KAMERHOEK.

Even keek hij nog naar den lichtenden hemel, stak den sleutel in het

slot, veegde de voeten langzaam op de vloermat, ging de voortreedjes

op en opende de kamerdeur. Met het blonde, pluimende haar, dat een

groote kuif leek, zat ze bij 't licht. De gasarm hing laag, tot op

de tafel. De koffie gaf stootende schokjes boven het olielicht. Er

was een aangename warmte, alles sloeg hem gezellig tegen. Het was

zijn vriendelijk, gelukkig thuis.

Ze lei het wollen kinderrokje neer dat ze bezig was te breien,

stond op, sloeg de armen om zijn hals, zoende hem op zijn mond,

op zijn oogen.

"Ben je er eindelijk?"

"Eindelijk?"

"'t Is over twaalf."

"Wel nee."

"Heb je veel te doen gehad?"

"Nee--ik ben opgehouen."

"Ben je niet goed?"

"'n Beetje moe."

"Ga dan gauw zitten--hier zijn je toffels--Trek je je boord niet uit?"

"Zeker kind."

"Wat ben je koel, van avond."

"Hannaatje, doe nou weer geen ontdekkingen! Waar is de chamberloek?"

"Trek je vest ook uit. Je zult het te warm krijgen."

"Dank je, wijfje."

Met de muilen an en warm in zijn chamberloek, zat hij in den

leuningstoel.

"Is er nieuws?"

"Niets."

"Heb je de krant?"

"Hier."

Ze schonk een kopje koffie in, lei zijn pijp op tafel, scharrelde rond

voor het aschbakje, en lucifers, en voor water op de koffie, plukte

wat roode draadjes weg van het tafelkleed en ging over hem zitten,

rustig, ijverig hakend aan het wollen rokje en maar niet babbelend

omdat hij dan niet lezen kon. Over den gekartelden rand van de krant,

zag ze zijn voorhoofd, de inplanting der krullende haren en twee

roode oortipjes. Er kwam zoo een volkomen gelukkige rust over haar.

Ze wist dat hij er nu was, dat-ie over haar zat, dat de kleine kamer

gevuld was van een niet uit te spreken iets, dat zij 't zoo altijd

zou willen houen--de kamerrust, het witte tafelkleed met de stille

ruitjes, het koffieservies, het gasvlammetje en hem in zijn stoel,

zoo dicht bij haar, zoo vertrouwelijk dichtbij, met zijn knie tegen

haar aan en z'n voorhoofd boven de krant.

"Jannie"...

"Ja kind"...

"Er is weer een haartje gegroeid op je oor"...

"Gekke meid"...

"Wil ik 't even afknippen?"...

Ze vroeg 't zoo kinderlijk-mal, met zoo iets in-gelukkigs in haar stem,

dat hij lachend knikte.

"Blijf maar zitten... Zit je nagelschaartje in je vest... Nee blijf

nou zitten... Ik heb 't al... Jannie wat een dikkert!... 't Lijkt

d'r wel een uit je snor... Kijk eens!"

Ze lag op haar knieën, hield het haartje tegen het licht.

... "Jannie wat ben je vreemd!... Is er iets gebeurd"...

"Nee, nee, nee, kind... Sta nou op."

"Is de krant nog niet uit?"

"Nee."

"Lees dan strakjes verder!... Laat me even zoo zitten."

Ze bleef met het blonde, pluimende haar tegen hem aangeleund. Zacht

wolde het tegen zijn kin. Hij moest haar toch even zoenen.

"Prik je niet aan de haarspelden."

"Nee, snoetje."

Hij vouwde de handen tegen haar achterhoofd, streelde haar zacht en

ging zoo kijken in de gasvlam, die in den melkwitten ballon te wuiven

stond als een veer.

"Jannie wat ben je stil."

"Ik ben niet stil, kind. Ik zit te denken."

"Waaran denk je?"

"An niks."

"Ik geloof je niet. Er is iets gebeurd."

"Wees nou niet kinderachtig, vrouwtje... Er is niets, er is niets

gebeurd... Laat me nou even rustig zitten."

