thans

alleen opmerken, dat de gegrondheid van het gevoelen van velen onzer,

dat dit werk, hoe nuttig hetzelve ook wezen moge, echter meer uit

het oogpunt van plaatselijk, districts- en gewestelijk, dan wel uit

dat van algemeen belang moet worden beschouwd, onder anderen dááruit

blijkt, dat Rhijnland, volgens het overgelegde plan en teekening,

eene volledige verbetering in het Katwijksche kanaal zoude erlangen,

eene verbetering, waartoe anders, zoo als door de vijfde afdeeling te

regt is aangemerkt, bij den onvolmaakten toestand, waarin dat kanaal

zich bevindt, Rhijnland toch verpligt zoude zijn, vroeger of later

over te gaan. Ook is dit gevoelen niet alleen door de beantwoording

der Regering niet wederlegd, maar zelfs aanmerkelijk versterkt door

hetgeen aldaar sub 5º. en 9º. te lezen is, namelijk »dat de kosten,

om den oever van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, thans

zeer groot zijn; dat de geheele oostelijke oever door eene steenen

glooijing voor verdere inbraak moet worden beschermd; dat daartoe

de som van omtrent f 30,000 jaarlijks door het Hoogheemraadschap van

Rhijnland wordt aangewend; dat dit district door de bedijking van het

Meer daarvan zal worden bevrijd; en dat dit niet het éénige voordeel

is, hetwelk hetzelve door de droogmaking zal bekomen, maar dat ook

het aantal van 16,700 bunders voor de uitlozing van deszelfs water

zat moeten bijdragen, zoodat dit district het uitzigt verkrijgt, dat

in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt.""

»Kan het wel duidelijker, Ed. Mog. Heeren! dan hier geschiedt,

uiteengezet worden, dat niet alleen het algemeene Rijks-belang, maar

ook wel degelijk een meer bijzonder belang in dit werk is betrokken,

en kan dan het gevoelen van de zoodanigen onzer, die van oordeel zijn,

dat hetzelve niet voor rekening en op kosten van het Rijk alleen

dient te worden ondernomen, maar dat ook plaatselijke, districts-

en gewestelijke bijdragen daartoe in billijke evenredigheid behooren

te worden aangewend, ongegrond worden genoemd?"

»In sommige afdeelingen is te kennen gegeven, dat het door de Regering

geopperde, doch niet aangenomen denkbeeld, om de ondernemingen

aan particulieren over te laten, en dus de kosten der werken uit

particuliere negotiatiën te vinden, alles onder het oppertoezigt

der Regering, niet geheel verwerpelijk voorkwam, althans in het

geval, dat er uitzigt bestaan mogt, dat zich daarvoor associatiën van

bijzondere personen mogten opdoen. Ten aanzien van de spoorwegen, zijn

daartegen in de beantwoording gewigtige bedenkingen, vooral uit de

noodzakelijkheid, dat de Regering van het tarief der regten meester

blijve, ontleend, ingebragt: dan ten aanzien van de bedijking en

droogmaking van het Haarlemmer Meer bestaan die bedenkingen niet, en ik

zoude daarom dit werk wel aan eene maatschappij van bijzondere personen

willen overgelaten zien, alles onder genot van zoodanige Rijks-,

provinciale en districts-bijdragen, en verdere aanmoedigingsmiddelen,

als noodig mogten worden geoordeeld, om dit gewigtige werk met een

gegrond uitzigt op goed gevolg tot stand te kunnen brengen."

»Wat de verdere werken enz. [77]."

Daarna sprak de Heer Donker Curtius en zeide over dit onderwerp:

»Ten aanzien van de droogmaking van het Haarlemmer Meer denk ik

minder ongunstig, (dan over den Spoorweg); maar de zamenvoeging van

dit onderwerp met de Spoorwegen verhindert mij, om mijne stem bij

dit onderwerp alleen te bepalen."

»Doch ook, wanneer het mij op zich zelf werd voorgelegd, zoo als

het thans is voorgesteld, zou ik, bij gemis van oplossing van vele

ingebragte bezwaren, huiverig zijn, daaraan voor als nog mijne

toestemming te geven, 1º (en dit alles is ook toepasselijk op de

ijzerbanen) omdat ik het oogenblik onzer Staatkundige positie en

geldelijke aangelegenheden daartoe min geschikt acht; 2º omdat mij de

zaak, tot hiertoe, meer vatbaar schijnt voor particuliere onderneming,

des noods met subsidie uit 's Lands Kas, dan voor eene onderneming

der Regering; en 3º omdat ook dan, wanneer ik de onderneming, zoo

als zij wordt voorgedragen, als volkomen aannemelijk keurde, ik niet

van oordeel ben, dat daartoe eene disponibelstelling van het gansche

benoodigde fonds bereids nu vereischt wordt, veel minder dat het eene

behoefte zou zijn, om tot dat einde casu quo toegestemde fondsen van

derzelver wettelijke bestemming te detourneren [78]."

De Heer Romme was de derde spreker, en zeide:

»Evenmin wil ik, door de afstemming der onderwerpelijke Wet, gehouden

worden als tegen het droogmaken der Haarlemmer Meer op te treden;

ook deze onderneming beschouw ik als nuttig en wenschelijk, en zoude

mij aangaande de mogelijke uitvoering van dat belangrijke werk op

de ervarenheid en het beleid van de directie van onzen algemeenen

waterstaat willen verlaten; maar dewijl bij deze onderneming algemeene,

gewestelijke en plaatselijke belangen betrokken zijn, zoo behooren

ook deze in verhouding tot het voordeel, hetwelk de onderneming

eventueel voor hen kan doen ontstaan, of den last, waarvan zij dien ten

gevolge ontheven worden, daartoe bij te dragen. In zoo verre dezelve

echter niet door eene oogenblikkelijke en dringende noodzakelijkheid

mogt geboden worden, zoo wordt de verdaging van dien, mede uit een

finantiëel gezigt, aanbevolen [79]."

Breedvoerig sprak de Heer Luzac over dit onderwerp, hetgeen hem,

als inwoner der stad Leijden, natuurlijk moest ter harte gaan. Zie

hier zijne redevoering:

»Ik was voornemens geweest, bij de uiteenzetting mijner gedachten

over het onderhavig wetsontwerp, en de redegeving van mijn ongunstig

votum, de orde, waarin de diverse onderwerpen zijn opgenoemd, te

volgen, en na eene algemeene consideratie te hebben vooropgezet,

mitsdien: 1º. over den spoorweg van Amsterdam op Arnhem; 2º. over

den zijtak van Rotterdam op Utrecht;--in de derde plaats over het

bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, te spreken, om, in

de vierde plaats, de overige bedoelde werken te behandelen, en met

de beoordeeling van het voorgestelde finantiëel middel te besluiten."

»Ik zal dit voornemen echter laten varen en mijne taak aanmerkelijk

beperken: het onderwerp der spoorwegen zal ik stil ter zijde laten

liggen, en mij bij de tweede hoofdbedoeling der wet, het droogmaken

van het Haarlemmer Meer, ééniglijk bepalen; ik kan mij toch ook met

de bedenkingen van U Ed. Mogenden omtrent de spoorwegen, zoodanig

als dezelve door de Regering zijn voorgesteld, in al de afdeelingen

bestreden, evenzeer vereenigen, als met vele der gezigtspunten,

zoo even door ons geacht medelid uit Holland (Donker Curtius) uit

een gezet."

»De algemeene consideratie, welke, naar mijn oordeel, de

beraadslagingen over dit wets-ontwerp domineert, is de finale

ongepastheid en ongeschiktheid van het tegenwoordig oogenblik tot

het aanvangen der bedoelde werken. Het komt mij voor, dat, bij de

verwachte schikking onzer quaestiën met België, de voorzigtigheid ons

moet gebieden, de verwezenlijking derzelve af te wachten, alvorens

ons in ondernemingen te steken, welke (de nuttigheid volkomen eens

aangenomen), aanvankelijk toch reeds op ene uitgaaf van 24 millioen

geraamd worden, en ons tot beschikbaarstelling van nog vele andere

millioenen zullen kunnen noodzaken."

»Ik wil de spoedige en gunstige beëndiging onzer geschillen verwachten,

en vraag, of wij, na dezelve, niet beter het standpunt zullen kennen,

waarop wij ons staatshuishouden zullen kunnen en moeten inrigten;

of wij dan niet beter zullen kunnen beoordeelen, welke middelen wij

tot verbetering onzer inwendige communicatiën moeten aanwenden; of

en hoe wij Hollands grooten waterplas in welige landsdouwen zullen

kunnen herscheppen?"

»Doch, enz."

»Ten opzigte van het droogmaken van het Haarlemmermeer is mijne

bedenking echter van de meeste kracht; daar deze onderneming, welke

reeds meer dan twee eeuwen ter sprake gebragt is, voorzeker wel in

zeer rustige tijden mag ondernomen worden, en het uitstellen daarvan

het algemeen waarlijk niet met zoo vele en zoo eminente gevaren

bedreigt, als men dit soms wil doen gelooven. Bedenken wij toch, dat

bij het opkomen van ieder plan tot bedijking, in 1617, 1632 enz.,

de ondergang van Holland door het Meer steeds als zeer aanstaande

werd aangekondigd. In 1742 voorspelde doctor Zumbag de Koesvelt dien

ondergang als zeer nabij, indien men zijne droogmakings-projecten

niet volgde; zij bleven achter, en reeds bijna eene eeuw is nu gunstig

over zijne profetie heengevlogen."

»Eenig uitstel zal hier weinig schaden, terwijl het onvoltooid laten

des werks, ten gevolge van moeijelijkheden, waarin het vaderland nu kan

gewikkeld worden, de schromelijkste gevolgen na zich kan slepen. De

intempestiviteit alleen zoude mij dus reeds doen huiveren, aan het

ontwerp van wet mijne toestemming te geven."

»Doch ik wil mij achter dit algemeen bezwaar niet verschuilen, en

tot de wet zelve overgaan:--ik laat, zoo als ik zeide, de quaestie

der spoorwegen geheel ter zijde liggen, om dadelijk en uitsluitend

het onderwerp van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmermeer

te behandelen."

»Hierbij doet zich al dadelijk eene zeer belangrijke vraag op,

welke ik de aandacht en het onbevangen oordeel van U Ed. Mogenden

moet aanbevelen,--zij is deze: »kunnen en mogen de Staten-Generaal de

Regering in deze ondersteunen;--kunnen en mogen zij dit, in den stand,

waarin de quaestie van het droogmaken van het Haarlemmermeer zich thans

nog bevindt?" Ik houde mij overtuigd, dat deze vragen niet wel anders

dan ontkennend kunnen beantwoord worden, en zal aan U Ed. Mogenden

mijne redenen openleggen.--Wat is »hetgeen men het Haarlemmer- of

Leijdschemeer noemt?" Is het een waterplas, welke, als b. v. de

Zuiderzee, kan gezegd worden, aan het algemeen te behooren?--Is

het een waterplas, welke onbeheerd, onverzorgd ligt--welke aan het

domein vervallen is; over welken de algemeene Regering des Lands

eenige onmiddellijke administratie heeft? Voorzeker neen!--Het

is een waterplas, geheel in de provincie van Holland gelegen, tot

deze alleen behoorende: hij is, en was van de overoudste tijden af,

onder het oppertoezigt van een bijzonder collegie gesteld, hetwelk

de zorg heeft en volbrengt, van hem, in het belang van het geheel

hem omgevend district van Rhijnland, gade te slaan, en naar gelang

der hiertoe bestaande middelen te beteugelen."

