Ze wreef d'r beenige skelet-handen over de in de rokken uitpuilende
knieën, angstig, met hortende rukken. Als die nou maar kwam. Als die
nou maar gauw kwam. Zoo'n spéélsche jongen. Trui kon d'r elk oogenblik
zijn. Dan had je de poppen an 't dansen, dan was d'r weer ruzie en
knorren. Waar bleef die nou? Ze had 't nog zóó gezegd. Daar ging de
bel. Was 't Trui of een van de kinderen? Nou dee de meid open. Hij
was 't. Sjors alleen bonsde zoo de trappen op zonder z'n voeten te
vegen. Goddank.
"Ben jij 't Sjors?"
"Ja gromoe."
"Heb je 't?"
"Ja gromoe."
Uit z'n warmen broekzak haalde het ventje een medicijnflesch,
half-gevuld. Met d'r bevende skelet-handen nam ze het aan, dee de kurk
er af, rook even, dee 't weer dicht en moffelde het weg in haar zak.
"Hoeveel geld heb je over?"
"Vijftien cent."
Netjes telde hij de warme centen uit op de vensterbank.
"Die zijn voor jou, Sjors. Zal je niks zeggen?"
"Nee, gromoe."
"Je moe hoeft 't niet te weten, hoor je?"
"Nee gromoe."
"Koop jij nou maar wat knikkers. Geen snoepgoed, hoor je?"
"Ja gromoe."
Ze hoorde hem de trappen afbonsen, zooals hij 't altijd dee, twee,
drie treden tegelijk. Gauw nou, voor d'r iemand kwam. De hals van
't fleschje rikketikte tegen haar tanden, zóó als de beenige handen
beefden. Hè. Hè. Hè. Nou niet meer. Vanavond de rest. Hè, wat 'n
ander mensch wer-je zoo. Bellebellebel. Dat was Treesje. Die belde
altijd zoo lang als ze uit school kwam.
"Dag Treesje."
"Dag grootmoe."
"Hoe laat is 't?"
"Half vijf... Wat ruikt 't hier raar."
"Ruikt 't hier raar?"
"Ja, ik weet niet naar wat."
"Dat zullen de bloemen zijn."
"Is moe niet thuis?"
"Nee, niemand."
"Sien!... Si-e-e-n!... Sien-tje!"
"Ja jongejuffrouw?"
"Wat eten we vanmiddag?"
"Runderlappies."
"Met watte?"
"Met spersieboontjes."
"En d'r na?"
"Sjelij van alebessen."
"Help 's mee an 't tafelkleed."
Sien, met d'r rooie handen, pakte twee tippen aan, Trees de andere.
"Is 't nou geen schandaal, jongejuffrouw, dat Sijors de schoone
loopers weer zoo ingeloopen hèt."
"Is-die dan uitgeweest?"
"Een boodschap voor de ouwe juffer."
"Heeft George 'n boodschap voor u gedaan, grootmoe?"
"Voor mij? ... Nee, niks voor mij."
"Ruik-ie niet zoo'n rare lucht, Sien?"
"'t Zal van 't zilver zijn dat we vanmorgen met jenever en krijt
gepoetst hebben."
"Breng-ie nou de borden, Sien?"
Treesje dekte de tafel. Ze dekte voor zeven, elken dag zeven borden op
dezelfde plaats. Pa zat aan 't hoofdeind, over 't raam en had 'n servet
met een zilveren servetring. Moe zat naast 'm met 'n roodfluweelen
servetring. Naast moe zat Gerrit, daarnaast zat zij. Aan den anderen
kant van pa zat Marie. Die most altijd het geslepen glas hebben,
waarop "voor uw verjaardag" stond. Dat hadden zij en George d'r samen
gegeven. Naast Marie zat George, naast George: grootmoe. Grootmoe
had een koperen servetring, gedragen door twee hondjes.
"Sien... breng-ie nou nog het olie- en azijnstel en de tafelmatjes?"
"Treesje, denk an 't bittertje voor je pa."
"Ja, grootmoe, ja, ik vergeet niks."
"Wees toch niet zoo snibbig."
"Nou ja! Dat gezanik! Elken middag 't zelfde."
"Sientje! Sien! Waar blijf je nou?"
"Even mevrouw openmaken, jongejuffrouw!"
Moe kwam binnen met Marie. Ze hadden inkoopen gedaan, 'n ons
Maria-koekjes bij de thee en garneersel voor 'n nieuwen hoed voor
Treesje.
"Niks geweest, Sien?"
"Nee Mevrouw."
"Wie heeft d'r weer zulke schandelijke voeten op de witte loopers
gezet?"
"Jongeheer Sijors."
"Meneer heeft 'm toch verbojen om uit te gaan, als-die uit school
komt."
"Daar weet ik niks van."
"Heb ù 'm uitgezonden, moeder?"
"Watte?... Ikke? ... 'k Heb 'm nog niet gezien."
"Daar belt-ie net."
