ENGAGEMENT.

Toen ze nu geleefd had vijf-en-twintig jaar, kwam er een zeer groote

gebeurtenis in haar leven.

Er geschiedde niets anders dan dat de schel overging, dat zuster Riek

van haar borduurwerk opvloog, de trap àf bonsde, boven kwam met een

brief, de rhumatieke moeder het couvert openscheurde én Jo een paar

zoenen gaf.

Jo prikte zich bijna in de hand bij het borduren. Er moest wel iets

heel krankzinnigs in den brief staan, als moeder an 't zoenen ging.

"O Jo, o Jo, wat 'n nieuws! Riek! Riek, wat 'n nieuws!" ...

"Wàt dan toch," zei Jo nieuwsgierig.

"Hij vraagt om je hand!"

"Wie?"

"Wie zou je nou denken, zeg? Mensch, doe nou niet zoo verwonderd?"

Jo had den brief al te pakken. Riek las over haar schouder mee.

Jo las stil door. Riek begon na het eerste velletje als een idioot

te dansen door de kamer, brullend: "We gaan allemaal mee naar Indië,

we gaan allemaal mee!"

"Nou, wat zeg je d'r van?"

Jo zat ineengehurkt, het borduurwerk slap-neerhangend in haar

schoot. De strengen rood, groen, geel hingen als dikke haren over

haar bruine japon.

"Laat d'r even denken," zei Riek.

"Wat heit ze te denken!" knorde moeder nijdig, "wat heit ze te denken,

hè? Denk je dat d'r ooit 'n tweede om d'r komt?"

"Mót ik naar Indië gaan als ik 'm neem?"

... "Als je 'm neemt... Dènk-ie daar dan nog over?"

"Hij is zoo ... leelik."

"Niet waar," zei Riek: "als-ie lacht heit-ie wat 'n mooie tanden."

"Al had-ie geen tand in z'n mond, zou-die 'n partij voor je wezen! Over

een paar jaar is-ie controleur of azzistent, over twintig komt-ie met

'n rijkeluispensioen terug. Wou je liever je heele leven borduren? Kijk

maar is naar de kringen onder je oogen!"

"Ik had d'r heelemaal geen idee in dat-ie me vragen zou" ...

"Hij zal toch wel wat tegen je gezeid hebben, toen-ie nog hier was?"

"Nee... Hij keek me nooit an... Hij sprak altijd met Riek."

"Dat heit je ouwe 'm anders gelapt. Zit nou niet zoo stil en geef

asem! Ga dadelijk met Riek naar 't telegraafkantoor en telegrafeer

'm "ja" zooas-ie gevraagd heeft."

"'t Heeft zoo'n haast niet. 't Kan morgen ook gebeuren!"

"Nee! Ben je heelemaal getikt, zeg? Je gaat nóú!"

"Ik ben nog jong genoeg... Ik heb zoo'n haast niet te maken."

"Je zèl, zeg ik, versta je!"

"Wie trouwt d'r, jij of ik?"

"Je bent 'n mispunt! Je bent 'n niksnut! Zel je gaan telegrafeeren?"

"Nee, morgen! Ik wil d'r over slapen."

"Vandaag zèl je, zèl je!"

Ze keven in tegen elkander met scherpe, driftige stemmen, krakeelden

tot het donker werd in het heete, benauwde kamertje.

Ze lag in het alkoof naast Riek. Achter het houten beschot hoorde

ze moeder kreunen, die in het keukentje sliep. Het wekkertje, dat

om zes uur moest afloopen, tikte kwaadaardig. Het was benauwd in de

kamer, benauwd van het stoken, benauwd van de lamp, die den heelen

avond gebrand had. De gordijnen waren neergelaten. Het licht van een

gaslantaarn scheen aan tegen de witte stof, teekende het kruis af,

waarin de ruiten gevat stonden.

Ze lag met de oogen wijd-open, zóo dof en moe van de ruzie, dat ze

niet denken kon.

Het wekkertje hinderde schrikkelijk. Ze dorst den slinger niet

tegenhouen, omdat ze op moest voor het werk van "Tesselschade".

Aan de andere zijde van het beschot kreunde moeder, die het rhumatieke

lichaam wilde omdraaien, sterker.

"Lekker," dacht ze. Ze had 'r pleizier in. Maar toen 't kreunen harder

werd, kreeg ze meelij, kwam 't bed uit, liep met de bloote voeten

over het zeil, de gang door, de keuken in en hielp het dikkertje.

"Ga maar weg! Laat me met rust! Jullie vermoorden me, beesten, jullie

vermoorden me!"

Ze liep weer terug, tastte, tastte verkeerd, stootte den voet tegen

den dorpel. De nagel snee in haar voet. Ze kreeg de tranen in haar

oogen van pijn, ging zitten, trok het been op, nam den voet in de

handen, beet zich op de lippen. In die houding begon ze te huilen,

niet omdat ze zich gestooten had--dat dee wel pijn--dat was minder--om

de ellende van 't leven--om die man die d'r gevraagd had--om de ruzie

van vanavond--om al de beroerdigheid--om 't béést d'rnaast... Ze liet

zich afglijen van den stoel, lag met het hoofd op d'r rokken en kousen.