Ze zweeg, aanduwend het blonde hoofd tegen zijn borst. Hij hoorde

precies de rustige ademgeluidjes, keek in de kleine gasvlam, die nu

weer leek een vlinder met onrustige, gele, vleugels.

--Kwam het dan weer terug.--Was het niet te begraven in de gezonde,

eerlijke oogen van een vrouw--niet te vergeten in den kring van geluk,

die in alle woningen is.--Was het niet weggekust door twee zoenende

jonge lippen, zoo lang, zoo ontzettend lang.--De een had gesproken

van melancholie--een ander van te weinig lichaamsbeweging--Frits had

het woord Weltschmerz gebruikt.--Wat zei dat?--Hadden zij hem ooit

geholpen.--Was hij ze niet ontloopen, om dan maar weggehurkt te zitten

in een koffiehuis, waar hij 't niet uithouen kon, waar de menschen

hem drukten en het gepraat hem gehinderd had.--Dat waren de zwarte

jaren geweest.--Die waren weg, lang weg, vergeten èn gehaat.--Kwamen

ze nou terug, terug, terug...

Was hij straks niet opgewekt naar huis gegaan--waarom was hij in ééns

zoo anders geworden--had hij de menschen gezien als schimmen, met een

bewegen van armen, beenen, lijven in duistere lange straten, waarin

tramrails als slangen leien, waarin geelverlichte vakken van huizen

stonden--waarom had hij zoo plots de sterkte van zijn eigen leven

voelen wegschemeren tot die ouwe, vreeselijke lusteloosheid--waarom zoo

vreemd-onverwacht, midden in zijn geluk, had hij de stad gezien als een

klein ding, met muren, schrikkelijk veel gore, roode muren,--waarom had

hij zoo ruw, scherp de gedachte gehad... de krankzinnige... vermoeiende

gedachte... dat... het... toch... zoo... vreemd... was.... dat.... alle

ruggegraten.... stonden... rechtstandig op... de ronde aarde... Had

hij dat ergens gelezen... Waar? Waar?--Kon hij zichzelf dan niet

dwingen tot gezellig, vergetend leven van een man die werkt en

thuis zijn toffels aantrekt, zijn chamberloek, gelukkig is bij het

kraakwitte tafelkleed, bij de pruttelende koffie... bij... bij... zijn

vrouw.--Maar had hij--wanneer was het geweest--gister-eergisternacht,

toen hij wakker werd in de donkere kamer, niet verschrikt geluisterd

naar haar ademhalen... haar wangen bevoeld... om te weten dat zij er

was... haar wakker gemaakt om met haar te... praten...

"Jannie"...

Hij schrikte op.

"Wàt is er?"

"Er is niets, niets. Wat ben je toch kinderachtig."

"Ik voel dat er iets is. Waarom heb je zoo lang--met zulke groote

oogen in het gas gekeken?"

"Ach, malle meid!"

"Jannie toe!"

"Dáár, ben je nou tevreden?"

"Nee, ik wil niet gezoend worden, als je geheimen voor me hebt!"

"Er is heusch niks!"

... "Ik heb je oogen nog nooit zoo groot gezien."

"Je bent dwaas... Kom haak het rokje nou af."

Ze geloofde hem niet. Was er iets op het kantoor gebeurd? Een

onaangenaamheid. Ze werd ongerust.

"Jannie is er heusch, heusch niets gebeurd... op kantoor?"

"Nee snoetje."

"Geef me een zoen."

Met de handen om zijn hals geslagen, drukte ze zich tegen hem an. Hij

boog z'n hoofd wat neer. Vaag voelde ze dat ze hem troosten moest.

"Hartje... vrouwtje... snuitje... wijfje"...

O, 't was dan toch niets, als hij d'r zóo zoende.

Maar toen ze opkeek, zag ze 't weer--zijn oogen, zijn groote oogen,

die over haar hoofd heen keken naar een hoek van de kamer. Angstig,

hokkend van schrik draaide ze zich om, met éen ruk.

"Waar kijk je naar?" vroeg ze rauw.

"Hè, wat ben je nou opgewonden! Ik keek naar niks!... Je doe me

schrikken."

"Jij mij ook," zei ze, terwijl ze begon te huilen, zacht als een kind.

Schetsen, Eerste bundel · 第 44 / 52 题