DOODE.

Hij deed het.--Het gebeurde in een minimum. Hij was dood.

Eerst kwam de vrouw op de kamer, frisch van de wandeling. Ze keek

naar 't lichaam, liep gillend heen. De vader kwam ook, krijt-wit,

bevend. Achter hem gluurden de dienstboden, in een groote begeerigheid

om het lijk te zien.

De dokter constateerde den dood.

De kist werd besteld.

Een kleine annonce kwam in de krant: ... "Tot onze innige droefheid

overleed gisteren, na een korte ongesteldheid, onze"...

Nieuwsgierigheid, meelijdend gekakel, vloekende kwaadaardigheid

walmden door 't stadje.

Maar hij was dood.

Op den begrafenisdag stond de rouwkoets voor de deur. De zwarte kast

wiebelde tusschen de stoffige wielen. Slap hingen draperieën en franjes

naast verzilverde doodskoppen. Als een zakkendrager, rond gebogen,

dommelde de koetsier op den bok. De paarden knabbelden op de gebitten,

trappelden saai onder de warme, drukkende dekken. Om de koets, voor

de huisdeur krielden menschen, buren, voorbijgangers. Ziekelijke

nieuwsgierigheid was op de tronies. Ze verdrongen zich fluisterend. Ze

keken met schuwheid naar de leege holte in de koets, waar de kist moest

kommen. Dicht tot elkander schuivend, praatten ze. De een sprak kwaad

over den dooie, de ander had het lijk gezien, beschreef de akeligheid

van het verminkte hoofd. Aan de overzij hadden ze 't over 't aantal

koetsen, dat rijk en arm allemaal motten sterven, over de weduwe,

over de famielje. Een agent hield de ruimte voor de deur vrij.

't Duurde lang eer de kist kwam. In de brandende zon hing de menigte

te braden op de stoep, opdringend, met de ongure nieuwsgierigheid

van menschen, die graag met 'n dooie zien sollen.

Maar nou kwam-die.

Klots, klots. De dwarshouten worden in de koets gelegd. Boem. Een

benauwde dreun. De kist glijdt in den wagen. Het zwarte kleed flapt

over de houten wanden... 'n Beetje meer aftrekken Dirrèk...

Dichter dringt het volk. 't Wil 'n naakt hoekje van de kist zien. Nou

praten ze zachies over de kransen, over de blommen.

Allee! Hoert!

De lijkwagen trekt 'n endje op. De eerste koets rolt voor. De

nieuwsgierige massa duwt en dringt om de bloedverwanten te zien,

te kijken wie of d'r nou 't meest huilt, wie of d'r 't bleekst is.

... Dat sel de vader sijn... die met z'n geplakte

hare... Nietes... Wellis... Nietes... Hou nou je bek... Is 't gedaan

van achteren?... Hou je poote thuis, lamstraal... Verrek nou...

Langzaam sukkelt de stoet voort. Vóorop de dooie man. Achteraan de

koetsen met netjes in 't zwart, met witte dassen gekleede menschen. Als

'n zwarte slang, waggelt hij naar 't open gat in den grond, naar

't plekje omwoelde aarde, waar ze den dooie onder wat schoppen

heetgebrand zand zullen verstoppen. De kinderen sjokken nog een eind

mee. De voorbijgangers blijven staan, kijken om, tellen de koetsen,

gaan verder. De tram stopt even. Achter de ruiten laten de burgerjufs

'n oogenblik d'r emmer met aardappelen of d'r handwerkje staan.

Een uur later komen de koetsen voor het sterfhuis terug. Boven in de

huiskamer, nemen ze gedempt-sprekend afscheid, loopen op de teenen

op het Smyrnaasch.

... "Hou je maar goed, meneer... Kom, niet 't hoofd laten

zakken... Sterkte mevrouw..."

Buiten stappen ze weer in de koetsen, gaan naar huis, of slenteren

in clubjes naar 'n café. Nou 't lijk niet meer boven aarde staat,

spreken ze vrijuit. Dikke oom kan geen medelijden hebben met iemand,

die eerst zijn zaken in de war stuurt en er zichzelf dan kort en

bondig uithelpt. Dà's een lafheid, een gemeenheid, een verregaande

karakterloosheid. Als je fatsoenlijk man ben, laat je je vrouw

niet zoo berooid achter. De familie zal d'r natuurlijk weer voor

moeten opdraaien. Natuurlijk de familie! Neef is mee naar 't graf

gegaan pour sauver les apparences. Inwendig vond-ie 't beroerd om

de laatste eer an iemand te bewijzen, die zóó de familie in opspraak

bracht. "Hij" had zijn zaken bijtijds dienen bloot te leggen. Ze zouen

'm dan geholpen hebben. Hij zou 't zeker gedaan hebben. Maar zúlke

krankzinnige uitersten! Nommer drie had allang gemerkt, dat er iets

mis was. Hij vond den dooie rondweg een ploert.