»Het is, en dit is opmerkingswaardig, als eene rentegevende bezitting

van de stad Leijden te beschouwen; een bezit, door die stad titulo

oneroso verkregen, hetwelk haar, zonder de grootste onregtvaardigheid,

niet eigendunkelijk en zonder voorafgaande voldoende schikkingen, kan

of mag ontnomen worden.--De Hooge Regering, Ed. Mog. Heeren! kan en

moet over de bedoelde droogmaking niet beslissen, zonder voorafgaand

bepaald overleg en medewerking der steden Haarlem en Leijden, zonder

hierin het Hoogheemraadschap van Rhijnland, zonder bepaaldelijk ook

de Staten der provincie gekend te hebben."

»Dit klinkt U Edel Mogenden welligt vreemd; doch die bevreemding zal

spoedig ophouden, wanneer ik U Edel Mogenden eenige feiten uit onze

Geschiedenis zal hebben kenbaar gemaakt, en U Edel Mogenden eene

authentieke akte, door Willem den eersten en de Staten des Lands

verleden, zal hebben doen zien: zij zal ophouden, zoodra ik U Edel

Mogenden omtrent de waarachtige en nog ten huidigen dage standhoudende

omstandigheden zal hebben toegelicht."

»In het werk van den beroemden Frans van Mieris, in den jare 1770,

door Mr. Daniel van Alphen te Leijden uitgegeven, onder den titel van

Beschrijving der stad Leijden, deel II, pag. 605, leest men:--»dit

groote water (het Meer) draagt thans zijn' naam naar de steden tusschen

welke het gelegen is: doch eertijds bestont het uit verscheidene kleine

meeren, die van elkanderen gescheiden lagen, in dier voegen dat men

langs het land van de Vennip en het uiterste van den Ruigenhoek,

daar men met een schouw over het Meer gezet wierdt, op Aalsmeer of

ander waard in Amstelland, of naar Woerden en Utrecht geraken konde:

doch men vindt aangeteekend, dat deze weg, door overstrooming in het

jaar 1496 onbruikbaar geworden, en de menigte der kleine meeren tot

eenen geweldigen plas gemaakt is, nogtans zijn de namen der eertijds

afgezonderde wateren tot heden overgebleven.""

»Al deze wateren waren nu, onder den algemeenen naam van Vroonwateren,

dat is te zeggen, vrij onbelaste wateren, bekend, en werden in den

jare 1433 door Hertog Philips van Bourgondië in erfpacht aan de stad

Leijden gegeven: zoo als te vinden is in het Groot Charterboek van

van Mieris, IV deel, pag. 1017."

"Margaretha, weduwe van Graaf Willem VI, herhaalde deze uitgifte in

1434 en 1435, en Philips, Hertog van Bourgondië, stelde, in de maand

Junij 1451, orde, »dat die van Leijden in de gepachte vroonwateren

niet verkort of beschadigd zouden worden."

»De stad Leijden namelijk had veel nadeel door het visschen van

bijzondere personen ontvangen, en nu beval Hertog Philips in gezegd

jaar 1451, wel uitdrukkelijk: »dat niemand in het gemelde water

zonder bewilliging van de stad Leijden zoude visschen, noch eenige

ruigte mogt snijden noch vervoeren, op zekere boeten, door den schout

van Leijden, van de overtreders te vorderen." Men leze de handvest,

bij van Mieris pag. 699."

»Op dezen voet, bij welken de vrije of vroonwateren tusschen Leijden

en Haarlem nog geheel in eigendom aan den souverein verbleven, is

de stad Leijden, voor 75 Wilhelmus schilden, jaarlijks te betalen,

pachter geworden en gebleven, tot na de afzwering van Philips II en

de vestiging van dezen Staat, door Willem den Eersten."

»En wat is toen gebeurd?--Ik bid U Ed. Mogenden hierop uwe aandacht te

willen vestigen: »toen is," zegt Van Mieris, Beschrijving van Leijden,

pag. 605, »het vroon tusschen Haarlem en Leyden, in het jaar 1583,

geheel aan de stad Leyden verkocht geworden, en die stad is sedert

in dat uitgebreide gebied door de Hooge Overheid gehandhaafd."

»Dit is geen sprookje, mijne Heeren! geene onzekere overlevering: de

acte van verkoop is voorhanden, en te vinden in de Handvesten der stad

Leijden, door Van Mieris, in 1759, uitgegeven, pag. 705.--Het zij mij

vergund de belangrijkste periodes aan U Ed. Mogenden mede te deelen."

»De akte is van den 31sten December 1583; boven aan leest men:

»Door den Prins van Oranje, de Ridderschap, Edelen en Gedeputeerden

van Holland, representerende de Staaten van 't Land, aan de stad

Leijden verkogt het vroon tusschen Haarlem en Leijden, &c. &c.--en

zij begint aldus:"

»»Willem, bij der gratien Goodts, Prince van Orangnen, Grave van Nassou

&c. &c.--mitsgaders die Ridderschappen, Edelen en Gedeputeerden van de

steden van Hollandt, representerende de Staten van den selven Lande:

Doen te wetenen, dat naerdyen bevonden is de Domeynen van Hollandt,

in voorleden tyden, ende verscheyden jaeren successivelycken, zoo by

't vercoopen ende versetten van dien, als belastinge van renten daer

op gestelt, zeer vermindert, becommert ende beswaert te zijn, in der

vougen, dat uyt die jaerlycxe vruchten ende incomsten derzelver de

voorsz. renten ende lasten daer op staende nyet en mochten worden

voldaen, waerdeur &c. Omme hier tegens te voorsien,--wy raetsaem

bevonden hebben, by zeeckere commissarissen, soo uyt de Edelen ende

Gedeputeerden van de steden, als uyt den Raide Provinciael--te doen

procederen, tot vercoopinge van diversche partyen van Domeynen. Welcke

commissarissen onder andere overcomen zyn met die Burgermeesteren,

ende Regeerders der stede van Leyden, als dat sy luyden in coope

hebben ende behouden zullen, ten behouve van heurluyden stede, de

partyen van Domeynen hier naer verklaert.""

»»Eerst, d'erffpacht van vyff en 't zeventich Wilhelmus schilden,

verscheynende tot twee termynen 't jaer--die de voorschreven stede

jaerlycks schuldig is, van 't vroon tusschen Leyden ende Haarlem,

voor de somme van twee duysent achhondert ponden van XL grooten

Vlaemsch 't pondt:--Item, &c."--Vervolgende de akte, na de opnoeming

van andere verkochte recognitiën, thijnsen en regten, aldus: »Ende

alzoo de voornoemde stede van noode is daervan te hebben haerder

verseekertheyt, Onze open brieven daertoe dienende; soo ist, dat Wy,

hebbende de voorsz. vercoopinge voor aengeneem, ende willende te goeder

trouwe procederen mitte voornoemde stede, ende haer verseeckeren zoo

't behoort, hebben denselven verkoft, gecedeert en getransporteert,

vercoopen, cederen ende transporteren bij desen, de voorsz. partyen

van Domeynen, hier vooren geroert, vry, zonder opstal van eenige

renten, omme deselye voor haer, off actie van haer hebbende,

in vryen eygendom te besitten ende gebruycken, sonder dat daervan

eenige nacoop, naestinge off lossinge zal mogen geschien.--Beloven

voorts de voorsz. coope by alle tractaten van peyse te houden staen,

ende te doen approberen, ende de voorn. stede--te garanderen vry,

costeloos ende schadeloos te houden van alle actien, aenspraken ende

pretensien, die selve ter cause van de voorsz. coope gemoveert sullen

mogen worden. Oock en sullen de voorz. partyen van domeyen bij geen

mesuren ofte delicten verbeurt mogen worden, ten ware d'eygenaer van

dien eenige verraderye tegen 't gemeen Vaderland aanrichte." Dat nu de

stad Leijden deze domeinen, zegt de acte, gekocht heeft, zal hierdoor

wel bewezen zijn, even zeer als het buiten kijf is, dat de stad zich

aan geene verraderije tegen het gemeene Vaderland heeft schuldig

gemaakt, en ze hierdoor kan verloren hebben; doch het blijkt ook,

dat zij de kooppenningen voldaan heeft, want de quitantie, in dato

14 November 1584, is bij Van Mieris, pag. 707, achter het bedoelde

stuk gedrukt."

»Na deze lecture veroorloof ik mij nu deze eenvoudige vraag, quo

titulo de Hooge Regering, welker predecesseuren dezen verkoop gedaan

hebben, en tegen alle aanmaningen plegtig gegarandeerd, nu zonder

toestemming van den eigenaar dezer regten, tot het droogmaken van het

Meer, het doelloos worden van het verkochte, kan besluiten? Hoe zij

deze vergadering hiertoe kan willen doen medewerken? Is het eerste

gedeelte van art. 164 der grondwet dan zonder kracht geworden?"

»En nu kan men niet over de uitgestrektheid van dit vroon twisten;

want van deze blijkt weder uit eene keure van den 28 Februarij 1594:

»duidelijk leerende, zoo als Van Mieris zegt, pag. 707, hoeverre zich

het vroon der stad Leyden uitstrekt, en uit welke wateren hetzelve

bestaat.""

»De aanhef dezer keure luidt aldus:"

»»Alsoo de stad Leyden in den jaere 1433 van H. M. Hertoge Philip

van Bourgongien, in der tyd Grave van Hollandt, het recht vercreghen

heeft tot de visserien van de Meeren, ghelegen aen verscheyden partien

tusschen Leyden, Haerlem, ende Amsterdam: ende sulcx van den selven

tyd aen, in geduyrighe ende vreedsamighe possessie, ende gebruyk is

gheweest, van de volgende wateren ende visscheryen, die men van oudts

mit eenen name ghenoemt heeft het vroon--als de Zyl, 't Zweylant,

de Norremeer, de Hemmeer, de Valckemeer, of 't Vennemeertgen, de

Spriet, de Kever, de Zeven, 't Hellegat, de Zassemeer, de Greveling,

de Aa, Huykersloot, de Cagermeer, de Astermeer, de Leydtschemeer, de

Haarlemmermeer, de Hellemeer, de Verremeer, de Stommeer, 't Griet, de

Brasemeer, de Oudeweteringhe, de Gooch, ende de Nieuweweteringhe.""--

»Hoe, in het vervolg van tijd, over die regten, over die bezitting,

is gedacht geworden, alsmede hoe onze voorvaders het bedijken en

droogmaken van het Meer beschouwden, is overtuigend te lezen uit eene

resolutie van de Groote Vroedschap der stad Leijden, van den 6den

October 1632 (bij van Mieris pag. 710), waarin deze woorden voorkomen:

»Hebben de H. H. Burgemeesteren van dese stadt Leijden, de Grote

Vroedschap derzelver stede voorgedragen dat--gemerkt de voorsz. Meeren

dese stadt in eigendom toebehooren, ende dat de bedijkinge van dien,

extreme groote schaden en interesten, jaa (dat Godt verhoede), den

geheelen ondergang van de voorsz. stadt soude konnen veroorsaaken,

of daarom niet goed en dienstig en ware in tijds vast te stellen, dat

voortaan op 't stuk van de bedijckinge der voorz. Meeren--van wegen

dese stadt niet en sal mogen werden gedelibereert nog geresolveert,

dan bij de voorsz. Vroedschappen, ende alle de leden van dien

tegenwoordig, of immers daartoe geconvoceerd zijnde: mitsgaders bij

eenparige stemmen van alle deselve, sonder dat overstemminge daarinne

plaatse sel mogen hebben."

»Nu moet men niet zeggen, dat die Leijdenaren zich hieromtrent te

veel aanmatigden, en in deze resolutie, als getuigen in derzelver

eigene zaak, reprochabel zijn; want ook de regterlijke Autoriteiten

van dien ouden tijd erkenden en handhaafden de regten der stad op

't vroon, zoo als weder te zien en te lezen is, door eene uitspraak

van commissarissen van den Hove van Holland, van Julij 1656, gegeven

tegen den Bailluw van Kennemerland, »welke meende geregtigd te zijn

het vischwant en de fuiken in de vroonwateren der stad Leijden,

met geweld te mogen weghalen. (Zie van Mieris pag. 713.)"

