PRINSES COLIBRI.

Ring. De muziek valt in. Het doek gaat op. Uit de linker coulissen

komt een bleek meisje met een pop in de armen. Ze is als kind gekleed,

met de slappe, lange jurk van een Engelsche danseres. Ze draagt hooge

leeren laarzen. Zoo lijkt ze op het tooneel eerder oud vrouwtje en

ze begint te zingen.

Het stemmetje is effen, ongevuld. De bewegingen zijn gemaakt en

aangeleerd. Het dunne lachje komt telkens bij het refrein terug. Niet

vroeger en niet later. Lach en gebaren zijn buiten het kind om. Ze

zingt met haar wassen gezichtje zonder de woorden te begrijpen, zonder

aandacht voor de oude en jonge heeren, die haar bekijken en dan begint

ze te dansen, pervers te dansen, zooals oudere vrouwen het doen, met

een vroeg uitgerot schaamtegevoel, stoot er quasi-erotische gilletjes

bij uit, balanceert de pop en komt met het altijd wassen onbeweeglijk

gezichtje terug bij het voetlicht, wachtend tot zij weer in kan vallen.

Soms bij het opwerpen der rokjes, bij het zingen der zinnelooze

liedjes, kijkt ze tusschen de coulissen, waar iemand schijnt te staan.

Als ze gedaan heeft, klappen de kellners, de menschen in het buffet,

de andere artisten en een paar heeren in de zaal.

Ze komt terug, zingt nog wat, onverschillig, begriploos, een afloopende

Neurenberger pop met wassen gezichtje, zwarte wenkbrauwen, aangezette

oogen en vuurrood geverfde lipjes.

Het is half tien.

Na een half uur, waarin andere vrouwelijke "specialiteiten" gezongen,

gedanst hebben, klinkt het weer: Ring. Het doek gaat op. Midden op

het tooneel is een verhooging aangebracht. Drie kinderen komen op,

met een meneer.

Het eene kind is het kind van straks. Ze is geheel in vleeschtricot. Ze

heeft niets meer van een pervers oud vrouwtje. Ze is nu mager, tenger

meisje van hoogstens 13 of 14 jaar met hetzelfde wassen gezichtje,

met dunne armpjes, met magere beentjes. Zij heet Prinses Colibri.

Het tweede kind, hoogstens tien of elf jaar, ook in vleeschtricot is

mager en bleek.

Het derde kind, ook meisje, maar iets ouder, veertien of vijftien jaar,

lijkt naast de twee andere abnormaal vet, een meisje met vroegrijpe

vormen.

De meneer, die met de drie meisjes opkomt heeft niets

buitengewoons. Hij is in gewoon wandelkostuum, draagt op de borst een

ridderorde. Het is de vader, de voogd, de impresario, de dresseur

der kinderen. Hij geeft stoelen en zakdoeken aan en vertoont zijn

ridderorde aan het publiek.

Prinses Colibri en de twee anderen wippen vlug op de verhooging. Ze

zijn alle drie even lenig, even slangachtig. De dresseur heeft

de lichaampjes goed gebroken. Het laat niets te wenschen over. De

kinderen wringen zich in de onmogelijkste houdingen. De ruggegraten

zijn verwonderlijk elastisch geworden. De hoofden van alle drie

kunnen tusschen de beenen gebracht worden. Als ze op de handen staan,

bengelen de lichamen er als proppen boven. Ze kunnen alle drie op den

grond zitten, met de beenen loodrecht op zij gespreid. Ze kunnen alle

drie op een been staan en het andere langs het hoofd strekken. Zij

kunnen alle drie op de borst liggend de hielen tegen de achterhoofden

brengen. Zij kunnen alle drie de vreemdste houdingen aannemen,

alsof de lichamen geen beenderen, geen spieren hebben. De dikste,

die van veertien jaar, weet zich op een stoel om te rollen als een

hoepel. Het is verbazingwekkend.