't Was heel mooi, om van dooien niks dan goeds te zeggen. Dat ging

zoover 't voeten had. Hij hield er van "zijn meening te zeggen". 't Was

een infamie! Waarom was "hij" niet failliet gegaan? Wat stak d'r voor

schande in? Zag je niet dagelijks de grootste huizen springen? Lag

't niet voor de hand om weer van voren af aan te beginnen, met hulp

van de familie? Hadden ze niet voor 'n fatsoenlijk accoordje kunnen

zorgen? Nummer vier wou absoluut geen kwaad spreken, maar hij was toch

positief door den dooie opgelicht die hem nog geen twee maanden geleden

een paar mille te leen had gevraagd. Nummer vijf zou "hem" een man

van karakter hebben gevonden, als hij had blijven leven. Daartoe was

meer moed noodig dan zich dood te schieten, wat feitelijk elkeen kan.

Op de Beurs was het nieuws den eersten dag rondgegaan. De crediteuren

waren verontwaardigd. Cijfers, dikke, vette cijfers werden genoemd. Er

was een algemeene verbittering. De solide beursmannen, die geld aan

"hem" verloren hadden, waren kapot van zoo'n geval. Anderen die wat

aan "hem" verdiend hadden, redeneerden en beweerden dat je van een

zaak alles moet weten voor je aan 't veroordeelen gaat. Hooggeboorde

leegloopers liepen druk-gesticuleerend langs de pilaren. Ze wisten

bijzonderheden. Er waren ook grappenmakers. Een had een woordspeling

gemaakt op den naam van den dooie... Hahaha!... Wat? Nou, wat?... Nee,

mis!.. Hahaha!.. Goeie, zeg... Flauwe bliksem!...

De Beurs spoog het nieuws in de stad... Heb je gehoord

van...? Van...? Wat zegje d'r van?... Leppend van d'r glaasjes,

bij 't geratel van dominosteenen, in aangenaam weelderige

stemming, zaten ze gehokt, onderstellingen makend, sprekend over

"zijn" privé-leven... Wie heeft d'r dubbel-zes?... Kom praat nou

niet... Dibbels, jouw beurt... Maar dan begon d'r weer een. Ze waren

't allemaal eens. Hoe kòn je van opinie verschillen? 't Was niet alleen

laf, 't was onmanlijk om zóó je jonge vrouw achter te laten. Hij had

behooren te bedenken, dat een man plichten heeft. Als jonggezel was-ie

meester van z'n leven... Maar getrouwd en nog geen jaar getrouwd... Was

ze niet 'n juffrouw ††† van d'r van?...

Precies. D'r vader was resident in Indië geweest. "Hij" had een goed

huwelijk an d'r gedaan. Ze hadden d'r hart te hoog gedragen. Overal

nummer een. Als de zaken misloopen, mot je de tering naar de

nering zetten. De vorige week waren ze nog in 't Concertgebouw

geweest. Vroolijk as ze waren! En nou 'n smerig bankroet. Een

makkelijke manier om je van je schuldeischers af te maken. Een geluk

dat d'r geen kinderen waren. Wablief? Geen kinderen? D'r most wel

degelijk een op komst zijn... Wat 'n schooier toch! Wat 'n patser!

's Middags, an tafel, spraken ze d'r verder over. Eerst werd 't zacht

an de vrouwen verteld, schudden die 't hoofd. Dan, kwam de lust om méér

te weten, werd er lief, meelijdend geredeneerd, een sinaasappeltje

geschild en over de vrouw gepraat, dronken ze zoete thee en werden

de toiletten, de "sjiek" van "haar" behandeld.

Wat een luxe in dat huishouden!

Wat een verspilling!

Zoo'n vrouw most 'n man ruïneeren.

Dat had je bij Indischen, die smeten altijd met geld. Daar was geen

kruid voor gewassen.

Maar wat een schrik, hè, wat een

angst... om... zoo... je... man... dood... te vinden... Hè! Hè! Hè! 't

Was om te besterreven. Z'n heele kaak kapot!... Hè! Hou nou op

alsjeblief met je angstige verhalen! Hè! Hè! Koos, wil je hebben da'k

vannacht geen oog dicht doe!...

Schetsen, Eerste bundel · 第 34 / 52 题