HOOFDSTUK XXXI

Ysabele! riep Gawein. Mijn Koning ga ik ontzetten, het Scaec zal ik hem

brengen, want gevaen heb ik het en vast gebonden aan een draad; maar als

ik terug kom... wilt gij, o zoete en schoone, dan de mijne zijn?

--Ja, ik, Gawein! riep Ysabele en zij rukte zich eene harer lange, witte

mouwen af en bood die in vervoering Gawein.

Gawein nam de mouw, kuste die en snelde weg om zich te wapenen.

--Ysabele! riep Gwinebant. Gij zult Gaweins wijf zijn, maar ik, die u

minne, zal sterven, in den oorlog voor Camelot, die vangt aan.

--Ik en wil niet, Gwinebant! riep Ysabele, die schoone; dat gij sterven

zult! Gij zult leven en overwinnen, om mijne minne!

En Ysabele scheurde zich hare andere mouw af en bood die Gwinebant.

Hij kuste de mouw en snelde weg, om zich te wapenen.

In hevigst gedrang snelden alle de ridderen meê en riepen den garsoenen

de rossen te zadelen.

Maar plotseling hielden zij stand.

Op den drempel van de poort was de oude Koning Assentijn verschenen, in

volle wapenrusting.

Alle de ridders en de baroenen schrikten hevig.

Maar de Koning riep:

--Wiganten gij en baroenen! Mijn arm is oud en beeft maar mijn oude kop

is nog harde abel! En ik zal uwe prouaetse leiden en ik zal uw heir

ordineeren, om mijn vriend, Koning Assentijn van Logres, in zijn burcht

van Camelot te ontzetten. Weet wel, dat ik het nimmer eens met hem was,

zoo iederen dag te marren met noenmaal of vesper, tot Aventuur zich zoû

voor doen. Maar niet is dit reden om te vergeten, dat vriendschap mij

bindt aan hem en alles, dat zijns is: zijn rijk en zijne edele ridderen!

Baroenen, gij en wiganten: òp, tot soccoers!

Een daverend gejuich ging door de dichte rijen; overal op tinnen en

barbekanen verschenen de burchtgenooten om den Koning gewapend te zien.

--Op, tot soccoers! riep Ysabele, die schoone, weêr. Mijn heere Koning

en Grootvader, zoo gij Zelve ten oorlog mede tijgt, trots uwe grauwe

haren, zoo wil ik, uwe kleindochter, niet marren in dezen burcht en met

u gaan en met mij zoo velen dezer edele vrouwen als maar meenen kracht

te bezitten te aanzien het tornooi, dat is werkelijkheid!

De Koning was het niet met Ysabele eens. Maar er was geen houden meer

aan. Alle de ridders en baroenen juichten en het gejuich daverde tegen

de ruige, rosse wanden des burchts. Vele edelvrouwen voegden zich bij

Ysabele: zij zouden om den Koning en de princes, met de legertros, in de

achterhoede blijven en der vrouwen aanwezigheid, om hun vorst heen, zou

de ridderen van Endi en van Tafel-Ronde onoverwinbaar maken.

--Wapent u, vrienden! riep Merlijn, die reeds opsteeg in zijn fenix.

Garsoenen, zadelt de rossen! Wapenknechten, grijpt de spiezen! De tijd

dringt! Wel heb ik mijn gnomen bevolen met prikkelige tooverdraden, door

het foreest gespannen, Clarioen tegen te houden, maar de tijd dringt, de

tijd dringt! Ik ben, ofschoon toovenaar, maar die gone, die mensch is

als gij!

Allen drongen den burcht in, om zich te wapenen. De garsoenen geleidden

reeds, gezadeld, het prachtige strijdros des Konings voor...

* * * * *

Op den hoogsten toren van Camelots koningsburcht was de koninginne

Guenever met hare vrouwen gestegen, in grootste wanhoop en radeloosheid.

