Ze woonde nú in 'n lekker gezellig benedenhuis, dat "hij" voor haar
gemeubeld had, 'n huis in het Sarphatipark.
Hij was op reis.
Zij verveelde zich.
Ze verveelde zich altijd, zelfs àls hij er was.
Ze verveelde zich, omdat in haar hoofdje maar een flauw idee van
't leven was, wat vage begrippen en verlangens naar 'n apathisch
bestaan zonder moeite, zonder veel last òm te leven.
Languit lag ze in de mollige causeuse, een cigaret rookend, zonder
smaak.
Ze verveelde zich.
Ongeduldig wipte ze een der satijnen muiltjes uit, bengelde met
't voetje op en neer.
Ze verveelde zich.
Ze was opgestaan, leunde geeuwend tegen 't vensterkozijn. Voor haar
lag 't park, in zijn lage omrastering van ijzeren spijlen.
Armzalig sprankten jonge, verkilde boomen hun takken in de vervelooze,
grauwe lucht. Kegels van ijs, sprieten van sneeuw, spichtige naalden
kruisten elkander in een vreemd gelijn, in een netwerk van ragfijne
draden. Op straat, voor het hek, was 't vies, modder en ijs, geplak
van zware, zwarte wagensporen en voetstappen.
Niemand was er.
Alleen één man.
Een haveloos wezen, oud van ellende. Een verkleumde gedaante in
'n gore plunje. Een grijsbruine pet met zwarte klep dekte z'n
hoofd, hing half op 't gezicht, dat mager was en bleek, met harde
baardstoppels. De sjovele kleeding, vol smerige franje, wapperde,
met kletsende bulten en deuken, om 't ingezakt lijf. Door de vergane
schoenen staken z'n voeten.
De man keek naar boven.
Hij zag d'r in den mooien kanten peignoir, wees op z'n bezem, op de
modderige straat.
Ze knikte van ja.
Hij begon te werken. Z'n schop bikte 't vastgevroren ijs los. Eentonig
tikte 't ijzer tegen den grond.
Zij bleef kijken, naar zijn gedoe, naar zijn gebogen lichaam, naar
zijn zwoegen, z'n kapotte schoenen.
Terwijl dàcht ze.
Gister had zij ze gezien, de werkeloozen in een langen
optocht. Griezelig had ze zich op 'n stoep teruggetrokken,
bang voor de vuile kerels, bang voor de tronies, bang voor 't
schuim uit achterbuurten. De heele bende was voorbijgegaan in 'n
benauwende stilte, in een geplomp van logge schoenen en klompen op
bevroren keien. Sommigen hadden d'r angekeken, met kwaadaardige
oogen, oogen van afgunst om d'r warme kleeding. Anderen hadden
geloopen, gebukt, de handen in broekzakken, met een uitdrukking van
misselijke berusting, met iets van 'n getemd dier in hun doen. Er
was geen eind an gekomen. Telkens andere kerels, oòk leegloopers, oòk
nieuwsgierigen. Maar vóor alles een stoet van armoe; een ophooping van
stumpers, een verkropte ontevredenheid, een pijndoend mengsel van wrok,
bitterheid, jammer; de wakkerwording van 't menschdier door honger.
Zij had op de stoep gestaan, bibberend in haar gevoerde rotonde,
meelijdend en sentimenteel.
De stoet was voorbijgetrokken.
Er achter sjokkend, een peleton politie.
En ze was verder gegaan, om inkoopen te doen.
Toen hij klaar was, bleek van 't werk, trok hij aan de bel.
De meid maakte open. Achter in de gang kwam zij zelf, in haar peignoir.
Ze wroette in 't beursje, haperde, omdat-ie d'r aankeek.
Ze schrikte van z'n geelbleek gezicht, van dichtbij, dat van 'n
teringlijder. En, volgend 'n dwaze impulsie, denkend an de hongerige
bende van gisteren, zei ze:
"Heb je geen werk?"