»Ik vertrouw, dat U Ed. Mogenden, na de mededeeling dezer stukken,

mij toch zullen toestemmen, dat hier van iets meer, dan van verouderde

vooroordeelen quaestie is, en dat met zegel en brief kan bewezen

worden, dat zonder de stad Leijden hierin te kennen, naar regt en

billijkheid, niets behoort ondernomen te worden; ten zij wij weder

wilden terugkeeren tot die ongelukkige tijden, toen de dienaren van

Philips II, op de klagten onzer voorvaders over het schenden hunner

regten, geen beter antwoord wisten te geven, dan hun in derzelver

verbasterde taal toe te voegen: non curamus vestros privilegios."

»Onze voorvaders, die reeds in 1617, daarna weder in 1632, over het

droogmaken der bedoelde plassen hoorden spreken, en deswege allerhande

plans zagen maken, overdachten deze zaak met ernst en bedaardheid,

en oordeelden haar van zoodanige veruitziende gevolgen, dat zij eene

resolutie namen, op den 14den November 1662, bij de Groote Vroedschap

der stad Leijden, »omme haar bij 't aankomen van ieder veertig (of

raadslid), na het doen van den eed in die qualiteit, voor te lezen

van namelijk niet te resolveren in het bedijken van de Leijdsche en

naast aangelegen meeren." (Zie van Mieris, pag. 714.)"

»Ten slotte moet ik opmerken, dat de gestrengheid dezer resolutie

op den 13den Julij 1750 is opgeheven geworden, de leden der groote

Vroedschap van de gedane belofte toen zijn ontslagen, en wij sedert

dien tijd weder over het droogmaken van het Meer ons gevoelen te

Leijden vrijelijk mogen uiten."

»Tot verdere toelichting, Ed. Mog. Heeren! dezer belangrijke

quaestie, moet ik hierbij voegen, dat even min als de bedoelde koop

kan betwijfeld worden, even min quaestieus is, wat in de bedoelde

regten aan de stad Haarlem, wat aan Leijden toebehoort.--Uit eene

overeenkomst toch, door de Regenten van beide deze steden op den 6den

November 1698 aangegeven, en almede bij van Mieris, pag. 715 en 716 te

vinden, blijkt, dat alleen aan de stad Haarlem de visscherij in het

Spieringermeer toekomt, terwijl het vroon van al de overige wateren

en plassen, het Haarlemmer- of Leijdsche-meer, geheel ten bate en

voordeele van Leijden kwam."

"En is nu dit regt verloren gegaan, heeft men deze revenuen niet

geteld en ze soms laten varen?--In geenen deele, mijne Heeren!--De

stad Leijden is nog, tot op den huidigen dag, de belangrijke vruchten

van haren koop plukkende:--nog wordt de visscherij in de vroonwateren

door de stad Leijden gepacht, en brengt zij een bruto jaarlijksch

inkomen van f 2000 op;--tot op den huidigen dag staan, der stads regt

aanduidende, palen rondom de geheele uitgestrektheid van het Meer,

tot aan den ingang van het Nieuwe Meer toe, tot digt aan de poorten

van Amsterdam; nog tot op den huidigen dag is een lid van den Raad met

het Vroonheerschap te Leijden belast, en bestaat aldaar een speciaal

stedelijke opzigter over al de vroonwateren: en hetgeen mede opmerking

verdient, nog tot op den huidigen dag verleent de stad Leijden, tegen

betaling van zekere geldelijke retributiën, verlof tot het baggeren,

het uitdiepen dus van den grond zelven, in de vroonwateren der stad."

»Ik moet vooronderstellen, dat deze facta, welke waarachtig zijn,

dat deze regten, op onloochenbare bewijzen steunende, aan de Hooge

Regering, hoe vreemd dit ook klinken moge, onbekend zijn geweest, en

zij vermeend heeft, dat dit groote water zonder vruchttrekkend eigenaar

was;--ware het anders mogelijk geweest, dat zij, onder de voordeelen,

welke gedurende de bewerking door het Meer zullen opgeleverd worden,

ook de verpachting der visscherij (zie no. 11 der beantwoording)

zoude opgenoemd hebben? Het zal toch moeijelijk zijn, weder tot de

verpachting eener visscherij over te gaan, waarvan de eigendom reeds

over meer dan twee eeuwen geleden door hare predecesseuren aan Leijden

is verkocht geworden, en welke visscherij reeds voor verscheidene

jaren door deze stad zelve is verpacht."

»Ik trek uit dit alles deze conclusie, welke zeker niemand van

overdrijving zal kunnen beschuldigen:--dat men, alvorens tot de

bedoelde onderneming te besluiten, de laatstgenoemde stad in haar

belang had moeten hooren, en over de schadevergoeding, op welke zij

eventueel de gegrondste aanspraak maken kan, eenige opening had moeten

geven. Niets van dit alles is geschied;--men leze al onze stukken,

de meegedeelde memorie der Meer-commissie, nergens zal men eenige

vermelding van de bedoelde regten vinden, nergens eenig bewijs,

dat men hieraan gedacht heeft."

»Evenmin als men de voorafgaande belangen der stad Leijden heeft

in acht genomen, evenmin heeft men het collegie van Dijkgraaf en

Hoogheemraden van Rhijnland opgeroepen tot het geven van zijn

advies, of verzocht zijne bedenkingen en raadgevingen in het

midden te brengen. Het is waar, dat twee Heeren ook Hoogheemraden

van Rhijnland zijnde, bij het besluit van den 7den Augustus 1837,

tot de commissie zijn geroepen;--doch het is tevens waar, dat die

commissie niet gemagtigd was met de belanghebbenden de quaestie over

het principe te onderzoeken, maar slechts geroepen, om een bepaald

eindontwerp dier droogmaking en eene begrooting van kosten op te

maken, terwijl het nog opmerking verdient, dat de Heer de Bruijn

Kops, een der twee Hoogheemraden, bij het besluit als Burgemeester

van Haarlem wordt aangeduid, en de Heer P. A. du Pui alleen met de

bijvoeging van Hoogheemraad van Rhijnland voorkomt, en, vreemd genoeg,

van het Bestuur, van de Regering van Leijden zelve, niemand bij de

commissie was geroepen.--Het mandaat, aan de Heeren leden gegeven,

was ook geheel personeel; het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden

werd, volgens mijne berigten, met niets officiëel bekend gemaakt,

en het konde dus ook in geenen deele over de zaak zelve officiëel

met bedenkingen tusschen beiden komen."

»Als wij nu echter nagaan, dat dit collegie meer dan zes eeuwen

lang het wijd uitgestrekte district van Rhijnland heeft beheerd, en

met zoo krachtige regten en privilegiën der oudste Heeren des Lands

is beschonken geworden, dat het maakt en verzorgt al de belangrijke

uitlozingen van deze vruchtbare landstreek,--dat het, onder zijn gebied

en surveillance, 268 watermolens, die alle op den boezem van deszelfs

district uitmalen, geplaatst ziet, waardoor van zijnen ingewikkelden

waterstaat, en het getal der polders op hetzelve uitlozende, te

oordeelen is; als wij nagaan, dat onder deszelfs bestier de sluizen

op halfweg Haarlem staan, welke men, volgens het gemaakte project,

met eene vierde opening wil vermeerderen en de reeds in den jare 1253

aan hetzelve toevertrouwde sluizen op Sparendam, alwaar men ook eene

nieuwe bouwen wil, en eventueel, als het noodig bevonden wordt, een

stoomgemaal van 180 paardenkracht zal oprigten;--als wij bedenken,

dat onder deszelfs directie de sluizen van Katwijk behooren, waarvan

men den aan- en toevoer ook verbeteren wil;--als wij ons herinneren,

dat het de superintendentie over het geheele Meer voert, al de werken

ter beteugeling besteedt en bekostigt, en hieraan--om het cijfer,

door de Regering zelve opgegeven, te behouden--jaarlijks meer dan

f 30,000 te kosten legt,--dan mag ik zeker vragen, hoe men bij de

Regering heeft kunnen besluiten tot eene onderneming van dien omvang,

van dit gewigt, van zoo veel gevaar, zonder het genoemde collegie,

ik zal niet zeggen in deszelfs belang te hebben gehoord, want dat

belang is en kan niet anders zijn, dan dat van het algemeen, van de

grondeigenaars van Rhijnland, onder welke al de leden eene eerste

plaats bekleeden,--maar zonder met hetzelve alles bedaardelijk te

hebben gewikt en gewogen, zonder deszelfs voorlichting verzocht,

zonder deszelfs ondervinding geraadpleegd, zonder deszelfs bezwaren

te hebben uitgelokt?

»Het klinkt schoon, Ed. Mog. Heeren! 16,600 bunderen water in

welige landsdouwen te herscheppen; het is aangenaam, zich, in den

drooggemaakten polder, fraaije bouwmanswoningen en vette landerijen en

dartelend vee voor te spiegelen, en niemand van Rhijnlands ingezetenen,

veel min het collegie van Rhijnland, zoude niet gaarne zeer veel

toebrengen om dit heerlijk tafereel te verwezenlijken en hunne

bundergelden, zoo door een groot accres van contribuerende deelgenooten

in deze gemeenschap, als door het wegvallen der onkosten, welke het

Meer jaarlijks veroorzaakt, aanzienlijk te zien verminderen. Doch die

verwezenlijking is, helaas! nog hoogst problematiek, en de vreeze,

dat deze onderneming, in stede van 16,600 bunderen water tot land

te brengen, de oorzaak zal zijn, dat meerdere duizende bunders goed

vruchtbaar land in het vervolg zullen bedorven worden, heeft ons

deze onderneming altijd, ik zeg niet met weerzin tegen de zaak zelve,

doch met schroomvalligheid doen beschouwen."

»Tot verdediging van die schroomvalligheid hebben wij nu slechts het

rapport der staats-commissie zelve in handen te nemen, in hetwelk

wij met duidelijke woorden geschreven vinden, dat zij zelve niet

geheel gerust, niet zeker is »van den invloed, dien de droogmaking

van het Haarlemmermeer (dit zijn de eigene woorden van het rapport)

nog altoos op den stand van Rhijnlands boezemwater hebben zal, en de

noodzakelijkheid, die daaruit om tot het stichten van een stoomgemaal

van 180 paardenkracht te Sparendam over te gaan, mogt geboren worden,

hetwelk onder de bewerking eerst met volledige zekerheid zal kunnen

blijken.""

»Let wel, Ed. Mog. Heeren! op deze woorden: onder de bewerking zal

eerst de invloed der droogmaking op den stand van Rhijnlands boezem met

volledige zekerheid kunnen blijken."--Maar dan zal het misschien veel

te laat zijn, dan zal de droogmaking begonnen, de geregelde waterloop

gestremd, de dijk gelegd zijn,--en wat zal er dan kunnen gebeuren,

indien die invloed eens zóódanig ware, dat geene stoomkracht van 180

of meerder paarden het overtollige water tijdig genoeg, want hierop

komt het aan, zal kunnen aftappen?--Alsdan zullen de verst afgelegene

polders kunnen onderloopen, Rhijnlands algemeene waterstaat voor lang

bedorven zijn, en nieuwe poelen en meren de oude komen vervangen!"

