De agent ligt languit op den grond, werpt een dreg uit. Telkens groote
aandacht als het touw binnengehaald wordt.
"Hij heit 'm!... Hij heit 'm!"
Maar een groote mand hangt aan een punt van de dreg.
"Je vangt bot," lacht d'r een.
"Hou je smoel!" schreeuwt een slager: "mot je d'r mee spotten, als
zoo'n stumper verzuipt!"
"Ga liever naar je kroeg, beroerling," zegt een vrouw, kwaadaardig,
"heb jij een wurm, zeg! 't Zal jou je zorg zijn als je heele familie
verzuipt!"
Er komt weer stilte.
De agent haalt voorzichtig het touw op. Het is nou het half vergane
kreng van een hond. Een zwarte slijkpoel kringt om het rottend beest.
"Durft d'r nou niemand in te springen!" schreeuwt een heer.
"Je bent hier vlak bij 'n koker!" roept een der mannen in 't bootje:
"D'r is 'n zuiging dat je geen vin kan uitslaan!"
De agent gooit de haken weer uit. Drie-, viermaal haalt-ie op. Alleen
slijk en stinkende gasbellen. Het water wordt zwart-bruin gekleurd.
"Springt d'r dan in, Gerrit, met een touw om je lijf!"
"Hoera! Hoera!"...
Gerrit heeft zijn jas en zijn schoenen uitgetrokken. Even staat-ie met
het touw om zijn middel op den rand van het bootje. Dan floep. Breede,
nijdige kringen cirkelen om de plek waar hij verdwenen is. Groote
spattende stankbellen borrelen op.
"Vieren! Meer vieren!" schreeuwen ze van den walkant.
Gerrit komt boven, proestend en hijgend. Modder hangt om zijn haar.
Niks.
Hij wordt in het bootje getrokken. Een ander man springt in
't modderwater. Stilte van oprechte belangstelling is over de
menigte. De man blijft lang onder, verschijnt spuwend en snuivend,
maar met leege handen.
"Jezus, Jezus!" huilt de vrouw naast den slagersknecht: "Zoo'n engel
van 'n kind!"
"Ken je de mense?" vraagt de slager.
"'t Is de jongen van Arie op den hoek! Een engel van 'n jongen!"
"Weete de mense d'r van?"
"Ze zijn gewaarschouwd... De man is uit. De vrouw leit van d'r zelve."
Plomp. Gerrit is weer te water. De gracht is goorzwart gekleurd. Alle
modder en vuiligheid wordt opgewerkt.
"Het-ie 'm? Het-ie 'm?"
Nee hij heeft 'm niet. Vuurrood van inspanning komt-ie boven. Zijn
hemd plakt op z'n bibberend lichaam. De groote vereelte hand wrijft
het water uit de oogen.
"Hij zal in den koker gezogen zijn," roepen ze uit het bootje.
"Kan niet!" schreeuwt de agent, "d'r is roosterwerk voor!"
"Dreg dan wat meer bij den koker!"
"Hou je toch stil mense! Met al je gekles komt 't kind d'r niet uit!"
"De agent heit gelijk! Nou douw zoo niet! Bè-jij bedonderd!"
Plomp. De andere is nòg eens te water.
"Verdik-me wat heit-ie 'n aasem!"
"Nou kan je zien wat 'n stinkwater 't is..."
"Je mot je boot wat verhale!"
"Daar heb je 'm!"
De man duikt op. Geen kind. Het volk begint te dringen.
Behoedzaam blijft de agent dreggen. Aan de overzij van het water
staan evenveel menschen. Het water ligt als een vijandige doodensloot
tusschen de hagen van levende menschen. De modderkluiten schuimen op,
drijven in het zonlicht als zwarte verstikkingen. In het bootje zitten
de twee verkleumde, klappertandende mannen. Nog eens zal Gerrit het
probeeren. De slijmrige modderkringen sluiten boven zijn hoofd. De
menigte dringt hoe langer hoe sterker. Jongens zijn in de boomen
geklauterd. Uit de ramen der woningen hangen vrouwen in witte jakken,
boven rekken met drogend goed.
"Heit-ie'm?"
"Heit-ie'm!!!"
"Hij heit 'm!"
"Hoeraa!"
"Verlies 'm niet!"
"Voorzichtig, Gerrit!"
"Hij is in de boot!"
"An wal brengen! Gauw an de wal."
"Jezus, wat ziet het schaap blauw!"
Nu hebben ze ook Gerrit binnengehaald. Ze boomen het bootje naar
den wal. De agent pakt de dooie handjes aan. De slagersknecht de
dooie voetjes.
"Laat 'm los! Op zij mense! Op zij mense! Op zij!"
Een kleine open ruimte streept door de dringende menigte. De agent
draagt het slijkerig, zwarte lichaampje op de armen. Modder druipt
langs zijn uniformjas. Achter hem aan joelt het volk. Vrouwen die er
niets mee te maken hebben, loopen te huilen. De klompen klotsen op
de keien.
"Op zij mense! Op zij dan, godverdomme!"
In een herberg wordt het kind binnengedragen. De deuren gaan dicht. De
gordijnen worden neergelaten. Door de kieren kijken ze naar binnen.
"Ze hebben 'm uitgekleed!"
"Zijn tong hangt uit z'n mond!"
"Ze wrijven z'n voeten."
"De agent haalt z'n armen op en neer..."
"Die heit 't meer bij de hand gehad!"
"Op zij mense!... Maak dan plaats! Daar heb-ie de dokter"...
Een paar nemen de petten af. Een jonge dokter met rood puntbaardje
wordt binnengelaten. De deuren vallen dicht. Een tweede agent komt.
"Kom mense loop nou deur! Wat heb je d'r an om hier te staan
kijke. Deurloope! Deurloope! Oprijje jij daar! Je weet wel, dat je
hier niet mag blijven staan!"
Maar in groote groepen hokt het volk rondom de herberg.
Een man komt aanrennen. Hij heeft een dik rood gezicht, draagt een wit
wambuis. Opgewonden tikt hij tegen de ruiten der deur. Hij fluistert
met den herbergier. De deur gaat open. De deur gaat dicht. Even ziet
het volk een wit, klein lichaam.
"Da's de vader!"
"Ach Jezus!"
"Wat 'n verschrikking!"
"Was dat de vader?"
Een kwartier blijft alles zoo. De agent buiten wandelt op en
neer. Binnen is het stil. Dan gaan de deuren open. De man met het
witte wambuis rood, strak, komt er uit. Niemand durft vragen. De
agent draagt een pakje, ingewikkeld in een laken.
"Op zij mense!"...
Achter hem de dokter.
"Is-ie dood?"
"Ja mense."
"Ach God! Ach God!"
Een heele menigte loopt mee met den agent, het grachtje af, een
zijstraat in, nog een zijstraat en dan op den hoek.