"Nee" ...
"Heb je vandaag wat verdiend?" ...
"'k Heb ... nog niet gegeten" ...
Dat kwam 'r langzaam uit, niet gelogen.
..."Wil je ... hier blijven eten?"
..."O ... ja!"
"Da's goed" ...
Hij zette z'n bezem, z'n schop in 'n hoek en volgde de dienstmeid.
Dicht bij de kachel, zijn magere beenen hoog op 'n sport van den
stoel, had hij gesmuld en gepraat met de meid. Nu zat hij te soezen,
zelf niet begrijpend, hoe hij daar zat, gevoed en verwarmd.
Binnen kwam ze.
"Waar woon je?"
... "Nergens" ...
"Je mot dan toch érgens slapen!" ...
"Soms in de Pieter Jacob ... als ik cente heb ... anders bij de
pelisie" ...
"Wil je... Wil je... hier blijven vannacht?"...
Versuft keek hij op.
"Wat zei-je?" ...
"Wil je hier blijven?"
"Of 'k wil?... Of 'k wil?" ...
"Goed... Nee, dank nou maar niet."
En ze ging weer heen, vies van den man, tóch met groot medelijden.
In de keuken bleef hij zitten; begreep 't niet.
Nacht.
In haar kamer lag ze, in 't rijke bed. Half wakker. 't Knetterend
kaarslicht kaatste flauw in den spiegel.
Ze had de deur op slot gedaan, bang voor den vreemden man in huis,
soesde voor zich heen, triestig, met een huilerig gevoel van
onvoldaanheid.
O God! O God!
Plots was ze helder wakker, duwde 't hoofd in de kussens, snikte zoo
hartstochtelijk, dat 't lichaam in rukken bewoog.
Hoe lang zou 't leven nog duren, dat ontzettende, laffe, wanhopige
leven! Nou had ze geld, véél geld. Nou was 'r weelde. Nou had ze geen
gewurm om 'n stuk brood, zooals die vent daar beneden.
O God! O God! Als je me maar dood wou laten gaan... Als je me liet
stikken, nou dadelijk... 'k Heb je toch niet om dat lamme leven
gevraagd!...
Ze hokte door, tot ze moe was, borg 't hoofd onder 't dek, huiverig,
benauwd door de stilte in huis.
Ineengehurkt, 'n klit warm vleesch, lag de man op 't veldbed. Met z'n
voeten trapte hij, verkneukelend tegen de deken, wrijvend de magere
beenen langs de weeke wol. Hij voelde zich as god in de warmte van
't bed. Met gesloten oogen van genot, sufte hij zonder 'an iets te
denken, dommelde, zonder te slapen. 't Bed was té lekker. Hij was zóo
in zijn geluk, dat hij woelde en draaide van pret. Heelemaal ging de
slaap weg. Hij vloekte lachend, zich weelderig voelend. Even zei hij
hardop... "Sodeju!"... toen lag hij weer stil, optrekkend de knieën
tot an z'n buik. Buiten sloeg 't drie, héél in de verte. Nog sliep
hij niet. De gevulde maag en de goede ligging werkten zoo mal.
Opeens dacht-ie an de vrouw. Zacht grinnikte hij om z'n kemieke
ideeën. Telkens zag hij haar weer in d'r mooie japon... met d'r
aardige snuitwerk... Onrustig kreunde hij, dee de oogen open, keek
naar de bevroren ruiten, waarachter de maan scheen. Stil zat hij op in
't bed, het hoofd in de handen, hoestte krakend, maar bleef lodderig,
met brandende oogen, tobben.
's Morgens, heel vroeg, stond hij op.
In de keuken was de meid an 't werk.
"'k Zal nou maar heengaan," zei de man.
"Natuurlijk," zei de meid.
Hij ging door de gang. Bij de trap stond hij stil, luisterend. Geen
geluid. Met een bons viel de deur achter hem dicht. Met z'n schop en
z'n bezem stapte hij verder.