»Dit tijdig genoeg van het overtollige water verlost zijn, is het

voorname punt, waarop alles aankomt,--dat wordt door hen, die denken

alles met de stoomkracht te zullen kunnen dwingen, te veel over

het hoofd gezien: zij verliezen uit het oog, dat door de ringvaart

het water wel eindelijk in zee te Katwijk, of op Spaarndam of op

Halfweg kan uitgepompt worden, doch dat de weg, welken het water

nemen moet, te lang is, dat er te veel tijd verloren gaat, voordat de,

bij de droogmaking zoo zeer verminderde en versmalde toevoermiddelen,

het overtollige water bij de eindelijke uitlozing zullen aangebragt

hebben, en dat mitsdien die landerijen, welke in de verder afgelegene

hoeken van Rhijnland, achter den Rhijndijk en ten zuiden dier rivier

gelegen zijn, niet dan zóó laat in den zomer zullen droog geraken,

dat zij, geene voldoende vruchten kunnende opleveren, zullen moeten

verlaten worden."

»Men schijnt hier geheel de lessen der praktijk, ons door het

Katwijksche kanaal en de aldaar gevestigde sluizen gegeven, te

vergeten: vier eeuwen lang sprak men over de weder-opening van den

mond des Rhijns bij Katwijk, tot verbetering, tot herstelling van

Rhijnlands waterstaat; de theorie sprak luid, en toonde, hoe alles met

die weder-opening zoude gered zijn: ten koste van millioenen schats,

waaronder Rhijnlands ingelanden lang zuchtten, werden die schoone

sluizen, de bewondering des vreemdelings, gesticht en het kanaal

gegraven,--en wat heeft nu de ondervinding geleerd? Dat de theorie

gefaald heeft; dat het nut, op verre na, niet zóódanig geweest is als

men gehoopt en gewacht had; dat zulke kanalen, waarbij in dit gedeelte

van ons laag gelegen land niet die voortstrooming kan plaats hebben,

welke het water snel doet uitloopen, maar zeer zwakke hulpmiddelen

zijn."

Dáárin is vooral de bedenkelijkheid der onderneming gelegen, en het is

mij onmogelijk hier de openhartigheid niet te prijzen van den steller

van het rapport, die, door eene enkele periode, alle vroegere en

tegenwoordige bekommeringen over den invloed der onderneming volkomen

regtvaardigt. Ik hoop dan ook, dat die van onze geëerde medeleden, uit

de 5de sectie, die het bij het laatste proces-verbaal doen voorkomen,

alsof de Meer-commissie, »om Rhijnland te believen, de zaak voor

hetzelve smakelijk te maken en aan zijne vooroordeelen te gemoet te

komen, bepalingen in het plan had opgenomen, die afkeuring verdienen,"

hieruit zullen ontwaren, dat men ook zonder met oude en belagchelijke

vooroordeelen behebt te zijn, veel zwarigheid in deze zaak vinden kan,

hoe weinig men ook genegen is hare wenschelijkheid te betwisten."

»Ik noemde zoo even, met een woord, de Staten der provincie, alsmede

in deze, op eene onverklaarbare wijze, voorbij gezien, en beroep mij

op de art. 223 en 224 der grondwet, waarbij het toezigt over alle

indijkingen en droogmakingen aan de Staten der provinciën, binnen

welke zij gelegen zijn, verbleven is, om hieruit af te leiden, dat de

deliberatie over het al of niet ondernemen der droogmaking, welke toch

de basis der aanwijzing van de fondsen zijn moet, grondwettiger bij

de Staten der provincie dan bij de Staten-Generaal te huis behoorde."

»Er ligt voor mijn gevoel iets stuitends in, om eens een ander

voorbeeld te kiezen, dat de Staten-Generaal zouden delibereren over de

al of niet droogmaking van het Sloter- of Tjeuke-Meer in Vriesland,

zonder dat de Staten dier provincie collegialiter van het plan en

de wijze van uitvoering eenige officiëele kennis zouden dragen:

het bevreemdde mij, nergens in de gewisselde en overgelegde stukken

eenig bewijs gevonden te hebben, dat de Staten van Holland over deze

onderneming zijn gekend geworden."

»Bij dit alles, waarmede ik de geëerde aandacht van U Ed. Mogenden

reeds veel te lang heb bezig gehouden, zij het mij nog vergund,

met weinige woorden het denkbeeld te bestrijden, bij de antwoorden

der Regering, onder no. 12, aangegeven, alsof het nog eenigzins

twijfelachtig zoude zijn, waaronder de eventueel drooggemaakte polder

zoude behooren; men zegt namelijk, »dat dit later overeenkomstig de

bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen zal

kunnen worden uitgemaakt."--Dit kan en moet, dunkt mij, niet quaestieus

gesteld worden:--wanneer wij toch in dezelfde periode lezen, »dat de

uitlozing van den toekomstigen polder op den boezem van Rhijnland

zal plaats hebben," en wanneer wij, het oog op de kaart van het

hoogheemraadschap werpende, zien, dat de nieuwe polder geheel omgeven

zoude zijn van Rhijnlands werken, van Rhijnlands grondgebied, dan

gelooven wij, dat niet het interieure polderbeheer, het huishoudelijk

bestuur, maar die superintendentie, welke Rhijnland over al de polders,

in het hoogheemraadschap gelegen, uitoefent,--aan niemand beter en

geregelder dan aan dat collegie kan overgelaten worden.--Wat hier de

grondwet of andere bestaande wettelijke verordeningen anders leeren

kunnen, verklaar ik niet te begrijpen!"

»Over het financiëel oogpunt, en de eventuëele voordeelen der

onderneming, zal ik in geene bijzonderheden treden. Ik wil alleen,

door mijn stilzwijgen, niet doen gelooven, dat ik de gevraagde som van

ruim 8 millioen voldoende acht; ik geloof integendeel, dat zij veel te

laag is genomen, en dat, om maar een enkel punt te kiezen, de enorme

dijk, welken men, ter afsluiting van het Spieringermeer, dwars door

het groote meer heen leggen wil, zóódanig kan tegenvallen, dat hierop

alleen misrekeningen voor tonnen schats kunnen plaats hebben.--Ik ben

overtuigd, dat wanneer men eens aan den gang zijn zal, het rubriek der

onvoorziene gebeurtenissen tot in het oneindige zal gechargeerd worden,

en merk hierbij op, dat bij het rapport zelf nog werken zijn opgenoemd,

als bijv. de duiker, welke tot inlating van water eventuëel in den

IJssel zoude gelegd worden, waarvoor geene kosten zijn uitgetrokken."

»Ja maar," zegt men, »uit den verkoop van 16,600 overschoone bunders

land zullen al die extra-kosten, met de primitief uitgelegde 8 1/2

millioen, gevonden worden. Leest slechts in de memorie van antwoord

der Regering, hoe »die dreigende waterplas, in vruchtbare velden

herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten zal

opleveren," en zijt dan overtuigd, dat de drooggemaakte bunders

het uitgeschoten kapitaal ruim zullen teruggeven.--Geloove dit die

wil, ik niet: ik kan het mij zelven niet wijs maken, wanneer ik de

geschiedenis naga van zoo vele droogmakerijen, als vroeger in ons

Gewest van Zuid-Holland ondernomen werden. Deze geschiedenis leert

ons, dat eerst bij de tweede en derde generatie van nijvere bewoners,

en nadat de eerste ondernemers zich bedorven en geruïneerd hebben, de

landen eenige waarde bekomen, en zij aanvankelijk zeer magere produkten

opleveren. Levendig herinner ik mij, uit de jaren toen ik als advokaat

te Leijden werkzaam was, hoe ik de nijvere pachters in de Nieuwkoopsche

droogmakerij voor de eigenaars der kavels heb moeten vervolgen, niet

ter verkrijging van eenigen billijken interest der betaalde gelden,

hieraan was niet te denken, maar tot bekoming van het noodige, om

de polderlasten aan te zuiveren; vele fiksche boerenwoningen heb ik

aldaar door eenen eigenaar zien stichten, bij wiens overlijden men,

tegen aanzuivering der achterstallige polderlasten en de kosten des

transports, woningen met de landerijen en al, bijna om niet konde

bekomen."

»Nu waren al die vorige droogmakingen nog van beperkten omvang, in

vergelijking van die, welke bij het wetsontwerp wordt beoogd: vele

van deze werden door associatie van particulieren ondernomen, die

bij het bovenkomen der landen genoodzaakt waren dezelve in cultuur

te brengen:--maar hier, waar de Regering met 16,600 bunders dras

moerassig land, in kort opeenvolgenden termijn, zal voor den dag

komen, is het niet te gelooven, dat iedere bunder de waarde van f

100--zal kunnen gelden, en het is eer te verzekeren, dat bijaldien

het Amortisatie-Syndicaat zóó lang zal moeten bestaan, totdat de

kapitalen, welke men hetzelve bij deze gelegenheid wil ontnemen,

uit de bedoelde onderneming zullen zijn terug gekeerd, de aanneming

van deze wet aan de bedoelde institutie tot een certificaat van het

ver uitgestrektste leven zal kunnen verstrekken [80]."

»Over, enz."

De vijfde spreker was de Heer Mr. Frets, welke zeide:

»Over het uitdroogen van het Haarlemmermeer en over andere werken

spreek ik niet. Het wenschelijke van een en ander is in mijne oogen

groot: maar niet genoeg, om daarvoor het minder wenschelijke van den

geprojecteerden spoorweg ter zijde te stellen. Indien de Regering

had kunnen goed vinden om de onderwerpen te splitsen, had ik daarover

een afzonderlijk oordeel kunnen uitbrengen [81]."

De Heer op den Hooff liet zich over dit onderwerp dus uit:

»Over de droogmaking van het Haarlemmermeer zal ik niet spreken, ik

laat dat aan andere leden over. Een geacht spreker uit Leyden heeft

ons daarover veel gezegd, wat mij toeschijnt opmerking te verdienen."

»Ik twijfel verder met een gedeelte der vijfde afdeeling, waartoe ik

de eer had te behooren, of, wanneer men daartoe mogt overgaan, de zaak

niet met inbegrip der Spieringmeer op eene betere en min kostbare

wijze zou kunnen worden uitgevoerd, dan nu is voorgesteld.--.--Ik

eindig, Ed. Mog. Heeren! met den opregten wensch, dat het tegenwoordig

ontwerp van wet,-- --weldra wederom geheel of gedeeltelijk, en wel

gesplitst, veranderd en gewijzigd, aan deze vergadering moge worden

aangeboden, en dat hetzelve alsdan de goedkeuring moge wegdragen,--

-- --waardoor het belang van het Vaderland, naar mijne overtuiging,

zal worden bevorderd [82]."

De Heer Sandberg zeide, »dat hij tegen het droogmaken van het

Haarlemmermeer enz. zou moeten stemmen, vermits de gelden uit de bij

de wet voorgestelde 30 millioen zouden moeten worden besteed [83]."

De Heer Backer »betwistte de nuttigheid en het voordeel niet,

dat eenmaal de droogmaking van het Haarlemmermeer aan Holland zal

toebrengen, maar vond zwarigheden in de financiëele schikkingen, die

de Regering tot het volvoeren ook van deze onderneming voorstelt. Ook

had hij wel gewenscht, dat men het voornemen om het Meer droog te

maken, nog eenigen tijd had vertraagd, totdat over deze zaak meerder

licht zoude zijn verspreid; dat men met de opiniën der onderscheidene

belanghebbenden meer bekend zal zijn geworden, en de betrekkingen

tusschen den droog te malen polder en Rhijnland beter geregeld zouden

zijn [84]."