Want het machtige heir van Koning Clarioen van Noordhumberland, die

harde gram was op Koning Artur en op zijn eerste twaalftal

Ronde-Tafel-ridderen, verscheen, reeds door vluchtende vazallen,

dorpers, herders gekondigd, rings-om-rond aan den horizon, over de

vlakte zichtbaar, voor zoo ver van den hoogen toren de oogen konden

weiden ten Noorden en ten Westen beiden. En Guenever, tusschen hare

vrouwen, wees met een wijden boog van haar bevenden lelievinger, de

wijde schare, die, met een telkens opblikkeren van wapenen en schilden

en helmen, waaraan de bleeke herfstzon sterren ontvonkte, daar, heel in

de verte, overwaasd door verren mist en vochtigen najaarsnevel,

verscheen. De zon streed met de nevels en misten en telkens vonkten die

naderende sterren op en Guenever meende, zij hoorde reeds, angstig

tusschen haar angstigen vrouwendrom, de hand aan het oor, het aandraven

der vijandelijke ruiterijen...

Beneden lag de koning Artur ziek en Keye, de drossaet, hinkende, kwam

hem juist den drank brengen, dien hij zelve bereid had, brommende op

Guenever, dat zij haars gemaals ziekbed had verlaten, om naar boven den

toren op te loopen. Hij spotte over de echtelijke trouwe van de

"fonteyne aller schoonhede", die zeker boven uit zag naar Lancelot, haar

amijs en waar hij bleef met de negen anderen--sinds Didoneel en Mordret

twee feloenen waren gebleken, was, lace, het eerste twaalftal niet meer

twaalf...--om Camelot, dat belegerd zoû worden, te ontzetten. En

hijzelve, mank en scheel en steeds bitter om al wat het Lot hem niet had

gegund--nooit Wonder, nooit Aventuur, noch wellicht Liefde zelfs, hem,

Keye, den Spotter,--spotte zelfs nu en riep tot den kranken Koning, die

zich kreunende hief van de sponde, om den drank te drinken:

--Drink, lieve heer Koning, drink wat uw drossaet u biedt om u genezen

te doen want weldra nadert Aventure en Wonder: dat is Clarioens

heirmacht en dat al moet gij toch gezond ontvangen, gezeten aan

Tafele-Ronde, met uw twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridderen, nu de oude zoo

lange marren! Drink, lieve heer Koning, drink!

Maar de oude, zieke Koning, op den elleboog leunende en drinkende de

schaal uit, kreunde:

--Keye, dat gij toch ontberen wilde van zoo kwade scherne te drijven met

uwen armen Koning Artur, die hier ligt krank van weemoed om de dagen van

Destijds, toen zoo vaak, voor noen of voor vespermale ridderlijk

Aventuur zich kondde! Zwevende Scaec of Bloedende Speer; Ridder op Kar,

die verlost moest worden of belaagde damosele! Ach wi, ach wacharme,

Keye, terwijl mijn eerste twaalftal--ach wi, ach wacharme, sedert

Mordret en Didoneel feloenen bleken, moet ik wel zeggen: tiental--zoo

lang toeft te keeren tot Camelot en ik van berouwe smacht, dat ik Gawein

gedrongen heb te gaan op queste van een tweede Scaec, dat wellicht een

onzalig duvelsche Scaec blijkt en hem tot verderf zal brengen!

Maar Keye hoorde al niet meer; hij luisterde aan de wenteltrap naar de

kreten der angstige vrouwen boven en hij meende, naderde vernietiging

voor Camelot en dood voor alle burchtzaten, bij God van Hemelrijk, hij

zou niet dat onridderlijke leven betreuren maar het gaarne verwisselen

voor goede plaatse in Paradijs, waar hij zeker seneschalk zoû worden bij

een der heiligen, Sint Michiel, Sint Jan, als vergoeding voor alles wat

hem op aarde onthouden was.

Intusschen stonden de twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridders bij de poorten

en op de barbekanen in volle rusting op wacht, te midden van duizenden

wapenknechten, die zich schaarden over de wallen om Camelot te

verdedigen. Hunne namen klonken met sonore, Keltische klanken; hunne

zielen waren nog meer van twijfel vervuld aan Wonder en Aventuur dan der

tien eerste ridderen zielen, maar zij waren, wees des gewes, o lezer,

valiante wiganten en onoverwinlijke lioenen en zij zouden Camelot en den

Koning, Arture, en hunne zoete vrouwe, de koninginne Guenever,

verdedigen, tot den lesten droppel bloede, die vloeide...

