NAAIMUGJE.

Bij de rood-lichtende lamp las ze. Ze was aan het derde hoofdstuk:

Een stormachtige nacht.

"Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier struikelde,

en scheen op 't punt om in de knieën te zinken--doch neen, hij

vervolgde zijn weg, wankelend, als iemand, die beschonken is,

maar toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te zijn,

eer de man, dien hij had willen verderven, hem achterhalen kon...

"Een wanhopige gil hield den vervolger terug in zijn loop: was

dàt de stem zijner vrouw? O God, had hij haar getroffen! Haar,

die hij ten koste van goed en bloed zou willen behoeden voor

ongeluk en schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar

de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.

"Goddank! zijne Julia was ongedeerd. Bleek, bèvend, doch behouden

stond zij daar, als een beeld, zoo roerloos. Céline lag bezwijmd

aan hare voeten in 't vochtige gras.

""Violet?" brengt de man met moeite uit. "Violet! hoe komt zij

hier? Wie was die--die--andere, die man?" Zonder te antwoorden

buigt..."

Tik. Tik. Tik...

Tien uur.

"Jassus... Hoeveel bladzijden nog eer 't hoofdstuk uit is... Nog

vijf... Eerst uitlezen..."

Wèer in de hurkend-liggende houding, gejaagd, las ze verder. Bij

het slot: "Ga! Ik zal u straks alles verklaren!"--lei ze een draadje

rooie wol in het boek, sloeg het dicht en nam het naaiwerk weer op.

Het was muf in het atelier. Ze zat naar de ramen gekeerd, vlak bij de

lamp, die aan een kant heel scherp het fijne gezichtje belichtte. Het

zwarte haar stond in een wrong hoog-op. Ze had er een kleur van

gekregen. Terwijl de vuil-bruine handjes rap aan 't werk waren en

de naald heen en weer vloog als een glinsterend motje, dacht ze

aan Violet en Céline, aan den chevalier en den edelen man. Als ze

nou hard doorpikte kon zij den zoom om half elf hebben gelegd, dan

nog drie knoopsgaten, dan was ze d'r.--Wat je dat opwond! Je wer d'r

koud en warm bij! Zulleke heerlike mense, die allemaal zulleke echte,

zulleke heerlijke avonturen hadden. Wacht eventjes. Effen den zoom

vouwen. Zoo. 't Was toch mooi goed. As je 't over je been streek was

't zoo glanzig as zij. Nou verder. Wat 'n zonde dat't nog niet af

was. As ze eerst d'r taak had klaargemaakt, kon ze nou lekker in

bed leggen lezen. Nou was 't laat voor niks geworden, deeën d'r

oogen pijn. Hoe zou 't afloopen met Céline? Ze was pas an de 52ste

bladzij. Zou ze eventjes van achter kijken? Nee, jassus, schaap,

werk nou door. Wat staken d'r oogen vanavond. Wacht, even betten. Zoo

voelden ze frisscher.

't Was 'n lange zit, wat? De andere meissies hadden 't veel

pleizieriger. Die gingen om negen uur weg, hadden pret in de

Kalverstraat, kwammen in de lucht en leien nou te slapen. Maar je

kon d'r niks an doen. De een was zus, de ander zòo. Ze zat toch wel

lekkertjes, zoo in het warme atelier. As de andere meissies d'r waren,

was 't wàt lollig. Wat had die Lise zich angesteld vanmiddag. Achter

den rug van de juffrouw had ze bakkussen getrokken om van om te

vallen. 't Was wel een grappige meid, maar ze stelde zich toch an

as een mal dier as 't Zondag was. Griet was 'n akelig spook. Wat

'n onuitstaanbaar dierage, om an de juffrouw te klikken dat ze d'r

mouw dichtgenaaid hadden. Dat had je altijd bij rooien. Jassus,

al elf uur! Wat die tijd toch vloog. As de juffrouw morgen kwam,

zou 't weer mis zijn. De knoopsgaten mosten af. Sjiek kostuum. Zóó

'n Zondagsche jurk. Wat zou Lise 'n giftige oogen opzetten!