De Heer van Reenen behandelde dit onderwerp uitvoerig en zeide

hoofdzakelijk:

»Met blijmoedige dankbaarheid vernamen vele inwoners der polders,

welke sedert zoo vele jaren geteisterd zijn geworden door het dagelijks

toenemend geweld van het Haarlemmer-water, dat de beveiliging tegen

hetzelve een onderwerp uitmaakte van de zorg des Konings. Gedurende

ruim twintig jaren had ik het bestuur over een poldertje, dat op zich

zelf klein is, doch al de nadeelen gevoelt, welke de omliggende polders

van Sloten door het Haarlemmermeer-water lijden. Natuurlijk waren

dus de lotgevallen van die landstreek en de geweldige uitwerkingen,

welke het Haarlemmermeer, bij westelijke en zuid-westelijke winden,

op dezelve uitoefent, zoowel als de middelen om dien geduchten

vijand te weren, een punt bij mij van gedurig onderzoek. Ik zag,

dat de geschiedenis en de physieke aard der gronden zelve bewijzen,

hoe groot het gevaar is, dat van dien kant eene landstreek dreigt,

welke, tusschen het Meer en het IJ gelegen, boven de 18000 guldens in

de grondbelasting van het Rijk draagt; aan Rhijnlands bundergeld meer

dan 9600 guldens opbrengt; jaarlijks groote sommen tot polderlasten

moet dragen; en geene hulp van Rhijnland ontvangt in deszelfs

verdediging tegen het Haarlemmermeer. De verwoestingen, welke die

plas in de aan denzelven grenzende polders, zoowel in vroegeren tijd

als in de laatste jaren, en ook onlangs in 1837 heeft aangerigt,

zijn te wèl bekend, dan dat ik de oplettendheid van U Edel Mogenden

zoude behoeven te vermoeijen met eene beschrijving der rampen, die

dezelve, ten gevolge der jaarlijks toenemende kracht van dat water,

op verschillende tijden hebben geleden."

»Groot was de hoop van die polders en van vele ingezetenen des lands,

die zoo dringend van de Hooge Regering hulp hadden afgesmeekt, toen

zij vernamen, dat de droogmaking van het Meer, welke zij als het

éénige middel tot het bewaren van een belangrijk gedeelte des Rijks

beschouwden, het onderwerp van een voorstel van wet uitmaakte."

»Ook ik verheugde mij, dat zoo doende, nu, terwijl het nog tijd is,

een maatregel zoude worden genomen, die, indien dezelve vroeger

had plaats gevonden, kostelijke landen en dorpen zoude hebben

bewaard en het nutteloos verspillen van vele schatten zoude hebben

uitgewonnen: doch die ook nu nog ten minste het gevaar kan wegnemen,

dat, wel in een verwijderd, doch niettemin physiek zeker verschiet,

duizende bunders land, verscheidene dorpen, ja zelfs de hoofdstad

bedreigt: het gevaar namelijk, dat het Haarlemmermeer, vereenigd met

de Veenplassen en het IJ, eene zee zouden daarstellen ten Zuiden en

Westen der hoofdstad, weinig minder dreigende en gevaarlijk dan die,

welke ten Noordoosten dier stad is gelegen. Wat daarvan de gevolgen

zouden zijn, moge de geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee en

van het Haarlemmermeer beslissen."

»Maar groot was mijne teleurstelling, toen ik, het ontwerp van

wet inziende, en de medegedeelde stukken omtrent de droogmaking

onderzoekende, bevond, dat die wet door mij niet kon worden aangenomen:

niet alleen uithoofde van de middelen, waaruit de kosten gevonden

zouden worden; maar ook om de wijze, waarop het droogmaken van dien

plas werd voorgesteld, daar deze het gevaar van die noordelijke

polders en van de hoofdstad niet alleen niet afweert, maar in zeker

opzigt vermeerdert, door het niet droogmaken van het Spieringmeer. Ik

zal thans niet treden in andere bedenkingen tegen het werk, zoo als

het voorgesteld wordt, noch aanwijzen, hoe de bezwaren kunnen worden

weggenomen; want de zaak, op welke het heden voornamelijk neder komt,

is het financiëele punt."

»Gaarne had ik gezien, enz."

»Indien ik mij overigens met de wet konde vereenigen, zoude ik den

spreker uit Leijden op zijne gemaakte bedenkingen in het breede

antwoorden. Ik ben zóó zeer overtuigd van zijn verlicht oordeel

en rondborstig karakter, dat ik geenszins twijfel, of hij zoude

toestemmen, dat de door hem gemaakte bedenkingen het droogmaken van

het Haarlemmermeer niet behooren tegen te houden, indien dit op goede

grondslagen ondernomen kan worden; eenige aanmerkingen moet ik evenwel

ook thans maken."

»Uit oude stukken toont ons de spreker, dat aan Leijden het vroon

van vele meertjes in oude tijden door de souvereinen dezer landen

is geschonken en dat vervolgens titulo oneroso anderen door die stad

zijn verkregen. Maar welk regt is verkregen? Niet het eigendoms-regt,

maar de visscherij: dit blijkt uit de door dien spreker aangehaalde

oorkonden zelve [85]. Ook was het de gewoonte der Graven in dien tijd,

dit weten wij ook uit andere voorbeelden, niet om het eigendoms-regt

op die wateren aan iemand te schenken, maar om de visscherij aan

gemeenten, kerken of pieuse instellingen, ter verpachting, toe te

staan: zoo is ook in dien tijd de visscherij in het Sloterdijkermeer

aan de kerk te Sloterdijk geschonken: en evenwel heeft dit niet belet,

dat de Staten van Holland en West-Vriesland, op den 7den December 1641,

octrooi hebben verleend tot het droogmaken van dien polder. Deze

is dan ook sedert dien tijd in zeer vruchtbaar land veranderd,

doch thans weder, ten gevolge der stormen van 1836 en 1837, in een'

waterplas herschapen, met welks droogmaking men bezig is."

»Maar hoe het ook zij: uit het regt, dat Leijden heeft op een

gedeelte van het Meer, volgt niet, dat het droogmaken van dien plas

ongeoorloofd zoude zijn; maar, dat het droogmaken niet behoort te

geschieden, zonder behoorlijke schadeloosstelling. Of zoude men,

om eene visscherij te behouden, welke 's jaarlijks, volgens den

spreker, twee duizend guldens opbrengt, geheele landstreken aan een

wis verderf moeten overgeven en eene stad als de hoofdstad des Rijks

in het grootste gevaar moeten brengen? En dit toch zal eenmaal het

geval zijn, indien het Haarlemmermeer niet wordt beteugeld. Zoo ooit

onteigening ten algemeenen nutte billijk en regtvaardig is, dan is

zij het in dit geval."

»Het verdient hier opgemerkt te worden, dat vele van die meertjes,

welke de spreker heeft opgenoemd, niet op de kaarten, die in later tijd

gemaakt zijn, gevonden worden; waarschijnlijk heeft het inéénloopen

van sommigen derzelve het Leijdsche meer doen ontstaan, even zoo als

dit vroeger door welige landsdouwen van de meer noordelijk gelegen

meren afgescheiden, naderhand met dezelve in één is gesmolten, zoodat

het Leijdsche meer in vervolg van tijd ook met het Haarlemmermeer,

met het Oudemeer en het Spieringmeer vereenigd zijnde, meer en meer

tot het IJ is genaderd en thans dien geduchten plas uitmaakt, over

welken wij handelen."

»Het is waar, hetgeen de spreker zegt, dat reeds zoo dikwerf de

klagten over het gevaarlijke van dat Meer zijn opgerezen, dat men

bijna twijfelen zoude, of dat gevaar wel zoo groot zij. Maar juist dat

herhalen dier klagten bewijst het gevaar; want dit bewijst, dat de

landerijen, welke in de golven zijn verzonken, niet in ééns en door

eene groote en onvoorziene omwenteling der natuur zijn vernietigd;

maar door de langzamerhand voortgaande uitbreiding dier wateren. Zoo

dikwerf als zware stormen in de waterkeeringen doorbraken en verlies

van land veroorzaakten, werden die klagten opgeheven. Wanneer de

wateren wederom geweken, de waterkeeringen óf hersteld óf met de

vóórliggende landen verdwenen waren en de eigenaars derzelve het

verlies, als door eene vis major veroorzaakt, hadden moeten dragen,

dan, ja, zwegen die klaagstemmen voor het oogenblik; maar nieuwe

rampen deden nieuwe klagten ontstaan, en nieuwe landeigenaars deden

op nieuw dezelfde klagten hooren; doch ook dán werden deze stemmen

wederom gesmoord. Intusschen bleef de vijand niet rusten, zijn geweld

vermeerderde met zijne uitbreiding: de dorpen Nieuwerkerk, Rijk en

Vijfhuizen verdwenen; de visscherij moge er bij gewonnen hebben;

maar het gevaar werd hoe langer hoe grooter. In de vorige eeuw was de

Akerweg nog tot waterkeering dienende tegen het Meer; het herstellen

der doorbraken in denzelven, en van de waterkeering, werd toen door de

landmeters van Rhijnland begroot op f 140,400 of f 188,660, naar mate

dat het werk meer of minder volkomen zoude zijn. Doch men heeft toen

tot andere min kostbare maatregelen de toevlugt genomen:--die Akerweg

is geheel vernield,--vóór- en achterliggende landen zijn verdwenen:

wij zien omtrent den Osdorper-weg, die veel meer noordelijk gelegen,

toen een binnenweg was, thans dezelfde zwarigheden ontstaan;--wij

zagen dien ook verschillende malen dóórbreken, en wij zagen het

Haarlemmermeer de landerijen en noordelijke polders tot aan de poorten

van Amsterdam en den Haarlemmerweg met groot geweld innemen."

»Aan den Koning, aan de Staten van het gewest, aan Rhijnland is

hulp verzocht tegen het gevaar, waarin het land, tusschen het IJ

en het Haarlemmermeer gelegen, verkeert. De Koning, de Staten van

het gewest hebben zich hulpvaardig betoond: ook de onderhavige wet

is een bewijs van de gezindheid der Hooge Regering om te helpen;

maar de wijze, waarop het droogmaken van het Meer wordt voorgesteld,

is niet voldoende, om het gevaar te weren. Ook behoeft men hier geene

proefnemingen te doen, waar men zich met genoegzame zekerheid tegen

de kwade gevolgen, welke uit de onderneming voor Rhijnlands boezem

gevreesd worden, kan waarborgen. Het gevaar, dat men in het verkleinen

van dien boezem door het droogmaken van het Meer veronderstelt, moet

door andere middelen worden weggenomen, dan door het onaangeroerd

laten van het Spieringmeer; want om dit aan die bedoeling te doen

beantwoorden, zoude het voor de polders, die tegen den Haarlemmerweg

gelegen zijn, en voor den toekomstigen polder zelven, dubbel gevaarlijk

worden. Ik eindig dus met den wensch, dat, welke ook de gevolgen

van het tegenwoordig ontwerp van wet zijn, het Z. M. den Koning moge

behagen, dit punt in bijzondere overweging te nemen [86]".

De tiende spreker was de Heer Druyvensteyn, welke aldus sprak:

»Dat ik mij verpligt vinde mijne stem aan het voorgedragen wetsontwerp,

tot uitgifte van losrenten ten laste van de overzeesche bezittingen,

tot het doen van voorschotten voor openbare werken te ontzeggen,

is niet om mij daardoor te verklaren tegen het aanleggen van

spoorwegen, veel minder om mij te verzetten tegen het droogmaken van

het Haarlemmermeer, en zelfs niet om aan de Regering de gelegenheid

te ontnemen, door bijdragen, verschillende werken van algemeen nut

en belang te helpen verbeteren, maar, al in de eerste plaats, omdat

ik het oogenblik, waarin wij zijn, voor dergelijke belangrijke werken

niet gelukkig gekozen vind, en een verwijl, al ware het dan ook maar

van korten duur, wenschelijk en voorzigtig beschouw, en ten andere,

maar ook bepaaldelijk, omdat ik mij met het aangewezen fonds niet

kan vereenigen."

»Of een spoorweg in ons land enz."

