Wies en Mies liepen met Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.
Wies was een dikkert. Ze had een kort, slobberig lijfje. Ze had
een hoofd en twee voeten. Dit laatste is zeker niet bijzonder. Maar
bij Wies was juist het bijzondere aan het hoofd en de voeten. Het
hoofd was dik en paars. De kleine oogjes probeerden listigjes
over de bolle paarse koonen heen te gluren. Als brokken deeg, die
tegen haar gezicht waren aangekwakt, stonden de koonen, dadelijk
gezwollen rondom het stompneusje, gezwollen onder de oogen en nog
altijd gezwollen bij de ooren. De twee lijvige, paarse pompoenkoonen
werden dus het eerst gezien. Eigenlijk was het hoofd alléén paarse
koon, met een neusbobbertje er in, met krentenstipjes er boven en een
vleezige mondgleuf er onder. Wies--Mies zei Wiesje. Zij hield meer van
Wies,--Wies had groene tandjes. In de dagen van haar jeugd had zij op
aanraden van Mies, die een paardengebit had, een tandenborstel gekocht
en haar tanden één ochtend met asch gepoetst, maar toen 't bloeden
ging, had zij besloten alles te laten zooals natuur 't geschapen had.
Wies had niet alleen een hoofd, zij had twéé voeten. Ze liet ze altijd
zien. Wat ze er aan had wist ze alleen zelf. Bij voorkeur droeg ze
een bovenrok, die te kort was. De voeten schommelden er onder uit,
groot en log, stevig en zwaar. Mannenvoeten. Aan dit maagdelijk
lichaam waren mannenvoeten. Sommigen zeggen mansvoeten. Mannenvoeten
gaat er mee door. Wies had eksteroogen. 't Valt natuurlijk niet met
zékerheid te zeggen. Je zou er de voeten voor in natura moeten zien,
maar aan haar wijze van loopen, aan het trapganzig neerklotsen der
mannen- of mansvoeten, kon je toch merken dat de manslaarzen niet
gemakkelijk zaten. Wies hield niet van hakken. 't Is een vreemd
geval, toch moet ge Falkland op zijn woord gelooven, wanneer hij
het feit constateert. Dan nog,--bijna zou ik daarenboven geschreven
hebben, wat een verouderde en te superlatieve uitdrukking is--stonden
Wiesje's teenen in Wiesje's manslaarzen weerbarstig omhoog, gelijk
een platgetrapte grashalm, die zich begint op te richten.
Wies was dus, kort en bondig herhaald, slobberig-dik,--ze droeg geen
corset--, met vette, paarse pompoenkoonen, neusbobbertje, krentenoogjes
en een paar robuste, haklooze manvoeten, die zich aan den teenkant
van de aarde verwijderden.
Mies was mager. Ge zult vermoeden dat Falkland hier een fantastisch
contrast maakt, maar nog eens op zijn woord, Mies wás mager. Ze was
àkelig mager. Te oordeelen naar haar gelaat, mocht verondersteld
worden dat ze veel zichtbare ribben bezat. Ze was van een magerte,
die pijnlijk schokte naast het weelderig vet van Wies. Ze was mager en
réég zich. Ze droeg een zwart schoudermanteltje, dat om haar schouders
bengelde als een natte theedoek, die an 'n lijn te drogen hangt.
Mies was bleek, vaalbleek. In haar bleeke gezicht puilden de
jukbeenderen, gelijk bleeke klonten op geklonterde amandelvla. Ze
had een mageren, gepletten, Griekschen neus en nu ja--al is 't niet
aesthetisch--zachtzinnige randjes rood onder de oogen. Mies was
lichtschuw. Ze liep met d'r bleeke, vale, magere gezicht gebogen en
vreemd, idioterig lachend, omdat ze 't volle licht niet velen kon. Als
ze lachte liet ze d'r tanden zien. Ze had een paardengebit, een groot,
sterk, regelmatig, geel paardengebit. Lachte ze bijzonder lichtschuw,
dan kwam óók 't bloedloos tandvleesch te zien.
Molly was het hondje.
Het hondje van Mies, ofschoon hij ook luisterde naar Wies. Ik
spreek daar van "hij". Dat is minder juist. Molly was een teefje. Om
verwarring te voorkomen, zal ik haar tijdelijk mannelijk maken. Molly
was een bastaard. Dat wil zeggen: hij was niet bepaald hazewind en niet
bepaald fox en niet bepaald taks. Hij had van elk wat. De herediteit
der vermenging drukte zwaar op zijn kop en zijn pooten. Meer was
van hem niet te zien. Mies pakte hem in een hondendekje als ze ging
wandelen, een snoezig dekje van blauw laken met gele randen en roode
bandjes.
