Ik zat voor het raam in een groote stemming van down-heid. Het leven
ging sukkelachtig-egaal en de beroepsdingetjes drukten zwaarder
dan ooit. In zoo'n stemming bekijk je alles landerig en beu. Uit de
deur van 't "Heilsleger" kwam een bleeke man. Wat verderop werd een
leelijke meid met groote open neusgaten voortgesjouwd door een manken
hond-mormel. Een nijdige wind zwiepte stuifsneeuw op.
Apathisch keek ik naar de dingen. Het was het dommeluurtje voor het
eten. De kachel stond gloeiend, schemerde rooderig licht tegen het
plafond. Over een half uur zouen de boeken van de tafel geruimd worden,
zou er gerinkeld worden met borden, zouen we eten... Over anderhalf
uur zouen de beenen bewegen door de Van Woustraat, door de Utrechtsche
straat, door de Kalverstraat... De vaste, plichtmatige wandeling van
een zeer fatsoenlijk bourgeois... Dan wat werk en 's nachts wéér de
Kalverstraat, de Utrechtsche straat, de Van Woustraat... Dan het bed
en morgen alles hetzelfde, als een klok tikketak, als een schoothondje,
dat op den juisten tijd moet uitgelaten worden.
Het werd donkerder.
Het was een wel hopeloos schemeruurtje; de oogen gericht op het roode
licht van het plafond. Het waren in-krachtlooze oogenblikken, zooals
ieder ze heeft, oogenblikken, waarin de afmatting van kamerleven zich
triestig concentreert.
Er werd gebeld. Bij zessen. Dat zou de post wel weer zijn. Dinsdag. Ik
wist precies wat er in de bus lag. Dinsdag kwam dát krantje. Anders
niets. Ik zou het maar ophalen en weer eten en wandelen door de Van
Wou-, door de Utrechtsche-, door de Kalverstraat.
Op de vloermat lag het krantje. Ook een brief in rose envelop. Het
was een vrouwenhand. Bij het licht van de kachel las ik langzaam
woord voor woord. De handteekening stond er scherp en raak, met
een streep er onder. Wonderlijk. In dit moment van slapheid en
depressie, kwam plots een meisjesbrief, ongekunsteld, met een heldere
meisjes-extase voor kort geleden geschreven nietigheidjes. Het stond
er typisch-grappig--"Ik ben negentien en zou zoo graag eens met u
kennismaken. Maar pa en ma weten er niets van dat ik u dezen brief
schrijf. Wil u dus antwoorden poste restante?" Door de lauwheid van
de kamer leek een vonkje pleizier te knetteren. Waren er dan toch
voor wie ik iets was? Mal. Wel mal. Ik las nog eens en nóg eens. Het
was verbazend frisch-opgewonden.
Maar bij de vierde lezing kwam er een groot wantrouwen. Het was
eigenlijk een verdacht briefje--een meisje van negentien jaar, die
aan een ongetrouwd jongmensch in die termen schrijft--pa en ma, die
er niets van wisten--een geheime correspondentie poste restante. Ja,
het wàs een verdacht briefje. Welke vriend wou me er eens doen
inloopen? Wat zouen ze gieren van 't lachen als ik antwoordde en er
serieus op inging. Had ik dit handschrift niet meer gezien?
De aardigheid was er af. En ik antwoordde niet. Dat duurde drie, vier,
vijf dagen. Toen in een koffiehuis, zittend met iemand, die de grap
zeker niet kon uitgehaald hebben, liet ik het briefje lezen.
"Kerel je bent gek,--dat is de brief van een meisje."
"Ja, ja,--maar ik maak me niet belachelijk."
"Wacht eens even! Aannemen!"
"Wat ga je doen?"
"Dat zul je zien.--Kelner, het adresboek."
We snuffelden in het boek en jawel, de naam bestond en nog sterker,
er was er maar één.
Den volgenden morgen ging er een briefje poste restante, beleefd,
correct. Dienzelfden dag was er een uitvoerig antwoord van negen
bladzijden, met aardige, naïve confidenties, eindigend met het verzoek
of zij me eens mocht komen opzoeken.