»Wat de droogmaking van het Haarlemmermeer betreft, hoe vele ontwerpen

zijn daartoe niet reeds gemaakt, met Leeghwater en welligt reeds

vroegere te beginnen; hoe vele wenschen zijn daartoe gedaan; hoe

dikwerf is het noodzakelijke aangetoond, en hoe is dit Meer, onder

het maken van al die plannen en berekeningen, uitgebreid, in werking

en kracht toegenomen, en hoe zal hetzelve eindelijk bij zoodanigen

voortgang gevaarlijk worden en eene droogmaking gebiedend vorderen?"

»Ik ben zeer voor het droogmaken van het Haarlemmermeer, en behalve

het hiervoren gezegde, vereenig ik mij met de woorden der Regering

in de eerste antwoorden op dit onderwerp gegeven, dat de keus niet

twijfelachtig kan zijn, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas

in vruchtbare velden herschapen te zien; maar ik verschil van opinie

omtrent de wijze van uitvoering: ik wenschte de onderneming aan

partikulieren toebetrouwd te zien en, om daarbij eens in den geest

van het onderwerp in eenen landelijken zin te spreken, bezig ik het

spreekwoord: wien de koe behoort vat ze bij de hoornen. Bij eene

eigen onderneming wordt die spreuk met ernst voor oogen gehouden,

en de bewustheid van voor het groote kantoor te werken leidt niet

tot nuttelooze kosten."

»In Noordholland zijn in vroegere eeuwen veertig, en welligt meer,

zoo groote als kleine waterplassen, door particuliere ondernemingen

in land herschapen, en mogen wij hierin den ondernemenden geest onzer

voorvaderen opmerken, het tegenwoordig geslacht mag er ook op roemen,

dat de moed voor groote zaken nog niet is verloren, en het droogmaken

van het Haarlemmermeer nog geen onderwerp is om tegen op te zien;

maar door ondervinding wijs geworden, kan zoodanige onderneming niet

onvoorwaardelijk plaats vinden: bijna alle droogmakingen, ten minste in

Noord-Holland, hebben, zelfs bij de geringere arbeidsloonen en bij zeer

lage prijzen der levensmiddelen, óf eene ongunstige óf hoogstens eene

zeer matige uitkomst opgeleverd, en bij eene vrij zeker schadelijke

uitkomst, zoo als bij de droogmaking van het Haarlemmermeer toch

wel het geval zal wezen, zoude de onderneming door particulieren,

zonder gunstige conditiën, eene dwaasheid zijn."

»Maar de Regering kan hierin te gemoet komen: laat dezelve voor deze

droogmaking, ook met inbegrip van het Spieringmeer, dat, zoo ik mij

niet vergis, ook het idee der commissie is, eene billijke bijdrage

aanbieden, vrijdommen verleenen en al wat tot deze zaak wenschelijk

kan zijn, gemakkelijk maken, en daartegen bepalingen vasthouden,

die van de zijde der Regering niet verloren mogen gaan."

»Zoo zal bij voorbeeld Rhijnland in deszelfs bestuur en regten

bescherming behoeven, het zal van belangrijke bezwaren ontheven,

maar ook met andere moeten belast worden; voor de ontlasting

van het boezemwater, dat zich op een' veel kleineren omtrek zal

beperkt vinden, zal met naauwgezetten ernst moeten gezorgd worden;

de landerijen, die aan dezen verkleinden waterboezem zullen grenzen,

en na de bedijking van het Meer als oude landen zullen voorkomen,

zullen welligt tegemoetkoming behoeven voor het aanleggen, verhoogen

of verzwaren hunner waterkeerende dijken; de plaatsing der watermolens

en stoommachines, de verbetering en vermeerdering van sluizen, zal

niet naar willekeur moeten geschieden; het getal der beide eerste

zal aanvankelijk onzeker, maar nader in verband met de blijkbare

behoefte worden vastgesteld, en meer dergelijke zaken, als door de

ondervinding zullen aangewezen worden, noodzakelijk te zijn."

»Onder het voorbehoud van alle zoodanige bepalingen aan de zijde der

Regering, zal het Haarlemmermeer worden drooggemaakt, zonder andere

belangen te kort te doen of te benadeelen, en hoe hoog de bijdrage

der Regering ook moge worden bepaald, ze zal niet onzeker en altoos

minder zijn, dan de kosten eener eigene onderneming; de regten van

Rhijnland zullen bewaard, de belangen der omgelegen landen zullen

beschermd worden, een gevaarlijke plas zal niet meer bestaan, en aan

het algemeen belang wordt eene hoogstwenschelijke en nuttige bijdrage

gebragt.--Ik herzegge, aan het algemeen belang, want de provincie

mag er door verbeteren, en van de mogelijkheid eener gedeeltelijke

overstrooming bevrijd worden, maar 's Rijks kas alleen zal éénmaal, al

moge zulks nog verre verwijderd zijn, de vruchten van het drooggemaakte

Meer plukken."

»Wat eindelijk het laatste gedeelte der wet betreft, enz. [87]."

Hierop volgde de Heer de Bordes, welke zeide:

»Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer betreft, ben ik overtuigd

van al het heilzame van hetzelve, en ik erken tevens, dat dit gedeelte

van het ontwerp van wet zich om zeer vele redenen, uitgedrukt in de

memorie van toelichting van het Gouvernement, aanbeveelt."

"Het betoog van het geëerd lid uit Leijden voor het uitsluitend

regt van de genoemde stad op het Haarlemmermeer, hetzij dan op den

grond van hetzelve, hetzij op de visscherij in dien waterplas, uit

oude stukken ontwikkeld, is mij zeer belangrijk en wetenswaardig

voorgekomen;--maar wanneer ik ook bij nader onderzoek dier stukken

eene nog meer volledige overtuiging van dat regt mogt verkrijgen,

zoude het voor mij geene genoegzame beweegredenen opleveren, omdat naar

mijn inzien het regt der stad Leijden dan gelijk zoude staan met alle

andere particuliere eigendommen, die tot bevordering van algemeen nut,

behoudens eene billijke schadevergoeding, onteigend kunnen worden."

»Doch, hoezeer ik dan aan de eene zijde overtuigd ben van het

nuttige der zaak, gevoel ik aan den anderen kant de billijkheid,

dat een werk van zoo veel nut voor deze provincie, en waarbij het

Hoogheemraadschap van Rhijnland ook zoo zeer betrokken is, niet

uitsluitend worde daargesteld ten, koste van de algemeene schatkist."

»Het is wel waar, de voordeelen, welke uit die droogmaking zullen

voortvloeijen, zijn niet alleen eigen aan de provincie Holland,

maar ook de algemeene Staat heeft er belang bij, om die gevaarlijke

binnenlandsche zee uit het midden van den vaderlandschen grond te

doen verdwijnen; doch dat belang is toch meer bijzonder dat van het

gewest, waarin die waterplas zich bevindt, en vooral ook dat van het

Hoogheemraadschap, hetwelk daardoor zal bevrijd worden van de groote

kosten, die de beveiliging van de oevers van het Haarlemmermeer

jaarlijks vordert."

»Ik zoude derhalve met velen mijner medeleden instemmen, dat wel de

Rijks schatkist zich met een aanzienlijk gedeelte van de vereischte

kosten bezwaren kan, maar meen tevens, en wel vooral ook, omdat

de toestand van 's lands kas zoo veel uitsparing vereischt, dat de

mede-geïnteresseerden in die kosten moeten deelen."

»En daar ik dit in de concept-wet niet aangetroffen heb, en vooral

ook, daar ik voor de algeheelheid der kosten hetzelfde fonds vind

aangewezen, hetwelk ik voor den ijzeren spoorweg moet afkeuren,

heb ik ook gemeend aan dit aangelegen werk, hoe wenschelijk op zich

zelf, mijne stem niet te kunnen geven;--moetende ik daarbij aan de

beoordeeling van meerkundigen overlaten, in hoe verre de geprojecteerde

uitvoering van het ontwerp aan gegronde bedenkingen, of aan die,

welke wij in deze zitting hebben hooren aanvoeren, onderhevig is,

en of de raming der kosten als voldoende kan worden geacht."

»De wijze van voorziening in de vereischte kosten belet mij ook te

stemmen voor de werken van verschillenden aard, en ik oordeel tevens

met de afdeeling, tot welke ik behoord heb, dat die werken in de

wet zelve hadden behooren uitgedrukt te worden, en dat ten aanzien

der kosten, voor ieder derzelve vereischt, eene afzonderlijke opgave

van hetgeen de algemeene lands-kas daarin zoude behooren te dragen,

in de wet had behooren gevoegd te worden."

»Eene geregelde toestemming der Staten-Generaal in deze buitengewone

credieten scheen mij zulks te vorderen."

»Het alles te zamen trekkende, is het dus niet, omdat ik het nuttige

der voordragt niet gevoel, maar om den vorm, waarin hetzelve is

voorgesteld, en vooral om de wijze van voorziening in de benoodigde

kosten, dat ik mij gedrongen zie Zijne Majesteit eerbiedig te verzoeken

deze wet in nadere overweging, te nemen [88]."

De Heer van Hoorn van Burgh »achtte de droogmaking van het

Haarlemmermeer hoogst wenschelijk en heilzaam, en wees bij het betoog

hiervan vooral ook op de polders van Woubrugge en anderen, die nog

onder de gevolgen zuchtten der stormen van November en December 1836,

en de daardoor veroorzaakte overstroomingen van het Haarlemmermeer. De

vermenging echter van twee ongelijksoortige onderwerpen en het

onraadzame der voorgedragen financiëele maatregelen, deden hem tegen

de wet stemmen [89]."

De Heer Repelaer zeide: »Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer

aangaat, hoe wenschelijk die zaak op zich zelve ook beschouwd moge

worden, en in de gevolgen van belang voor het Rijk moge zijn, zoo

doet zich echter alhier de vraag op, of het raadzaam is, zoodanige

onderneming juist in de tegenwoordige omstandigheden te beginnen:

indien er toch geen periculum in mora bestaat, zoude men dan die

bewerking niet tot geschikter gelegenheid kunnen uitstellen? zijn er

zoodanige dringende redenen aanwezig, welke de droogmaking van dat

Meer zonder uitstel en gebiedend vorderen; waarom dan dezelve, het zij

met eerbied gezegd, aan deze vergadering niet kenbaar gemaakt? Mogten

er echter geene zoodanige overwegende redenen bestaan, ware het dan

niet beter een gunstiger tijdstip daartoe uit te kiezen [90]?"

