O Jaarkrings allerlaatste!
Al zijn uw dagen kort,
Zie! hoe het te elfder ure,
Nog licht rondomme wordt.
Dat is het licht der wereld;
’t Welk gloort uit Bethlehem;
Verkondigd van den Hoogen,
Door juichende Englenstem!
Hoe heerlijk! «Vrede op aarde!
God in de Heem’len, Eer!
In menschen Welbehagen!»
God zelf, der menschen Heer!—
’t Is niet het licht der aarde,
Dat beurt’lings stijgt en daalt,
Maar dat gestadig rijzend,
Het groot Heelal bestraalt.
Dat is het licht der wereld,
Waarnaar zoo lang gesmacht;
Des menschdoms hoogste wenschen,
Reeds eeuwen lang verwacht!
O blijdste dag der dagen!
Hoe juicht het van rondom,
Van duizend menschentongen,
Met heel der Englen drom.
De Vader gaf zijn’ Een’gen,
Zijn Eengeboren Zoon,
Der zondaarswereld over,
Van Zijnen heil’gen Troon.
Begaan met ’s menschen afval,
Was ’t offer niet te groot,
Hem, Zoen voor alle zonde,
Dat Hij het menschdom bood.
Loof den algoeden Vader!
Kniel bij de kribbe neer,
Van ’t kindeken, uw Heiland,
Uw Middelaar, uw Heer!