Hij was een plompe, beenige jongen. Zijn groote neus spaakte op zijn
mager gezicht. Een dun vlasbaardje pluimde om de scherpe hoeken van
jukbeenderen, spichtig toeloopend naar de kin. Alles was beenig aan
hem. De schouders stonden stug, het lichaam was hard, de beenen zwaar
en log. Als hij liep waren zijn bewegingen onhandig, ruw als van een
jongen hond. In zijn vrijen tijd werkte hij met halters. In een hoek
van het atelier lagen ze bij elkaar.
De lust van zijn pootig lichaam was het opheffen, stooten van de
gewichten. Hij werd er wakker onder. Hij groeide er in. Als hij rood
als een kreeft een moeilijk ding gedaan had, voelde hij zich lekker,
floot gemoedelijke deuntjes van het café-chantant, begon weer te
werken aan zijn schilderij. Als hij niet schilderde, was hij met de
gewichten bezig.
Zoo was hij dertig geworden, goedhartig, dom, sterk, levend het
leven van alle mannen én schilderend. Hij schilderde wat men "aardig"
noemt. Op alle tentoonstellingen hingen stukjes van hem. De nobele
schilderijen-specialiteiten vermeldden hem steeds met "lof." Het
goedhartige, domme, krachtige van zijn natuur was in het zware,
dompige, harde van zijn kleuren en fantasieën. Ze kochten zijn werk
voor prikjes. De vele prikjes maakten z'n burgerbestaan uit. Wat hij
verdiende gaf hij uit. Er was geen reden om te sparen. Soms at hij bij
Suisse, soms in de gaarkeuken, soms kocht hij een paar eieren. Het
was geen nagemaakt vie de bohème, geen artistieke anstellerij: het
was zijn gewoon goedhartig normaal leven.
Als zijn vrienden kwamen oploopen, lei hij zijn penseelen neer, werd er
gebitterd uit gebroken glaasjes en eierdoppen, werd er gewerkt met de
gewichten, geschermd met oude sabels. Dan zette hij zijn bril af, den
grooten zwaren bril, dien hij gewoonlijk met logge handbewegingen tegen
de oogen duwde en stond als een leelijke, sterke, kippige reus. Ze
mochten hem allen. Ook de vrouwen. De vrouwen vonden hem leelijk met
zijn houtige lichaam, zijn hoekige gezicht. Maar zijn domme goedheid
en het "artistieke" dat vrouwen schijnt in te palmen, maakte hem tot
veroveraar van de vele modellen, die al zoo kwamen om te poseeren.
Nu was hij dertig jaar. Niets groots, niets heftigs was in zijn leven
gebeurd. Het ging aan hem voorbij, zonder dat hij het merkte. Hij
leefde het zonder vreugde, zonder bitterheid. Schilderen, vrienden,
vrouwen, turnen, alles passeerde zonder schok, zonder gevoel van
moeheid, zonder passie. Hij was een gezond, stevig individu, dat
schilderde uit onverklaarbare genegenheid. Als hij er in zijn jonge
jaren niet toe gekomen was om te schilderen, zou hij timmerman of
smid geworden zijn.
Toen hij eens niets verkocht had, kreeg hij ruzie met zijn huisbaas
om de huur en "verkaste". In de Jordaan stond een groote kamer leeg
met goed licht. De vrienden sjouwden mee. Den volgenden dag was
het atelier in orde. Wat vieze doeken tegen de ramen, wat schetsen
en wapens aan de wanden, wat oude stoelen en een stoffige bank,
belegd met Smyrnaasch. Voor één gulden in de week bracht de juffrouw
van boven hem elken dag een kop koffie met een dunnetjes belegde
boterham. En het beenige, plompe lichaam zat weer voor den ezel met
dezelfde gemoedelijke genegenheid om te schilderen.
Klop. Klop.
"Binnen!"
"Moeder is ziek.--Ik kom u de koffie brengen."
Hij keek op van zijn werk.
"Is de juffrouw boven je moeder?"
"Ja."
"Waar heb je dan al dien tijd hier in huis gezeten, dat ik je voor
het eerst zie?"
"Nou.--Da's ook 'n vraag! Ik ga om acht uur de deur uit 's morgens
en kom 's avonds half negen eerst binnen."
"Wat doe je voor den kost?"
"Ik ben op 'n naaiwinkel."
"O."
"Dag mijneer."
"Wat hè-je 'n haast!"
"Dag mijneer."