De veertiende spreker was de Heer Hooft, welke dus sprak:

»Ik was voornemens, om een uitgebreid advijs uit te brengen over de

onderhavige wet; maar toegevende aan het verlangen van vele leden en

in aanmerking nemende de lang gerekte aandacht van U Edel Mogenden,

waarvan ik geen misbruik wil maken, zoo zal ik, daar vele van mijne

bedenkingen reeds door andere leden zijn opgenomen, verder van het

woord afziende, mij alleen bepalen tot één punt, waartoe ik mij

verpligt gevoel. Daar het U Ed. Mogenden bekend is uit de stukken,

welke wegens het Haarlemmermeer zijn medegedeeld, dat ik behoord

heb tot de commissie, welke daarover rapport heeft uitgebragt,

en als strijdig met de bemoeienissen dier commissie, voor dezelve,

maar vooral voor de Regering, welke die commissie heeft benoemd,

eenigzins grievend is voorgedragen, namelijk alsof het Bestuur van

Rhijnland ten deze niet ware gekend; iets dat niet alleen in de

afdeelingen, maar ook bij de beraadslaging van heden, en wijders

in een adres aan deze Kamer gerigt en in de dagbladen opgenomen en

publiek geworden, is beweerd: hierover nu moet ik U Ed. Mogenden

zeggen, dat op gevraagde voordragt van Rhijnland door Z. M. de Heer

du Pui, Secretaris van de stad Leijden, in die commissie is benoemd

geworden, even als de Heer de Bruyn Kops, Burgemeester van Haarlem,

welke ook is lid van het Bestuur van Rhijnland, zoodat twee leden van

dat Bestuur in de commissie zitting hadden; dat die Heeren, even als

ik voor Amsterdam daarin zitting hebbende, met ruggespraak met onze

committenten hebben gehandeld, zoodat die Heeren den Heer opzigter van

Rhijnland, Hanegraaff, in onze deliberatiën en ter visie der stukken

hebben medegevoerd, zoowel als ik een' deskundige uit de hoofdstad;

dat al de bezwaren van Rhijnland tegen het ontwerp der droogmaking zijn

overwogen en geweken, voor het namens dat Bestuur aan onze commissie

ingeleverd en door dezelve in deszelfs geheel overgenomen plan met

teekening en raming van kosten voorzien, (thans nog ter inzage op de

griffie van deze Kamer liggende), van de geprojecteerde verbeterde

uitwatering te Katwijk; en dat wijders het bij onze commissie ook

door mij sterk aangedrongen voornemen om de droogmaking van het

Spieringmeer aan te raden, is opgegeven, alleen toen wij de zekerheid

meenden te hebben, dat bovengemelde medewerking van Rhijnland getuigde

van de goede gezindheid ten deze van dat Bestuur, en hetzelve daardoor

genoegzamen waterboezem erkende te hebben."

»Na al dat aangevoerde, laat ik het beoordeelen, of Rhijnland al dan

niet gehoord is, over aan de natie. Ik heb gezegd [91]."

In de Nederlandsche Staats-Courant van den 21 April 1838, No. 95,

heeft de Heer Hooft dan ook de redevoering, welke hij had vermeend

in de Kamer uit te spreken, doen drukken; ik neem uit dezelve hier

over hetgeen tot het Haarlemmermeer betrekking heeft en aldus luidt:

»Heb ik iets gezegd over de ijzerbaan, althans zullen U Edel

Mogenden dit van mij verwachten van het Haarlemmermeer, eene zaak,

die ik daarentegen gaarne derzelver beslag zag verwerven, door deze

hoogst gevaarlijke en al meer en meer toenemende vernielingskracht

uitoefenende binnenlandsche zee te zien droog gemaakt en herschapen in

eene welige vlakte, waartoe de wensch van allen, die de zaak kennen,

zich zoo ernstig uitstrekt; en ook daaronder mag ik mij rangschikken,

zoowel als grondeigenaar, alsook als belastingschuldige van Rhijnland,

en vermeen dus mijne stem in die betrekking, met mijne mede-slagtoffers

van de woelingen van dat Meer, zoowel voor de droogmaking te mogen

verheffen, als andere bunderpligtigen aan Rhijnland, die tot dus verre

gespaard zijn, er tegen willen spreken. Maar, Ed. Mog. Heeren! wat

zal ik al veel bijvoegen bij hetgeen staat in het u bekend rapport

der commissie van onderzoek deswege, waar ik de eer gehad heb

van mijne teekening onder te stellen, en dat het noodzakelijke,

het uitvoerlijke, en, in één woord, het aannemelijke daarvan vrij

overtuigend moet bewijzen."

»Ik beken, dat ik gaarne gezien had, dat deze onderneming zich ook had

kunnen uitstrekken over het zoogenaamde Spieringmeer; maar toegevende

in dezen aan de zwarigheden, die zich in de uitvoering opdeden bij

een zeer gewigtig waterbestuur in die streken, welks medewerking veel

waard was en waarvan de tegenwerking niet verkieslijk was, zoo heb

ik dat stuk geteekend in de volle verzekering, dat het Bestuur van

Rhijnland, waarvan twee leden het rapport mede geteekend hebben, en

na gehoudene ruggespraak met hunne medebestuurders, aan die commissie

hoogst belangrijke hulpmiddelen hebben gesuppediteerd en door deze

zijn overgenomen;--ik beroep mij, om niets meer of anders te noemen,

op het project met teekening en raming van de uitbreiding van het

Katwijksche kanaal, ter griffie dezer Kamer in natura aanwezig en

door Rhijnlands Bestuur opgemaakt, aan de commissie overgegeven:

is dit hooren van dat Bestuur, of is het dit niet? (Ik vraag dit

tot wederlegging van het ongegronde van den kreet, alsof dat Bestuur

onkundig van de zaak was).--Zoo heb ik, zeg ik, dat stuk geteekend,

al wordt de droogmaking niet zoo volledig als ik die wenschte: andere

leden dier commissie met mij het wenschelijke van het droogmaken van

het Spieringmeer opgegeven hebbende, alleen omdat wij op Rhijnlands

medewerking staat maakten. Maar ik zie, dat ik uit ijver voor de

zaak te verre ga, en mij inlaat in eene aanprijzing van dezelve,

die minder het onderwerp onzer beoordeeling moet zijn: de vraag,

of er gelden uit de schatkist voor moeten gegeven worden, is alleen

van onze competentie, en ja antwoord ik daarop."

»Het is geen werk voor nageburen of omliggende grondbezitters,

deze zijn reeds óverbelast in al de Rijks lasten: dit is één- en

andermaal bewezen, toen wij over de grondlasten beraadslaagden;

deze zijn bovendien nog zóódanig gedrukt door molen-, polder-

en andere ongelden, dat abandonneren van hunne bezittingen eerder

het voornemen zoude zijn, dan nieuwe lasten te dragen; met grond

dus mag men 's Rijks hulp in dezen zoo goed vragen en verwachten,

als wij jaarlijks andere provinciën, zoo als Zeeland en Overijssel,

in verhouding tot de overige, overwigtige aandeelen zien trekken bij

de begrooting in de waterwerken van het geheel; en let men er dan op,

aan wie de eindelijke voordeelen van de opbrengsten der drooggemaakte

gronden zullen baten, is het dan niet in de Rijks cassa, dat verre het

meerendeel van al de directe en indirecte belastingen, die door de zich

aldaar te vestigen bevolking zullen opgebragt worden, zullen vloeijen?"

»Eene zwarigheid nog moet ik opnemen, die noch bij de commissie

bovengemeld, waar de bezwaren der stad Leijden door de welwillendheid

van Z. M. zijn ingezonden geweest, noch in de aanmerkingen der

afdeelingen is geopperd, maar nu voor het eerst in de beraadslaging

is opgekomen tegen de droogmaking van het Haarlemmermeer, en deze

is: dat dit Meer een eigendom dier stad zoude zijn, en die stad niet

gehoord zoude zijn in dezen."

»Het is waar, er was in die commissie geen lid van de Regering dier

stad, hoezeer de Secretaris van dezelve als lid van Rhijnland daarin

zitting had. Het punt van eigendom is niet geopperd, zeide ik;

doch was dat opgegeven, wel nu, het antwoord zoude zijn geweest,

als men dan dien eigendom bewees: Gij, eigenaar! zorg dan, dat uw

eigendom niet schade aan derden. En hoe hoog dit nu opgevijzeld is,

even sterk zoude die stad dit eigendoms-regt zoeken af te schuiven,

wanneer al de gelden, die het Rijk, Rhijnlands bunderpligtigen en

alle zij, die schade door de Meer-wateren geleden hebben of lijden,

moeten dragen, betaald zijn, op die stad eens verhaald wierden. Ik

geloof dus weinig aan dat bezwaar te mogen hechten, en juiche toe, dat

wij eene grondwet hebben, die in art. 215 het toezigt over die werken

aan den Koning opdraagt, om die eigenaren, die door veronachtzaming

van het onderhoud van hunnen eigendom anderen schaden, op den regten

weg te brengen. Wat het hooren betreft, kan ik hier nog bijvoegen, dat

de commissie, alléén op de vraag dier stad, een' duiker ter inlating

van water van den IJssel heeft voorgedragen, en daartoe is besloten,

al zijn de kosten niet in de raming opgenomen. En waarom niet? omdat

die stad niet, even als Rhijnland voor de verbetering van het ja thans

niet voldoende, maar nu verbeterd zullende worden Katwijks kanaal,

eene begrooting en raming van kosten heeft opgegeven."

»Er is in de afdeelingen ook gesproken van den wederstand, welken die

droogmaking ondervindt bij twee adressen aan deze Kamer ingezonden. Wat

betreft het eene van den Heer van Pallandt, dit is eigenlijk niet

tegen de droogmaking zelve, maar tegen de wijze hoe, en behoort dus

geheel bij de administrative en niet bij de wetgevende magt; deze Kamer

kan toch wel niet beslissen, of er een stoomwerktuig te Sparendam al

dan niet moet komen. Het andere van eenige grondeigenaars, waaronder

een lid van Rhijnlands Bestuur, een Bestuur dat, hoe groot in magt

en hoe groot in dezen ook opgevijzeld, inderdaad dan toch maar is

een Polderbestuur in het groot, alleen in de middelen van uitvoering

werkzaam door omslag en poldergelden door de grondbezitters opgebragt:

ik zeg dit om te doen gevoelen, dat al die grondbezitters met ernst

moeten wenschen, dat die al klimmende omslagen mogen verminderen,

en dat vooruitzigt is er nu, dat er een breidel zal gelegd worden

aan de verwoestingen van dien waterplas. Elk hunner te hooren was

onmogelijk, hun aller vertegenwoordigers zijn gehoord, heb ik gezegd

en herhaal ik; dus zal dat adres dan ook wel van geen overwigtig

belang te beschouwen zijn."

»Stond deze zaak nu eindelijk op zich zelve, met ernst en ijver

zoude ik de wet voor aannemelijk verklaren; maar, helaas! al te veel

bezwaren ontmoet ik om over te stappen, om er dit ééne deel van te

verkrijgen. Want behalve het reeds vroeger door mij gezegde over andere

bezwaren, zoo is er nog een hoofdargument tegen, en dat is wel het

voornaamste; (want over die kleine wegen en andere werken zal ik nu

kortheidshalve maar niet spreken:) ik bedoel het financiëel gedeelte

zelf en niet zoo zeer de grootte der sommen, die benoodigd verklaard

worden; want geene sommen zijn te groot, als de vruchten daarvan zoo

blijkbaar zijn te verwachten, dat alle twijfel over dezelve wegvalt;

maar over het bezigen hiertoe van gelden, die moeten voortspruiten

uit fondsen, aan welke eene vaste bestemming is gegeven en niet dan

onzeker terug zullen zijn gekomen, dán en wanneer die benoodigd zullen

zijn. Dit onderwerp nu nader te ontwikkelen zoude ik met welgevallen

doen; maar in de processen-verbaal der afdeelingen en door vorige

sprekers is hetzelve reeds zóó uiteen gezet, dat ik mij daarvan als

nu vermeen te mogen onthouden, te meer, daar ik U Edel Mogendens

aandacht welligt reeds te lang heb bezig gehouden."

»Ik moet tot mijn leedwezen derhalve Z. M. verzoeken, de wet in nadere

overweging te nemen, enz."

