DOLCE FAR NIENTE.

Dolce far niente.

De wind schudt de wilgen.

Het zonlicht licht met strakke witheid. De kruinen slingeren, wrijven

tegen elkander. Het is een zonnegewiegel van blaren, als gespeel

van kinderen.

Als ik goed luister, droomerig luister, hoor ik jubelkreetjes,

schelle stemmetjes.

Maar er zijn geen kinderen.

De wind zwiept de takken op. Blaren huppen en joelen. Er zijn geen

kinderen. Het is bedrog. Er zijn groene blaadjes, dwarrelend door

elkander, er is lichtgelach op de loovers, er zijn schaduwtjes en

zilverschubben. Er is het gróóte gesuis van de blaren.

Als ik de oogen sluit lijkt het de zee--het groote water, water

en lucht. Groene golven komen langzaam gedragen, neervallend,

opdeinend. Witte schuimstrepen sissen. En het gesuis ademt zacht,

blazend aan in den mond, in den neus, in de longen, die bewegen in

stalen gevoel van sterkte. Het is de zee, de zee, effen glad als

een spiegel van licht, de zee rumoerig en wild, de zee met marmeren

bergen en dalen, de zee als een vreemd verbeeldingsland. Het is de

zee bij het strand, opkolkend golven in branding van schuim.

Het is de zee, wen de zware lucht voortscheert de golven, de zee,

als een binnenwater waarop reuzenlippen adem uitstorten, de zee,

stil, vol geluiden, de zee als een droomenplek, waar de heete mond

gulzig drinkt--drinkt--drinkt, in een passie naar licht, lucht,

leven, dood. Het is de zee, groot, majesteitelijk, wiegend op het

gladde lijf silhouetten van zeilen. Het is de zee, bij nacht, zwart en

luguber,--bij avond, inslapend op wondermelodie van ònzegbaar-goede

dingen,--bij middag als de zon op het water brandt--, het is de zee

als een wit zuilenpaleis, statigend op tot in de wolken van sneeuw,

zuilenpaleis met albasten vrouwen, badend en wiegend in water.

De zee, als de kinderen purper van leven stoeien in 't zand.

Er is geen zee.

Het is al bedrog. De wind stuift in de stoeiende wilgen. De blaren

rukken driest, dollen en zwermen. Het is bladergesuis achter de

schutting van den tuin, bladergesuis van de wilgen in zonlicht. Er

is geen zee.

Dolce far niente...

Een musch lijnt door de warme, zonnige lucht, strijkt neer op een

tak. De wind schudt tak en musch. Ze glanst in het licht, pikt met den

snavel in het bruine borstje. De groene blaren, de blaren van zilver

en groen, ravotten er om. Dan vliegt ze weer vort, bruine streep in

het licht.

Beneden is het perk van groote groene planten. Gele koppen van bloemen,

gele trossen knikkebollen, zacht bestreken door den wind. De gele

koppen vlijmen uit scherp boven het groen. Het is een mooi perk van

groote, groene blaren, groen in alle kleuren, zacht, donzig, bits,

donker. Het geel pluimt er boven, drijft er over, fel, schreeuwend. Het

perk staat, netjes afgerond, als de vroolijke, kleurige opgewaaide

pruik van een boschduivel.

Kloek! Kloek!

Petie! Petie!

Ergens achter een schutting klinkt het pittig, gedempt geluid van

kuikens. Ik zie ze in verbeelding, mollig, geel, dribbelend, met gele

bekjes, pikkend in den grond.

De boomtakken zwiepen. De blaren stormen driftigjes. Schaduwen en

groen én zilverloovertjes.

Een kat sluipt aan over de schutting. Stap voor stap. Fluweelen,

zachte tredjes. Nu rekt ze zich uit, inbuigend het rugje--plompt neer

van de schutting, verdwijnt in het groen. Monter klinkt het gepiep

van de kuikens. De zon schijnt heet, uitmergelend den grond. Het is

warm en de wind blaast in de blaren.

Een witte vlinder.

Ze klapklapt dicht bij den grond, bewegend met rukjes. De wind neemt

haar op, stuwt het witte lijfje. Maar ze klapklapt naar de gele

bloemen boven de groene planten. Ze laat de vleugeltjes rusten, de

witte, papieren vleugels, blijft stil op een gele tros, op een tros

van heftig-gele bloemen.

Weer een musch. De musch tript rond op den grond, hip-hip-hip. Telkens

een musschenschaduwtje op den grond. De kat uit het groen sluipt

zachtjes, pootje voor pootje, het lichaam bijna sleepend over den

grond. Maar de musch vliegt weg. De kat ligt lui in 't zand, de vier

pooten gestrekt. De musch tjilpt in de boomen. De kuikens piepen. De

blaren dansen in 't licht.

Wit als een rozeblaadje, fladderend op den wind dommelt de vlinder

gratievol van de eene pluim naar de ander. Zij is van een wonderlijke,

pure witheid. De vleugeltjes klepperen. Het is niet te zien of

zij bewegen of worden bewogen. In het blinkende zonlicht rust ze

nu weer. De plant knikt stil en zwijgend. Het is een dunne, slanke

plant. Alleen bòven één gele pluiming van bloemen. De vlinder wordt

gewiegd, als een kindje dat moe is. Een tweede kleppert aan. Ze

fladderen heen om elkander, twee witte, blankwitte, doorzichtige

lijfjes. Ze zijn als opgewaaide veeren, stijgend, dalend. Ze spelen een

spelletje van teerheid bij de gele bloemen, bij de groene, onrustige

blaren. Ze spelen tot dicht bij den grond, wachtend en huppelend in

het streelende, warme licht.

Kloek! Kloek!

Petie! Petie!

De kat rekt zich uit, geeuwt met een grooten open bek. Ze richt

zich op, kromt lui den rug, geeuwt nòg eens, ziet de vlinders, de

witte vlinders. Weer sluipt ze, als straks bij de musch, tred voor

tred van het grijs sluwe lichaam. Ze kruipt langs de planten, loert,

loert met groene, harde oogen.

De eene vlinder twinkelt heen over de schutting. De ander heeft

een vleugel gebroken. Ze fladdert zacht op een struik. Maar de kat,

speelsch en vlug, springt nòg eens. De struik buigt. Een paar blaren

vallen af. De vlinder ligt op den grond.

De witte vleugels trillen. De kat snuffelt, gaat er bij liggen,

vadsig, weelderig in de zonwarmte. De groote grijze poot verschuift het

witte, blanke lijfje. De vleugeltjes beven. De groene, harde oogen,

de wreede oogen loeren, bekijken het getril. De voorpooten gooien de

vlinder op, de wind waait haar langs den grond. De kat springt toe,

als een roofdier dat speelt met zijn prooi.

Zij heeft de vlinder wèer. Zij draagt haar in den bek, legt haar neer

op een plekje van zon, duwt haar spelend vort met fluweelen stootjes

van den sterken poot. De vlinder beweegt niet meer. De gebroken,

verfletste vleugels hangen mat op den stoffigen grond.

De kat geeuwt, rekt zich uit, wentelt zich op de andere zij.

De wind stoeit het dooie vlinderlijfje op boven de groote, groene

planten, boven de knikkebollende pluimen van geel. De kuikens

piepen. De blaren suizen als de zee.

Schetsen, Eerste bundel · 第 48 / 52 题