LAARZENMAKERIJ.

Achter dat bordje zit hij.

Zijn haar warrelt slordig om zijn hoofd. Het gezicht is vaal,

geelachtig, van de hoekige ingevallenheid van een teringlijder,

met vreemde verdoffing der oogen, met harde sneden van neus naar

mondhoeken. O, dat gezicht. Dat gele, verdorde, vermoeide gezicht boven

het gore boezeroen, boven het leeren voorschoot, dat vleeschlooze

gezicht, altijd in dezelfde richting gedwongen, altijd met de oogen

in één lijn naar de beenige handen, die bewegen om zwarte laarzen

van menschen.

Ik heb den laarzenmaker in zijn pothuis nog nooit anders gezien dan

in dezelfde gebogen houding, den rug krom, het mager lijf zwemmend

in de luchtvolheid van het boezeroen, het hoofd kijkend naar de

rustelooze handen.

Zoo'n man lijkt niet van het leven te zijn.

Maar hij is er van.

Hij is heuschelijk en echt van "het" leven, hij met zijn verkromd

lichaam, met zijn dorgeel hoofd, met zijn beenige, harde, vuile,

eeltige vingers.

Hij is van het leven in zijn pothuis, zooals er véél anderen van

leven zijn.

Ik weet niet wanneer hij rust. Hij lijkt nooit te rusten. Maar

hij rust. Een menschelijk lichaam is zoo gemaakt, dat het niet

vier-en-twintig uur uit, vier-en-twintig uur in kan werken door den

dwang der maag. Dus rust ook de man in het pothuis, slaapt, droomt

en zit dan weer op naast zijn bordje "Laarzenmakerij". Wànneer hij

rust weet ik niet. Als ik 's middags voorbij ga, is hij voor het raam,

gebogen, werkend. Zijn handen zijn vastgegroeid aan de laars. De hamer

klopt. Hij werkt. Als ik tegen zes uur ga eten, is hij nog altijd

op zijn plaats, kijkt niet op, werkt. Als ik 's nachts één uur, half

twee naar huis ga, brandt er licht in het pothuis, zie ik een zwarte

schaduw gebogen achter het gordijntje, gaan de zwarte schaduwarmen

machinaal op en neer.

Als ik héél laat thuis kom, wat soms gebeurt met nachtwerk, en tegen

vier uur voorbij wandel om te gaan slapen, is het pothuis al geopend en

begint de man van het pothuis zijn dag. Hij lijkt nooit te rusten. Maar

hij rust. Hij rust hoogstens drie of vier uur in de vier-en-twintig

uur en zit de overige twintig op zijn kruk, met het lijf gebogen,

den rug gekromd en met de verdofte oogen naar beneden kijkend.

Hij is getrouwd.

De vrouw is een zware gezonde vrouw, breed van boven, breed beneden.

Een vijfde kind is op de komst. Ze staat net te praten met de

kruideniersvrouw. Op de stoep babbelen ze, gesticuleeren, de

twee gezonde, dikke, logge vrouwen. De vrouw van den laarzenmaker

vertelt. De vrouw van den kruidenier grinnikt. Dan sjokt de vrouw van

den laarzenmaker naar het pothuis, waar de man zit te werken. Ze is

plomp en leelijk en vuil. De twee oudste joggies van vijf en zes jaar,

loopen verwaarloosd en smerig, met ongewasschen en vuile bakkesjes

en verhavende kleeren.

"Meneer hier zijnen de laarzen."

Dat is de loopjongen, lang en mager.

"Goed."

"'t Is een gulden voor hakken en halve zolen."

"Heb je van tien gulden terug?"

Schetsen, Eerste bundel · 第 28 / 52 题