Nu mag ieder me uitlachen, maar met dien brief ben ik nu een
paar dagen gelukkig geweest. Ieder loopt rond met een stumperig
vrouwen-ideaaltje. Van liefde is misschien het mooist, dat zij niet
gehéél bestaat, dat onze fantasie gaat om een droombeeld, dat onze
ijlste verlangens te puur zijn voor een zachte werkelijkheid. Deze
paar stukjes papier met meisjes-opgewondenheid deden alles vrijelijk
fantaseeren. Op een Donderdag-middag zou ze komen om vier uur. Het
duurde nog twee dagen. Ze heette Antoinette. Luierend in mijn stoel,
dacht ik over de kleinste, stilste diminutiefjes, droomde van een
bijzonder kopje, met bijzondere oogen, met een bijzondere stem. Ze
zou binnenkomen, verlegen. We zouden met elkander babbelen, beleefd,
in de vormen, vooral in de vormen. Een meisje dat op bezoek komt,
is een gast van heiligheid. En dan zou misschien dat cynisme, dat
anderen gegeven hadden, weggelachen worden door geluksklanken van
een vrouwenstem. Misschien was dit het gouden klokje dat begon te
luien in de dorheid van een menschleven, misschien was dit de kelk,
die openbloeide in dauw van gelukstranen. O ja. Misschien. Trala.
Al de verlangens die een mensch kan hebben, al de opstanding van een
individu, dat zijn begeeren heeft naar verwerkelijking van droomen,
waren in de fantasie van die dagen.
Toen kwam Donderdagmiddag.
Toen kwam ook het komediespel. Want met alle pogen naar oprechtheid
blijven we allemaal komedianten. De kamer zag er niet artistiek genoeg
uit. Dàar kon nog wel wat rommel liggen en hier was weer te veel. En
die Fransche kranten met de gemeene plaatjes moesten vermoffeld worden
en die naakte juffrouw onder het portret van grootmoeder moest ook
weg. Zoo. Nu was het er. En lag ik in een leuningstoel met een boek
voor me. Als ze binnenkwam, zou ik zijn als een geleerd mensch,
die in zijn studie verrast wordt. Vijf minuten vóór vier.
Ik las nog eens den eersten brief... "Ik ben negentien en zou zoo
graag eens met u kennis maken. Maar pa en ma weten er niets van, dat
ik u dezen brief schrijf"... Wat zouen pa en ma er van zeggen, als ze
later hoorden dat hun dochter op visite was geweest bij een ongetrouwd
jongmensch? Voor oneerlijke menschen is dit een zeer onfatsoenlijk
iets, maar daar ik nu toch op het punt stond van ideaal-verliefd te
raken, kwam het er niets op aan. Vier uur. Wat zou er in mijn leven
veranderd zijn na één uur? Als Antoinette...
Er werd gebeld. Ik hoorde de gracieuse oude meid scharrelen in de
keuken. Waarom draaide ze zoo. "Er wordt gebeld! Er wordt gebeld!!",
schreeuwde ik aan de trap.--"Ja, ja, mijnheer, ik bind mijn schort
voor." Ze slofte door de gang. Ik zat weer in mijn stoel, zenuwachtig
met het boek in de handen. Stemmengemompel. Toen de ouwe, die de trap
op kwam.
Klop, klop.
"Binnen!"
"Mijnheer daar binne twee dames voor u."
"Twéé?"
"Ja meneer."
"Twéé?"
"Jawel, een ouwe en een jonge."
"Laat boven kommen."
Weer stemmengemompel. Weer trapgekraak. Weer klop-klop.
Toen ging de kamerdeur open. Eerst een dikke, kleine dame. Toen een
bleek, klein meisje.
"Mijnheer Falkland, ik ben maar zoo vrij geweest om mee te kommen. Mijn
dochter heeft me gezegd dat ze met u gecorrespondeerd heeft... Ze
zei 't net op 't laatste oogenblikkie... Ik vond het niks gepast,
dat Antoinette alleen ging... Vind u ook niet?... Toen ben ik maar
meegegaan"...
"Gaat u zitten."
Stilte.
Zoo'n stilte moet er om Perrette geweest zijn, toen de melkkan viel.
"'n Beetje winderig vandaag, mevrouw."
"Ja, 't is nog al guur."
"'t Is guur geweest de heele maand December."
"En wat een vroege sneeuw, vin u niet?"
"Als men maar overschoenen draagt, mevrouw."