Ze snikte niet lang.

Ze wàs weer in dat doffe gevoel van straks, in de benauwende spanning

van het heete kamertje. Ze kreeg wèèr dat gevoel van vroeger, als ze

te lang gewerkt had--dat gevoel van nooit meer veerkracht te zullen

hebben, nooit meer frissche buitenlucht te zullen inademen, nooit

meer te zullen komen tot de kracht om te stoeien als in ver geleefde

dagen. Ze voelde de wereld als haar kamer. De wereld was een warme

verstikkende kleine ruimte. Zij was er alleen in, alleen en òp. Ze

was òp en wachtte niets meer.

Wat zou d'r gebeuren in... in... Indië. Ze zou varen over de groote

zee... lekker... luchtig... frisch... zooas ze eens gevaren had

naar Marken..., maar ze zou varen met dat altijd-blijvend zwarte

loome gevoel... Ze zou dààr wonen, zooas ze hier gewoond had... met

hem... met hem... Hij zou liggen waar Riek nou lei... Zij zou wakker

worden, met de oogen wijd-open... 't zou even warm, heet, drukkend

zijn... ze zou zich den voet stooten... en liggen met het hoofd op

de natgehuilde kousen... terwijl hij met z'n rooien snor te slapen

lag naast d'r.

Ze verlei het hoofd, keek naar de zwakverlichte gordijnen met de

zwarte, doezelige kruizen. Op straat hoorde ze iemand voorbijgaan. Stap

voor stap. Nou bonsde z'n voet tegen het ijzeren raster van de

waterleiding voor de deur. Nou ging-ie den hoek om, was het weer stil.

Was het niet om het even, waar je te huilen lag op je kousen?

Was het niet om het even, of je leven voor je stond als een braking

van zwart, in de stad hier... of dáár... in de binnenlanden?

Maar hier droomde je soms nog van een geluk, van een iets dat niet

te zeggen, niet te bepraten is ... hier hield je vast an een wonder,

een teeken van God... hier droomde je van geheimzinnige dingen, als de

zon in je kamer scheen en de musschen kruimels van 't kozijn pikten...

Zou 't leven daar nét zoo zijn... zoo dof, zoo verstikkend, zoo

andrijvend als een plompe mist, zoo benauwend als een kleine heete

kamer met een rhumatieke moeder...

Zei 't iets in 't leven, als je je verkocht an 'n man, an 'n vreemde

vent, als dat leven nou toch eenmaal zoo was, als 't je liet dóódgaan

op je stoel, terwijl de musschen van 't kozijn naar de daken en van

de daken in de lucht vlogen...

Wat kon 't haar schelen... wàt kon 't haar schelen... morgen zou

ze de zakdoeken af borduren..., als ze moeder gewreven had...,

zou ze stokvisch gaan koopen bij Fuente in de van Wou..., waar

ze altijd augurkies uit de vaten snoepte..., zou ze telegrafeeren

naar Semarang... waar of dat lag... en wat of dat kostte... as ze

nou maar genoeg geld bij "Tesselschade" kreeg voor de stokvisch en

't telegram... en dan zou ze de kamer 'n goeie beurt geven... met al

dat stoken en niet luchten voor 't ouwe mensch... werd de boel zoo

vies om niet an te raken... dan zou ze de brander van de lamp ook 's

goed doorblazen... al de gaatjes waren verstopt... en ze zouen samen

't kleed voor elven uitslaan... laatst had ze haast 'n bekeuring

gekregen... de stokvisch most lang weeken... anders kwam-ie hard op

tafel en d'r most nog mosterd wezen... nee anders niks...

Haast was ze ingedut.

Ze schrikte op door Riek, die snurkte.

Het was niet om uit te houen van de warmte. Zachtjes schoof ze het

raam op--heel klein kiertje, ademde de scherpe avondlucht, keek met

droge oogen naar de omtrekken der bladerlooze boomen, naar de donkere

wolken, die voorbij de maan dreven. De maan was geheel bedekt, begon

zich los te werken uit de sponzen van zwart. Een wit wolkentipje kwam

al verzilverd uit.

Ze wou 'm er uit zien komen. Maar hij kwam niet. Alleen wat

wolkenrandjes stonden gekleurd alsof in de verte zilverbrand was.

Den volgenden morgen lag moeder nog te bed, toen ze terugkwamen. Riek

frisch van de wandeling. Jo met kringen onder de oogen.

Moeder stak het hoofd uit de alkoof.

"Wat heit 't gekost?"

"Twee en twintig gulden, twee en zestig cent"...

"Watte?"

"Zes woorden, elk van drie gulden zeven en zeventig cent."...

"'t Is godbeterme 'n geld! Had je dan zes woorden noodig?"

"Natuurlijk... Wolters--Indisch-ambtenaar--Semarang--ja--Jo."

"Ha-je dan Indisch niet weg kenne laten, stommert? Affijn. Laat ik

je een zoen geven om je te felisisteeren."

Schetsen, Eerste bundel · 第 43 / 52 题