"Heeft je pa je niet verbojen, bengel, om nog voor 't eten uit
te gaan?"
"Ja moe, maar ik had an Hendrik 'n schrift geleend, dat 'k terug
most hebben."
"Wat heb je weer in je zakken zitten?"
"Niks."
"Wat, niks? Hoe kom je an geld voor zooveel knikkers?"
"'k Heb ze gekregen."
"Je jokt."
"Nee heusch niet."
"Je jòkt."
"Heusch niet moe!"
"Heb je voor grootmoe 'n boodschap gedaan?"
"Nee moe."
"Op je woord niet?"
"Nee moe."
"Goeien middag."
Pa en Gerrit kwamen samen van kantoor.
"Warm vandaag!... Gaat 't goed moeder?... Eten we wat lekkers
vanmiddag, Trui?"
"Runderlapjes."
"Trees, waar blijft 't bittertje?"
"Moe, geef uw sleutels eens."
"Wat is dat toch voor onzin, dat je de bitter tegenwoordig achter
slot en grendel zet?"
"Hier is ze al. Hier is ze al."
"Snoept de meid?"
"Nee."
"Moeder ook 'n glaasje?"
"Geef je moeder nou geen bitter, Karel!"
"Ach wat!"
"'t Is heusch zoo goed niet voor d'r."
"Als jij negentig bent, lust je 't ook."
Met glinsterende oogjes keek de ouwe vrouw naar de bewegingen van
haar zoon, die bij 't raam het likeurglaasje vulde.
"Geef 't d'r nou niet, Karel."
"Waar bemoei je je toch mee!"--zei het ouwetje bits, met een grijpend
uitstrekken der skelet-handen naar het glaasje.
"Omdat 't niet goed voor je is."
Het glaasje was al leeg. De dunne lippen in het gele knokelgezicht
smakten na. De donkere oogen glinsterden van genot. Karel was een goeie
zoon. De schoondochter had 't land an d'r. Dat wist ze wel. Maar nou
was alles goed, alles bestig.
"An tafel! An tafel!"
Karel deelde de runderlapjes. Op den schotel deelde hij het vleesch
in acht porties, de grootste voor z'n vrouw, de kleinste voor Sien,
die de meid was en daarenboven geen vleesch verdragen kon, omdat ze
maagkanker had. Zoo'n meid was 'n tref.
"Trui, je bord. Marie geef 's door an grootmoeder. Sjors, zet je
vingers niet in de saus."
Dan gingen de spersieboontjes rond, de aardappelen, de sauskom en
kwam er even rust, vorkengetik en gesmak van de oude vrouw.
"Gerrit, wat ben je stil vanmiddag?"
"Ik?"
"Ach hij's verliefd ma."
"Hou toch je mond, nest."
"Oh! Oh!"
"Wat is d'r? Wat is d'r?"
"Kijk grootmoe is!"
"God, wat scheelt de oude vrouw!"
Ze lag schuin weggezakt in den armstoel, met oogen waarvan het wit nog
te zien was. George begon te huilen en de vrouwen keken krijtwit toe.
"Geef dan water en zit niet als zoutpilaren!" schreeuwde vader. Gerrit
sprenkelde met azijn.
"George hou op met je gekrijsch!"
"Als ze maar niet doodgaat! Oooo!"
"Hou je bakkes, kwajongen!"
Ze hadden de oude vrouw op de sofa gelegd. Het grijze pluishaar
pluimde in vlokken op het roode kussen.
"Geef d'r wat lucht bij d'r hals... Kom Trui, verroer je 's!"
Trui en Marie maakten de japon los, Gerrit hield wat azijn onder den
neus, de zoon wreef de kurkige skelet-handen.
"Wat haal je uit d'r zak?"
"'n Flessie."
"Laat 's ruiken."
Eerst rook de vrouw, toen de man.
"Hoe komt ze aan jene..." vroeg-ie nijdig.
"Hou je mond."
Ze keken elkaar aan, hielden d'r mond voor de kinderen.
"Ze komt al bij, pa!"
"Zouen we d'r op bed leggen?"
"Laat ze eerst heelemaal bijkomen."
"Gaat 't wat beter, moeder?"
Flauwtjes opende ze de oogen, keek nòg-bewustelooos om zich heen,
sloot de oogen en bleef stil liggen.
"Kom nou, moeder!"
"Hoe gaat 't grootmoe?"
Er kwam weer leven in de oude vrouw. Ze keek van Karel naar Marie,
van Marie naar George.
"... Hé ... ik dacht... dat... ik... daar... dood ... ging" ...
Plotseling scheen ze álles weer te weten. De bevende skelet-handen
wreven over de oogen, rukten in eens naar omlaag, naar den zak. Ze
betastte de heele plek, keek toen met starre oogen van haat naar de
schoondochter, die het fleschje nog in de hand hield.
Vijf minuten later zaten ze allen weer aan tafel bij de runderlapjes
en spersieboontjes.