Ongeveer, luidens deze zeer onmachtige beschrijving, liepen Wies,
Mies en Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.
Molly vooruit, snuffelend tusschen het gras en matig dikwijls
zenuwachtig neerzakkend op de gespreide achterpooten.
"Is-die nou eindelijk zindelijk?"--vroeg Wies.
"Hij doet niks meer," giegelde Mies.
"Is-die beter waakzaam?"
"Nou!... as d'r iemand voorbij 't raam loopt, blaft-ie wel vijf
minuten."
"Da's wàt 'n rustig idée voor je 's nachts."
"Vroeger keek ik altijd onder me bed, om te zien of d'r geen man lag."
"Verbeel je 's nachts... 'n inbreker"...
"... Of 'n moordenaar"...
"Mollie--Mollie--Mollie-ie-ie!"
"Wat heeft-ie nou!"
"O lieve God!... D'r zit 'm 'n hond na!"
Mies en Wies stonden stil. De wind waaide d'r rokken strak-weg.
Molly werd achtervolgd door een bruinharigen, leelijken, beslijkten
straathond, die met beminnelijke welwillendheid, niet te opdringerig,
integendeel met iets gentleman-achtigs in zijn gedragingen, haar--zegge
Molly's--achterpooten en staart liep te beruiken. Molly, beangstigd
door die toch wel wat onvoegzame gemeenzaamheid, draaide zich eerst
om met vertoon van nijdige, witte tandjes, maar de straatvlegel nam
er geen notitie van en draaide mee, al naarmate Molly draaide. Kittig
vluchtte Molly over een plank, over een sloot en liep aan de andere
zij van 't water Wies en Mies te gemoet met den straathond à la suite.
"Mollie-Mollie-ie-ie-ie!" riep Mies.
"Wil je weg gaan, vuil beest!" riep Wies, die met haar parapluie
hevige bewegingen verrichtte.
Goedig keek de vreemde naar de ongetrouwde meisjes aan de overzij, naar
Wies' pompoenkoonen en Mies' paardengebit, bleef éven wijsgeerig op
een afstand zitten, maar hernieuwde daarna zijn eerbiedige hofmakerij.
"Kischt! Kischt! Kischt!"
"Mollie-Mollie-Mollie-ie-ie!"
"Wil je weggaan, smeerpoes!"
"Kischt! Kischt!"
Molly nam intusschen een verdedigende houding aan, bromde en knorde
als een tijger. In kringetjes sloop de bruinharige rond haar, schoot
plotseling ongeduldig toe, pakte Molly in haar blauwe pakje en gromde
op zijn beurt.
"Kischt! Kischt!"
"O Mollietje! Engeltje! Schatje!"...
Molly deed wat menschelijk te begrijpen is: ze liet zich vallen,
plaste met de van heriditeit getuigende pootjes in de lucht en begon
een langgerekt, erbarmelijk gejank.
"Wacht! Ik zal jou krijgen!"
Op den weg lag een oude schoen. Wies pakte 'm beet, voorzichtig,
bij een onbeschimmeld plekje, mikte en wierp 't instrument naar de
overzij op 't weiland.
Lobbesachtig, met eenige verbazing, wát of die twee juffrouwen met
zijn zaken te maken hadden, keek de vieze op.
"Kischt! Kischt!"
De schoen had hem niet geraakt. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij
voort met de beruiking van het hondendekje, dat hij belangrijk scheen
te vinden, terwijl Molly, bibberend, met ingehouden najankertjes,
zich niet langer tegen de kennismaking verzette.
"Durf jij over de plank?"
"Ik?... Nee"...
"Ikke ook niet"...
"Daar ligt een steen."
Weer mikte Wies.
Raak!
De viezerik jankte nijdig en schoot een end 't weiland in.
"Mollie! Mollie-tje!"
"Psst! Pischt! Pischt!"
Daar kwam die, holde over de plank, rende naar Wies en Mies en sprong
met z'n beslijkte pooten tegen Mies' gespikkeld pakje.
"Ach schatje, wat zie je d'r uit!"
"Kijk 't kleedje van het engeltje is toegetakeld zijn!"
"... 't Is heelemaal bedorven... Ja, je bent mijn schatje... mijn
Habbelebabs... mijn pief-piefie... Kom nou maar mee an 't
kettinkie... Nou zullen ze je geen kwaad meer doen.... die vieze
leelijkers!"...
Wies en Mies waren ontdaan.
Maar nou zakte 't weer en wandelden ze verder langs den Amstel,--het
slobberig dikkertje met de paarse pompoenkoonen, 't neusbobbertje,
de haklooze manvoeten en de magere bleeke, lichtschuwe met 't
paardengebit.
Aan 't kettinkje sjokte de hond, achter de ongetrouwde meisjes.