Zondag was toch maar 'n dag om te zoenen. As je elken dag van 's

morgens negen tot 's avonds tien zat te pikken, was 't goddelijk as

je Zondagmiddag tot acht uur uit mocht. De juffrouw was wel goed en

vijftig cent zakgeld in de week met vrijen kost was goed betaald,

maar je was toch blij as je in de lucht kwam. Nou had ze drie gulden

gespaard. Lise, die een daalder verdiende, omdat ze zestien was,

versnoepte alles. Die had altijd een toetje met zoetigheid. As

je vriendin met d'r bleef, stopte ze altijd toe. Maar ze was

zoo'n jongensgek. Ze maakte afspraakies. En de jongens deeën

zoo gemeen. Jassus. Nou nog èèn knoopsgat. Hè, wat staken d'r

oogen. Morgenavond kreeg ze d'r tien stuivers. Dan kon ze klaar zijn

met "Céline's beproeving", zou ze "De gevloekte" huren, dat net zoo

prachtig most wezen als "De bleeke gravin".

Met gezwollen oogen werkte ze door. Het licht was rooder

geworden. Eindelijk lei ze 't kostuum neer, zocht nog wat wol uit

een pak van de groote stellage, dee de kast open en nam het bord

met de boterhammen, dat de juffrouw voor d'r klaar had gezet. Alweer

boterhammenworst!... Dat zag je al uit de verte... Natuurlijk! Mààr

tien cent het ons. Je mocht nog dank-ie zeggen as je d'r wat

opkreeg. Zoo. Nou ging ze d'r nog éven voor zitten. Hè! Dat was nou

je heerlijkste uurtje. Vroeger at ze d'r boterhammen in bed. Maar

dan lag je den heelen nacht op de kruimels.

Nou was 't hier om niet naar bed te gaan. Waar was ze gebleven? O ja,

bladzij 52. Een nieuw hoofdstuk: Kassia, de getrouwe en vertrouwde. Nou

eerst een hap in de boterham...

Smakkend en lang kauwend over elken hap, om maar te rekken, die

heerlijke gezelligheid, om te eten terwijl je las en je niet gestoord

kon worden, begon ze weer aan den roman, bleef doorlezen en pikte de

kruimels van 't bord.

Tik. Tik. Tik. Tik...

Was 't al zóó laat? Precies. De klok ging precies. Buiten speelde

't net. Nou gauw uitkleeden. Zoo. Nou de nachtpon. Nou d'r haar. Nou

kon ze weer lezen.

Terwijl zij het haar kamde, las ze door, hield op met kammen en

verslond de regels. De kam lei naast het boek... Het was om den heelen

nacht op te blijven...

"En de vrij gebleven hand tastte onder 't hoofdkussen, en haalde

een blanken dunnen dolk te voorschijn, en nogmaals sprak Julia, met

heesche, sissende stem: "Straffen zal ik--ze--en--mijzelve!" En bij

elk woord daalde de scherpe dolk neer in de borst der oude vrouw,

en toen de doodsangst deze kracht gaf om zich los te rukken, toen

een gillend noodgeschrei de huisgenooten bijeen riep, toen daalde

die dolk nogmaals neer; en de blanke hand stiet hem krachtig in

de met juweelen en kanten versierde borst,--juist dààr, waar de

diamanten vlinder vonkelde..."

Tik. Tik.

Nee, nou zou ze uitscheien. 't Was, allemachtig, half twee.

Ze dee de alkoofdeuren open, zette de lamp voorzichtig op een stoel

bij het bed en kroop er in. Nou nog éventjes.... vijf minuten maar. Met

dikke wallen onder de oogen las ze door. Het atelier met de stellages

lag in het schemerdonker. Het volle licht viel op het bed, op het

fletse, vermoeide gezichtje, op het zwarte haar, op de vuilbruine

handjes, op het gele beduimelde boek.

Maar nou kreeg ze tranen in d'r oogen....:

"Gewond, voor 't leven verminkt, doodziek, zag Céline hem weer;

hèm, haar echtgenoot voor God, den vader van haar pasgeboren kind."

Hè, wat was dat miseràbel. Waarom most-ie nou doodgaan? Je kon

d'r geregeld bij huilen. Wat brandde dat in je oogen op den laten

avond. Zou ze nou niet uitscheien?.... Kwart voor tweeën! Maar vijf

uur slaap.... Ja nóú was ze moe.

Netjes lei ze het rooie wollen draadje in het boek, op bladzijde 169,

draaide de lamp wat lager, blies er in, nog eens, trok het dek op,

vouwde de handen en bad: "Lieve God, bewaar mij dezen nacht voor

gevaren en onheilen...."

Schetsen, Eerste bundel · 第 35 / 52 题