De meneer met de ridderorde let op of alles goed gaat.

Alles gaat goed. Niets mislukt. De kinderen lachen niet, lijken niet

vermoeid, spreken niet; zij wringen, wringen, wringen als slangen,

als wonderkinderen.

De meneer met de ridderorde knikt goedkeurend.

Na tien minuten is het klaar. De kelners, de menschen in het buffet,

de artisten in de zaal en zoowat het heele heerenpubliek klappen in

de handen, trappen, slaan met stokken.

Ze komen àl terug.

Ze buigen, knikken.

Ze beginnen weer.

De meneer met de ridderorde laat een paar ringen zakken.

De meneer met de ridderorde draagt een stoel aan.

Prinses Colibri springt er op en doet eenige toeren.

Het bleek tienjarig meisje wentelt aan de ringen.

Het dikke meisje vertoont wat kunstjes.

Nu komt een gezamenlijke toer.

De dikke staat op de ringen. Met de beenen om haar heen hangt Prinses

Colibri. Aan Prinses Colibri hangt het tienjarig bleeke kind.

"Bravo! bravo!"

Er is werkelijk enthousiasme in de zaal.

En de kinderen werken heel goed.

De meneer met de ridderorde knikt.

Tien minuten werken ze zoo--de kinderen--en draagt de meneer met de

ridderorde den stoel heen en weer. Soms tilt hij het jongste meisje

bij de ringen.

Eindelijk is het dan toch klaar.

De geheele zaal applaudisseert.

Zulke knàppe kinderen.

"Bravo! bravo!"

Hetzelfde van straks.

Hand aan hand komen de kinderen terug voor het voetlicht, buigen,

lachen, lachen.

Maar het is nog niet uit.

De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri en het tienjarig kind

op. Aan de ringen heeft hij haakjes gehangen. Aan de haakjes zijn

leertjes bevestigd. Prinses Colibri en het tienjarig kind bijten in

de leertjes, bijten er stevig in en blijven zoo aan de gebitten hangen.

De meneer met de ridderorde wacht tot de kinderen goed beet hebben en

geeft beiden dan een duw, dat ze aan de ringen heen en weer schommelen.

Net éngeltjes zoo. Met de handen gevouwen en hangend aan de gebitten.

Als ze weer op den grond staan, dreunt de zaal van applaus der

kellners, artisten en van het publiek.

Het is nog niet gedaan.

De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri nog eens omhoog. Ze

hangt nu met de magere beentjes in de ringen. Hij reikt haar wat

toe. Ze neemt het in den mond. Het is een mooie glinsterende machine,

met een leertje er aan, van onder. De meneer met de ridderorde tilt

dan het tienjarig kind er bij, dat weer in het leertje bijt, zoodat

Colibri haar zusje in den mond draagt.

"Bravo!"

Maar het is nog niet gedaan.

Welnee.

De meneer met de ridderorde doet een riem om de lendenen van het

bleek tienjarig kind, tilt het nog eens op en Colibri bijt opnieuw

in een leertje dat achter aan den riem vastzit.

De meneer met de ridderorde geeft een duw en... jongen... het tienjarig

kind draait als een tol, terwijl Prinses Colibri het bij de tanden

vasthoudt.

Daverend applaus.

Het is gedaan.

De muziek begint een nieuwen deun.

Het heeft wel twintig minuten geduurd.

Prinses Colibri is een wonderkind. Ze doet twee nummers op een

avond, werkt van negen tot half elf. Zingen, dansen, slangenkunsten,

athletiek. Ze is dertien of veertien. Ze kan héél wat worden. Ze

heeft een goeden dresseur. Die meneer met de ridderorde. Ze is veel

beter gedresseerd dan de honden en katten in den Parkschouwburg,

véél beter dan het zwijn bij Carré dat bier drinkt.

Schetsen, Eerste bundel · 第 20 / 52 题