HOOFDSTUK XXXII

En werkelijk, daar naderde groot stampeide van rossen en geblikker van

wapenen en geschitterstarrel van schilden en daar naderden de tien

wiganten, die schenen wel een drom van ridders, zoo zwaar en breed

vertoonden zij zich op hunne zware en breed omhoesde rossen.... Gawein,

Lancelot, Gwinebant.... Bohort, Hestor, Meleagant.... Acglovael, Ywein,

Sagremort en Galehot en achter hen, tusschen zijn baroenen, naderde oude

Assentijn, ontzagwekkend de grijsaard te paard en daar achter naderde

het leger en de vele vlaggen en wimpels aan de ponioensperen fladderden.

Maar ook over de vlakte was de halve cirkel van Clarioens heirmacht

genaderd, klaarblijkelijk met het doel Camelot te omsingelen, maar het

was niet van de torens te onderscheiden wie de grootste heirmacht wel

was: die van Clarioen, die van Assentijn: vóor den laatste waren de tien

wiganten zelven alleen al gelijk aan een machtig heir, dat dreunde aan

over den weg.

Maar nu zagen, waar de weg uit het foreest langs de vlakte geleidde, de

beide legers elkander, en die van Clarioen begrepen, dat van omsingelen

geen sprake meer zijn zoû, want met oorlogszuchtige kreten wierpen de

tien wiganten zich over de vlakte, vóor den burcht en zij schenen wel

tien ijzeren paardmenschen, vast aan hun ros, de ventaliën neêr en de

strijd, in éen wenk, was begonnen! Gode, wat waren daar goede zwaarden

ende glaviën ende sterke helmen ende stalen hoeden ende ponioenen,

geluw, zilver, sinopel, keel en lazuur. En wat waren daar groote ende

sterke orsen: er waren er wel vijfduizend aan den eenen en vijfduizend

aan den anderen kant en eer er een zoû in den zande bijten, zoû hijzelve

wel menigen man doen sneven! Begeerig aan beide zijden waren zij hevig

malkanderen te ontlijven op den velde des slags en zij vergaderden te

zaâm met geweld. Gode, wat hieuwen de zwaarden daar door de suizende

lucht, die rilde er van, en wat knarsten tegen malkanderen en kraakten

de boomzware speren: menige wigant viel daar dood. En Gawein stak hier

en daar en overal met zijn speer de lichamen door en wierp hen uit het

zadel, hier een ridder, daar een ridder, allen ridders van

Noordhumberland: ze vlogen over het slagveld heen rechts en links van

hun rossen, die draafden dan dol over hen heen of vielen, doorstoken

ook, hinnikende te hoop. Aan beide zijden trokken zwaarden wie wel

konden strijden en het was een houwen en steken: menig stout man moest

er sterven. Ridderlijke prouaeste vertoonden daar alle de tien wiganten:

de koppen vlogen links en rechts met der zwaarden slag van Lancelot en

van Gwinebant, van Bohort en van Sagremort... wat zal ik de anderen

noemen, wat hielp het of ik het maakte lang! Niemand sloeg er minder

koppen af dan een ander, maar wellicht sloeg Gawein toch nog de meeste

koppen af, die vlogen rondom hem als met een rond cirkelend rad van

koppen, van uitbloedende koppen en de armen vielen en de beenen vielen,

allen van de wiganten van den Koning Clarioen. En honderden wezen naar

Gawein met de vingers en riepen over het slagveld, zoo wel van de eene

als van de andere zijde:

--Ziet hèm daar! Ziet hèm daar! Ziet hèm daar: Gawein! Geen stoutere en

is hier verre noch na!

Te midden van zijner baroenen wacht zag de Koning Clarioen van

Noordhumberland naar de gruwbare mortorië. Maar ook op den weg, die

wendde uit het woud, zag Koning Assentijn naar de allervreeslijkste

sconfilture der Noordhumberlanders en ordineerde hij als een abel

veldheer zijn dappere Endi'sche baroenen. En naast hem, op haar

palafroet, te midden veler onversaagde edelvrouwen op palafroeten, zag

Ysabele, de schoone, naar de allerverschrikkelijkste battalgië. Daar zag

men halsbergen ontmaelgieren, helmen doorhouwen, schilden kwartieren,

ridders lichten aan speren uit zadels, koppen door het geluchte zwieren

met de roode fonteinen van stralen bloed! En Ysabele, zij volgde met den

blik hier Gawein en daar Gwinebant, hier Gwinebant en daar Gawein en zij

had tevens, op den hoogsten torentrans, Guenever ontdekt, de zoete

Guenever, wie Lancelot jaren lang trouw was en die jaren lang Lancelot

trouw was; Guenever, van wie zij gelezen had in de schoone jeesten der

vinders. En nu zij alles met eigen oogen in werkelijkheid zag, wat zij

eerst nog slechts had gelezen en hooren zingen, vond zij het wel veel

bloed, o harde veel bloed, maar zij versaagde niet, zij, de princes van

Endi, geboortig uit het bloed van zoo vele strijdbare helden en

koningen, en daarbij juichte zij uitermate, dat Gwinebant zoo valiant

was en dat Gawein onoverwinnelijk scheen... Tot zij plots, ter zij van

de vlakte, Gwinebant, afgeraakt van zijne gezellen, zag in strijd met

vijf, niet minder dan vijf, Noordhumberlander baroenen, die hieuwen hier

en hieuwen daar en Gwinebant, knellend zijn ros tusschen de knieën,

verdedigde zich hier, verweerde zich daar, onder zijn schild, achter

zijn schild, dat wendde vlug daar en hier, terwijl hij tevens stak hier

met zijn speer, hieuw daar met zijn zwaard, als of hij tien handen hadde

gehad, want Ysabele begreep van zoo verre niet hoe hij het deed! Zij

wees hem aan haar grootvader en onderwijl klopte van beroering en

ontroering heur hartje. Eén tegen vijf, één tegen vijf, dacht zij,

hijgende op haar paard, nu bleek van angst, dan rood van trots. Kwam

niemand der anderen hem dan te hulpe? Zoude hij wel kunnen verwinnen?

