"Vraag dan an je baas."
"Me baas is net zoo rijk als ik."
"Kom dan vanavond even langs."
"Wil ik niet even gaan wisselen an de overzij?"
"Nee jongen... 'k moet toch dadelijk zelf de deur uit."
"Best meneer."
Tegen den avond. Er wordt gebeld.
"Meneer, hier ben ik."
"Wat is er?"
"U hebt vanmorgen gezegd..."
"O, ja... wacht even."
Falkland rommelt in zijn portemonnaie en vindt twee kwartjes.
"Hier jongen, heb je twee kwartjes."
"'t Is 'n gulden meneer."
"Jawel, maar 'k kan 't niet anders passen. Kom morgen om het restant,
hoor je?"
Den volgenden morgen. De jongen is er weer. Het is een lam gevoel om
twee kwartjes schuld te hebben bij een armen stakkert. Falkland laat
bellen en een uur later wandelt hij de stad in, leent van 'n vriend
'n riks, komt terug en loopt aan bij het pothuis.
De laarzenmaker is bezig houten pennen in een zool te hameren. Even
tikt hij tegen z'n vuile pet.
"Hoeveel krijg je nog van me?"
"Tien stuivers, meneer."
"Asjeblief."
"Dank u vriendelijk."
In het zwarte hokje waar hij aan 't werk is, wurmen twee halfnaakte
kinderen. Het eene solt met een ouden schoen, het andere kauwt op
een onherkenbaar voorwerp. Van achter walmt dik-warme lucht van
vettig eten.
"Gaat 't druk met het werk?"
"Kan beter. De huur is zoo zwaar en de winkels rippareeren tegenwoordig
zelf."
"Zit je dikwijls 's nachts op?"
"Nou zoo wat geregeld... D'r gaat tijd heen met dat lapwerk, hoor!"
"Ga je dan nóóit uit?"
"Nooit meneer."
"'s Zondags?"
"Slaap ik."
"Blijf je daar gezond bij?"
"Lekker als kip, meneer."
Lekker als kip. Dichtbij is zijn hoofd, oud, geel, verworden.
Van nacht thuiskomend, was er wéer licht in het pothuis. Het gordijntje
was neer. Boven het zwarte vlak van het bordje was de silhouet van
den werkenden man. De heele straat lag in rust. Hier en daar was een
venster verlicht, maar nergens een silhouet. Ik ben blijven staan,
kijkend naar den gebogen vorm van het lijf, naar den arm die op en
neer ging, naar het hoofd, dat er zoo bizar uitzag met zijn pluimingen
van haar er om heen.
Ik ben blijven staan met dat ouwe gevoel van het mysterieuze: hij
daarbinnen werkend, denkend over dingen, niet wetend van mij, ik
buiten én kijkend naar z'n angstige schaduw.
Want dit is een schaduw, een schaduw van angst.
De heele buurt is rustig. De hemel is zwart, zonder sterren. Op
hun bedden liggen de menschen. De kinderen zijn vroeg onder de wol
gestopt. Al de dikke, gezonde kleuters, die den heelen dag geravot
hebben, liggen. De dikke kruideniersvrouw ligt. De schoenmakersvrouw
ligt. Alles slaapt. En in die stilte van uitrustende menschen,
in de stille straat onder den donkeren hemel, staat het scherp
verlichte raam, dat een geheimzinnig gat van ander leven lijkt in
de donkerte der muren, staat het gele transparent met de zwarte,
scherpe schaduw van den man, staat het raam met den zwarten vorm,
als een òndeelbaar geheel.
Dit is een schaduw van angst.
Het kàn niet anders.
De man er achter is oud, geel, verdord, gedood door het leven dat
hem vermoord heeft, láng voor het oogenblik, waarin menschen van
dood praten.
Ik geloof dat ik op zoo'n moment in de straat, niet zou durven tikken
tegen de ruit van het pothuis.