En de wijde, halve kring van Koning Clarioens machtige heir naderde en

naderde dichter, nu het tegen den noen ging en Guenever, op den toren,

tusschen hare vrouwen, op de knieën gezonken, luide bad tot Sinte

Marië's Kind, God van Hemelrijke ende tot Sint Michiel om haar te hulpe

te komen. Dat de twaalf nieuwe ridders wel hoorden en dat hen nu niet

zoo zeer aangenaam stemde, want zij gevoelden zich te kort gedaan in

haar vertrouwen... Het geen zij haar echter wederom vergaven omdat zij

vooral naar Lancelot verlangde, dien zij in dagen en weken niet meer had

gezien...

Maar plotseling snorde er door de herfstlucht, die opgoudde, snorde er

boven de foreesten, die koper en purper gloeiden van het vallende

herfstgeblaârte, het welbekend gebrom aan, dat zoo wel kleintjes

rommelde in Zwevende Scaec als machtiger drommelde in Vliegende Fenix,

en Guenever zag Merlijn aan komen zweven; hij zweefde rond hoog boven

haar hoofd en riep haar toe:

--Mijne schoone koninginne, zeg mij: wilt gij, dat ik dale, als een

zwaluw, op de tinne van uw toren? Ik zoude u dan, o Guenever, mede

kunnen voeren naar mijn kasteel, waar gij veilig zoudt wezen voor

Noordhumberland, maar ik zegge u zonder sparen: Lancelot en Gawein en de

anderen en Koning Assentijn mede met machtige heirmacht ijlen door de

foreesten en over de vlakten toe om Camelot te ontzetten en zelfs

vergezelt de princes het heir, Ysabele, die schoone, tusschen alle hare

vrouwen, te peerd, alsof het de jachte maar gold! Zeg mij, wilt gij, dat

ik dale?

--Nadert Lancelot? riep Guenever in hooge vervoering. En naderen Gawein

en de anderen? Nadert zelfs Koning Assentijn en nadert zelfs de

princesse Ysabele? En zoude Guenever versagen? Neen, Merlijn, zij en

versaagt niet meer, nu Lancelot haar ontzetten komt! Te Camelot, wees

des gewes, blijft Guenever!

Een juichende roep van bijval donderde op naar de koningin: het waren de

twaalf nieuwe ridders, die haar toe juichten, ook al bevroedden zij, dat

Guenever Lancelot alleen meer vertrouwde dan hen twaalven! Maar zij

juichten desniettemin want vonden het wel vol lof, dat Guenever niet

vluchtte op de fenix....

--Maar wellicht, riep Guenever; o Merlijn, wil de Koning op de fenix

vlieden?

--Zoo vraag het snel! riep Merlijn, rond cirkelend boven de hoofden der

vrouwen, waarvan er wel eene enkele had meê willen gaan, al ware het

alleen maar om den aanstaanden strijd van uit de wolken te aanschouwen.

--Keye! riep Guenever tot Keye, onder aan de wenteltrap.

--Heer Keye! Heer Keye! riepen de vrouwen.

Keye riep vragende wat er was.

--Vraag den Koning, riep Guenever; of hij Camelot wil ontvlieden op

Merlijns blauwen fenixvogel....

De vrouwen luisterden aan de trap.

Maar weldra riep mopperend Keye terug:

--De Koning en wil niet, Guenever! Hij is bang duizelig te worden zoo

hoog met de fenix te vliegen maar hij en is niet bang in zijn burcht te

midden van zijne ridderen en beidende de ridderen, die komen!

De vrouwen riepen het Merlijn toe naar boven....

En riepen het den ridders en wapenknechten toe naar beneden.

En een donderend gejuich klonk rondomme.

--Zoo ga ik! riep Merlijn en hevig snorde de fenix en ontslaakte een

azurigen damp van vreemd zoete roken. Van nut en noode ben ik niet meer

in dezen oogenblik maar ik keere, zoodra ik het wezen kan. Goeden moed,

o koninginne! Goeden moed, mijn valiante, nieuwe ridderen! Goeden moed,

allen!

En Merlijn snorrende en te mid van azuren dampwolken, die zijn enghien

ontblies van voren en slaakte van achteren, uit vogelekop en staart,

steeg hoog, hoog de gouden herfstlucht in....

De vrouwen zagen om en op en om zich rond.

--Ziet!! wees Guenever plots naar het foreest, waar het zich tusschen de

vallende bladeren verklaarde in opener verschieten en windenden weg. O

ziet, daar naderen zij! Daar nadert mijn Lancelot!!

Het zwevende schaakbord · 第 36 / 44 题