Twee Noordhumberlander koppen zag zij reeds vliegen het geluchte door,

den eenen links, rechts den anderen, tot plotseling zij slaakte een

kreet als ware zij zelve gewond... Want Gwinebants ros onder hem

steigerde en zonk toen ter zijde in een, doorboord en hijzelve, met

schild en speer en zwaard niet dadelijk zich kunnende bevrijden uit het

gereide, geplet zijn voet in den beugel onder het paard en achterover

gezwikt in het zaâl tegen het achterarsoen, scheen een oogenblik

machteloos en in doodsgevaar, hoe hij zich ook nog verweerde, achter

zijn schild. Rtts.... daar stak hij zijn speer een derden

Noordhumberlander dwars door het lijf en die zonk, maar Gwinebants

zwaard ontgleed hem en wederom gaf Ysabele een kreet...

Zoodat haar grootvader haar zeggen moest, dat een princes, die mede te

wijch toog, zich niet door hare aandoeningen mocht laten bemeesteren.

Zij bleef dus een oogenblik bleek, recht op haar ros, sidderende van

ingetoomde ontroeringen, toen zij zag, dat de twee overblijvende

Noordhumberlanders zich wierpen op Gwinebant, zijn schild slechts

tusschen hen en hem, want niet kon hij richten zijn speer meer.

En, trots grootvaders verbod, gaf Ysabele een derden kreet, nu eer van

woede dan smart en zeker zijnde, dat Gwinebant daar sneven zoû, bijna

vlak voor hare oogen, spoorde zij plots, voor wie ook het haar

verhinderen konde, haar palafroet en wierp zich...

Eén angstkreet slaakten de vrouwen...

...Met een sprong van het paard over den hoogeren weg af, op de lagere

vlakte!

De Koning Assentijn huilde nu zelve een wanhoopgil uit, toen hij zijne

Ysabele zag, te ijlende paard, midden in het gruwzame strijdgewoel...

De baroenen zijner wacht volgden radeloos hunne princes...

--Victorie! riep ginds Lancelot.

Want de ridders van Noordhumberland, om hun Koning Clarioen, weken en

namen de vlucht, zoo als dien keer voor den burcht van Endi.

--Victorie! riepen Bohort, Sagremort, Ywein... wat zal ik de anderen nog

noemen!

Maar Gawein riep niet meê van victorië.

Hij had daar ginds, ter zijde der vlakte, bespeurd de princes, te midden

harer radelooze baroenen.

Hij bespeurde tevens een Tafel-Ronde-ridder, die over zijn stervende ros

lag en twee aanvalleren boven zich... een klomp van knarsend en

rammelend en frotsierend metaal.

Hij herkènde den Tafel-Ronde-ridder!

--Gwinebant!

En hij spoorde ruw Gringolet...

En met de knieën alleen sturende zijn ros, hoog op gericht zijn zwaar

geharnaste lijf, speer met slinke gericht, schild over schouder aan riem

en zwaard in rechte reeds zwaaiend, ontzettend, als Sint Michiel zelve

zoo schoon en stralend, Gawein een aartsengel gelijk, draafde hij aan

tot soccoers...

* * * * *

Gawein draafde aan tot soccoers...

Maar te gelijker tijd werd zijn blik geketend door de princes op

palafroet...

Zij draafde heftig naar Gwinebant, te midden van hare baroenen, alsof

zij mede aankwam tot soccoers, Ysabele, de schoone...

En Gawein onstelde hevig, toen hij zijn bruid daar zag te midden van

groot dangier...

Want vele Noordhumberlanders, die nog toefden te vlieden, verzamelden

zich, zoodra zij de princes op het slagveld zagen en wilden rondom haar

heen...

De baroenen verdedigden hunne koninklijke jonkvrouw maar zij waren

radeloos om de overmoedigheid van Ysabele...

Toen doemde echter Gawein in hun midden...

En het duurde niet meer dan twee, drie blikken-der-oogen...

Gawein stortte zich op de klomp der drie strijdende ridders en hunne

paarden. Hij hieuw den eenen Noordhumberlander af den kop, die vloog ver

weg, als een waardelooze bal...

Hij stak met zijn speer den andere dwars door het lijf...

Maar ontving te gelijker tijd van dien doodelijk getroffene een

speersteek zelve, vlak onder zijn hart, tusschen de maliën door zijner

cotte...

Hij gevoelde een hevige pijn en den schok en vloeien het bloed als uit

Onzen Lieven Heeren eigene wonde, die de speer van Longinus Hem aandeed

ten Kruize...

Maar te zelfden tijd wierp Gawein zich af en ontzette Gwinebant, rukte

hem op en zag, dat zijn gezel bloedde...

Het zwevende schaakbord · 第 37 / 44 题