Wij zijn op reis.—
Hoe lang de tocht zal duren,—
’t Zij lange jaren, of slechts uren;—
Is de eindpaal ver of in ’t verschiet?
Wij weten, weten ’t niet!
Wij zijn op reis;
Op reis, naar ’t onbekende;
Waar onze voet, zich keere of wende:
Wij reizen onze loopbaan af,
Toch regelrecht naar ’t graf.
Wij zijn op reis;
Alsof wij vreemden waren;
’t Zij we onderwegs, of bloemen garen,
Of doornen legge op ’t pad ons ’t lot:
’t Wijst regelrecht naar God!
Wij zijn op reis,
Wel naar het onbekende;
Maar God, Hij is en blijft het ende:
Want slechts bij Hem zijn wij eerst thuis,
In ’t heerlijk Vaderhuis.