Eindelijk verdedigde Z. E. de Minister van Financiën Jr. Beelaerts van

Blokland, die tevens Lid der Kamer is, de wet, en zeide met betrekking

tot het Haarlemmermeer:

»Een ander gewigtig doel van het in beraadslaging zijnde wets-ontwerp

is het droogmaken van de Haarlemmermeer. Deze groote waterplas,

die reeds in vroeger jaren, ja, ik mag wel zeggen in vroeger eeuwen

(want reeds ten tijde van Prins Maurits werd de noodzakelijkheid

ingezien), zoo veel stof tot bezorgdheid heeft opgewekt, is hoe

langer hoe dreigender geworden, en de stormen in 1836 en het begin

van 1837 hebben het gevaar al meer en meer aanschouwelijk gemaakt. De

Regering, aan haren pligt tot 's Lands behoud getrouw, heeft dan deze

gewigtige zaak tot een onderwerp van gezet en naauwkeurig onderzoek

gemaakt, waarvan het ontwerp, aan U Ed. Mog. bekend, de uitkomst is;

alle belangen zijn daarbij in het oog gehouden en zoo veel mogelijk

vereenigd. Dit is het voordeel van een Bestuur op éénheid gegrond,

dat tegenstrijdige, plaatselijke of bijzondere belangen, die in onze

vorige staatsgesteltenis zoo dikwijls algemeen nuttige inrigtingen

tegenhielden of dwarsboomden, aan het algemeen belang ondergeschikt

kunnen worden, of liever, zonder schending van bijzondere regten zich

in het algemeen belang en in het algemeen welzijn oplossen. Dezelfde

redenen, die ten aanzien der ijzeren spoorwegen mij wederhielden

in vele bijzonderheden te treden, wederhouden mij ook daarvan met

betrekking tot dit groote werk, welks nut en noodzakelijkheid door

kundige en bevoegde beoordeelaars algemeen is erkend: zoodra de

commissie, met die taak belast, dezelve had afgewerkt, heeft de

Regering niet gedraald in hare poging tot verwezenlijking eener

zaak, die voor het geheele Rijk van het grootste belang is, omdat

zij een groot gevaar zal afwenden, omtrent 17,000 bunderen lands

aan het water zal ontwoekeren, en den algemeenen lands rijkdom zal

vermeerderen. Maar is die noodzakelijkheid dan thans zoo dringend? Ik

antwoord zonder aarzeling, ja: die noodzakelijkheid was reeds lang

dringend, en wordt het dagelijks meer; vroeger konde de zaak niet

worden bij de hand genomen, omdat het onderzoek moest voorafgaan;

tot langer uitstel is geene reden, want dezelfde vraag, of het nu

zoo dringend noodig is, kan even goed in een volgend, in een tweede,

in een derde jaar, enz. gedaan worden, en zoude een uitstel tot een'

onbepaalden tijd kunnen worden gerekt, tot het welligt te laat zoude

zijn, en de verwezenlijking moeijelijker en kostbaarder zoude worden:

gelijk één laatste druppel waters eindelijk den emmer doet overloopen,

die lang vermeerdering bij stralen heeft verdragen, zoo kan één

noodlottig oogenblik, door niemand te berekenen, onherstelbare rampen

veroorzaken. Om deze of gene beschouwingen van ondergeschikt belang,

behoort het aanvangen der zaak niet te worden uitgesteld, die kunnen

in den voortgang der uitvoering worden in aanmerking genomen, en naar

bevind van zaken daaromtrent worden te werk gegaan; want men zal toch

de Regering niet zoo gedachteloos vooronderstellen, van niet op alle

belangen, die ten dezen in aanmerking kunnen en moeten komen, te hebben

gelet of te zullen blijven letten. Dat handelen naar bevind van zaken,

gedurende het werk, verdient daarom niet met den naam eener gevaarlijke

proefneming te worden bestempeld, zoo als in een der requesten is

geschied; want wel verre, dat men de zaak aan proefnemingen zoude

willen blootstellen, heeft men bij eene mogelijke gebeurtenis het

hulpmiddel nevens de kwaal aangewezen. Dat ondertusschen dit gewigtig

werk betere uitkomsten, in korteren tijd en met mindere kosten, dan wel

vroeger was berekend, belooft, zal niemand behoeven te verwonderen,

die de kracht van den stoom in aanmerking neemt: eene beweegkracht,

welke onze voorouders niet gekend hebben, maar almede van den voortgang

in beoefenende wetenschappelijke kennis getuigt, en zoo veel toebrengt

tot de vervulling van tallooze behoeften en genietingen des levens."

»Maar heeft de Regering, met gemeen overleg der Staten-Generaal, wel

het regt tot deze droogmaking? Deze bedenking, door een' geacht spreker

in het midden gebragt, is zeker van gewigt, en verdient dus eene

bijzondere beantwoording: aan de stad Leijden zoude de eigendom der

Haarlemmermeer toebehooren; zij had dien titulo oneroso verkregen, en

kon derhalve, zonder hare toestemming, daarvan niet worden ontzet; zij

was ondertusschen in hare belangen niet gehoord, evenmin als Haarlem

en het Hoogheemraadschap van Rhijnland. Ik antwoord daarop: 1º. dat

het niet juist is te zeggen, dat die steden en het Hoogheemraadschap

niet zouden gehoord, of niet in de gelegenheid gesteld zijn geweest,

derzelver belangen te doen gelden; het collegie van Rhijnland is

geraadpleegd over het benoemen van twee leden uit deszelfs midden in

de commissie om dit werk te onderzoeken en daaromtrent te advijzeren;

de Heeren de Bruijn Kops en du Pui zijn daarop gedesigneerd en benoemd,

omdat de eerste was Burgemeester van Haarlem, de tweede Secretaris

van Leyden, en dus, zoo in die hoedanigheid, als in betrekking van

Hoogheemraden, in staat waren, de belangen dier steden en van Rhijnland

te doen gelden, gelijk die ook in aanmerking zijn genomen. 2º. Wat

den eigendom van Leyden betreft, wilde ik wel eens weten, of die stad

voor de Haarlemmermeer zich in de grondbelasting heeft aangegeven,

gelijk zij verpligt zoude zijn indien zij eigenaresse was van dien

waterplas, want water is zoowel in het kadaster begrepen als land;

maar te regt is zij in de grondbelasting niet aangeslagen, omdat zij

geen' eigendom van de Meer heeft. 3º. Al wat uit de voorgelezene oude

oorkonden blijkt, is, dat zij indertijd gekocht heeft het vroon, dat

is de visscherij in een groot gedeelte van de Meer: wat kan daaruit

op zijn hoogst volgen? Dat zij het regt op die visscherij behoudt,

zoo lang de Meer water blijft. Zij is van dezelfde conditie als ieder

ander visscher, arm of rijk; maar de droogmaking dáárom tegen te

houden, daartoe bestaat geen regt; indien hier een eigendom bestaat,

dan staat daartegen over het regt van onteigening ten algemeenen nutte,

en de uitoefening van dat regt, volgens de nog bestaande wet van 1810,

kan niet verhinderd worden, maar eene vraag van schadeloosstelling doen

ontstaan volgens de grondwet en het gemeene regt. Dergelijke belangen

zijn ook niet uit het oog verloren: opzettelijk is daarover in het

algemeen het Departement van Justitie geraadpleegd, en de uitkomst

van dat onderzoek is geweest, dat de zaak daarom niet behoefde

opgehouden te worden, maar dat elke opkomende reclame zoude moeten

worden onderzocht, elks regten, hetzij bij den gewonen regter, hetzij

elders, overwogen, en daarop regt gedaan, zoo als bevonden zoude worden

te behooren. 4º. Geen bijzonder belang kan het algemeen belang in den

weg staan; zij zijn voorbij, die rampzalige tijden, toen eene enkele

stad de nuttigste en in het algemeen belang noodzakelijkste werken

konde verhinderen; zij zijn voorbij, en gelukkig voorbij, die tijden,

toen de stad Leijden aan hare gedeputeerden ter staatsvergadering van

Holland de instructie konde geven en met eede doen beloven, dat zij

nooit in de droogmaking der Haarlemmermeer zouden toestemmen. Wij,

Ed. Mog. Heeren! hebben een' anderen eed afgelegd: wij zijn als leden

der Staten-Generaal verbonden, het algemeen belang met al ons vermogen

te bevorderen, zonder ons door provinciale, plaatselijke of bijzondere

belangen daarvan te laten aftrekken."

»Welke, de voordeelen dezer droogmaking zullen zijn, behalve het

beveiligen van een groot gedeelte des lands, en daaronder de hoofdstad

des Rijks, tegen een onherstelbaar verderf, is niet wel a priori met

eene volledige, dat is onbetwistbare juistheid te berekenen; maar

wanneer men aanneemt, dat de droog gemaakte landen, door elkander

gerekend, f 200,--per bunder kunnen opbrengen (door sommigen wordt die

prijs op veel meer, door anderen op minder berekend), dan verkrijgt men

voor de 16,700 bunders eene som van drie millioen drie honderd veertig

duizend gulden; dit mag wel eene goede opbrengst geacht worden voor

een werk, waarvan de kosten negen millioen kunnen hebben beloopen:

maar dit is slechts een aanvankelijk voordeel uit de eerste schepping

(om het zoo te noemen) dier landen te verwachten; die landen nemen

ná de droogmaking en bebouwing in waarde toe; kudden vee worden op

dezelve ter grazing geweid; het zuivel wordt in eene groote hoeveelheid

vermeerderd; veldvruchten van verschillenden aard worden er geteeld;

fabrijken worden er welligt hier en daar gevestigd; woningen en andere

getimmerten worden er gebouwd; dorpen rijzen op; allerlei neringen en

bedrijven komen er aan den gang; en terwijl het land aan het water

zal ontwoekerd zijn, vinden daar duizende nijvere ingezetenen werk,

duizenden worden aan armoede onttogen; van al deze vermeerderingen van

welvaart, plukt het algemeen de schoonste vruchten, en deze werken

weldadig op de schatkist terug, aan welke onderscheiden opbrengsten

in reëele en personeele, directe en indirecte lasten toevloeien,

welke dus ongevoelig de gemaakte kosten vergoeden. Eene verlichte

Regering, welke dit werk zal hebben te weeg gebragt, en eene even

verlichte volksvertegenwoordiging, welke door eene onbekrompene

medewerking de Regering daartoe zal hebben in staat gesteld, zullen

zich bij eene dankbare nakomelingschap eene eerzuil hebben gesticht,

duurzamer dan metaal of marmer."

»Eene derde soort, enz. [92]"

»Ik heb de hiervorenstaande redevoeringen gegeven, zoo als zij in de

Nederlandsche Staats-Courant zijn geplaatst [93]. Men ziet uit dezelve,

dat ik bij den aanvang niet ten onregte zeide, dat van de vijftien

Leden, »die over de voorgestelde wet het woord hebben gevoerd, er

niet één is geweest, die zich tegen de droogmaking van het Meer heeft

verklaard, ja dat de meeste hunner het het vewezenlijken van dit zoo

lang reeds beraamd plan wenschelijk hebben genoemd."--De voorgedragene

wet is met 46 stemmen tegen 2, zijnde die van de Heeren Beelaerts van

Blokland en Weerts, afgestemd.--Mag men geruchten gelooven, dan houdt

de Regering zich nog steeds onledig om dit plan te verwezenlijken,

en zou Z. M.--wiens belangstelling in alle nuttige ondernemingen nog

dezer dagen, door het Besluit tot het aanleggen van eenen ijzeren

spoorweg naar Arnhem, op nieuw gebleken is,--den Minister van

Binnenlandsche Zaken hebben gelast, om eenige proeven te doen nemen,

ten einde te geraken tot de bepaling der beste wijze van uitvoering

dier onderneming, ingeval men mogt besluiten, om daarmede eenen

aanvang te maken. Is dit zoo, dan mogen wij ons vleijen, dat nog in

onzen leeftijd die inwendige vijand, gelijk men het Haarlemmermeer

met regt mag noemen, zal worden ten ondergebragt: en dat nog eenmaal

het nageslacht, het alsdan bloeijend Haarlemmermeer, welig bebouwd en

talrijk bewoond, aanschouwende, met dankbaarheid aan de zorgen van het

voorgeslacht zal denken. De Allerhoogste schenke hiertoe Zijnen zegen!

Amsterdam, 1838.

Candore et ardore.

Het Haarlemmer-Meer-Boek · 第 5 / 11 题