Weg was ze.
"Verdikkie wat 'n aardig smoeltje"--dacht-ie, at zijn boterham en
werkte door.
Ook den volgenden dag kwam ze.
"De koffie mijneer."
"Heb je weer zoo'n haast?"
"Moeder is alleen."
"Mag ik je een zoen geven?"
"Ga nou weg!"
"Kom nou, ééntje."
"Je bent zoo leelijk, zeg!"
"Leelijke zoenen ook"...
"Ik zou je danken."
Weg was ze.
Hij at, zong en werkte. 't Kon hem niemendal schelen. Ze zeiden
allemaal leelijkert, later mochten ze hem toch.
Derde, vierde, vijfde dag. Het bleef zoo. Ze lachte hem uit. Ze liet
d'r witte tandjes zien, ginnegapte, maar als hij een beweging maakte,
was ze weg.
Hij werd er wrevelig onder. Waarom dee ze zoo mal? Die
bakvisch. Eindelijk, den zesden dag, toen ze wat dichter bij kwam,
in de eene hand de koffie, in de andere het bordje met brood, zoende
hij d'r geniepig, onverwacht. Ze werd vuurrood van woede. De koffie
viel om, plaste op den grond.
"Laat me los! Ik wil van jou niet gezoend worden, smeerlap!" Driftig,
met een gebaar van walging veegde ze zich den mond af.
"Heb je zóó 't land an me?" zei-die verwonderd.
"Ja! Ja! Ja!"
Dat was gek. Terwijl ze de trap naar boven opging, luisterde hij naar
de krakende treden. Het was gèk. Most ze dàarom zoo nijdig worden. Hij
floot een deuntje, maar voelde zich niet op z'n gemak. Als ze morgen
kwam zou-die zich koest houen. Je mot bij vrouwen koel zijn. Dan
heb je succes.--Dan piqueer je ze.--Dan gaan ze op je letten. Den
volgenden dag kwam ze niet. Moeder was beter. Hij at en werkte. Ook
goed. Dan zou hij d'r niet meer zien. Wat maalde die om een aardig
snuitje. Tegen den avond ging hij uit, at in de gaarkeuken. Nou was
zij op den naaiwinkel. Wat? Wel zeker! Hij wou toch 's gaan kijken. Om
acht uur wachtte hij bij een lantaarn. Daar kwam ze.
"Dag Marietje!"
"Dag."
"Mag ik je thuis brengen?"
"Toe ga nou weg... Ga nou weg... Ik loop al met iemand."
"Da's niet waar."
"Waarachtig."
"Wil je niks van me weten?"
"Je verveelt me. Toe ruk nou uit!"
Ze liet hem staan. Iets verder wandelde ze op met een ander, die zijn
arm door den hare stak.
"'t Kan me ook niks schelen..." mopperde hij: "'t 's 'n lamme meid."
Maar den heelen avond was hij down, dronk wat grogjes, stond den
volgenden morgen katterig op. Het werk ging niet. Hij zou een
dutje doen. Op de rustbank languit, het hoofd op de armen, lag hij
te luieren. Hij at een paar eieren, ging weer liggen inert op het
Smyrnaasch. Bij halfnegen hoorde-die d'r thuiskomen. De buitendeur
werd geopend. Beneden in de gang praatte ze met iemand. Hij kon alles
hooren, àlles. Ook dat 'r gezoend werd. Toen viel de buitendeur dicht,
kraakten de treden, een voor een.
Schemer was in het atelier. Het licht van een gaslantaarn gaf een
raamreflectie op den grond. Witte plakkaten van schetsen aan de wanden
waren als vlekken te zien.
Met het hoofd achterover, lusteloos, als een sterk beest, zonder
leven, lag hij. Al z'n gedachten waren vaag, doezelig. Maar in de
straat gingen een paar meiden voorbij, die zongen van "Daisy Bell"
en zoo zonder aanleiding, voor het éérst van zijn gemoedelijke,
domme leven begon-ie te huilen. Wat gebeurde 'm nou--Waarom was-ie
zoo krankzinnig,--waarom blerde-ie als 'n idioot?--D'r was 'm toch
niks gebeurd.--Wat kon 'm die meid schelen, die verdomde bakvisch,
dat schaap, dat nest, dat kuiken, die magere gans, dat nuffie, dat
toch maar 'n gewoon scharreltje was!...
Stilletjes bleef-ie doorhuilen in de rust van de kamer.