HOOFDSTUK XXXIII

Gwinebants helm was gekloofd en de stroom bloed vloeide er langs; maar

hij stond, nog niet bezwijmd, tusschen de baroenen van Endi.

Maar Gawein wierp zich haastig op Gringolet--meerdere Noordhumberlanders

stortten toe...

Was victorië ook reeds geroepen daar ginds door Lancelot, hier was de

verwarring nog woelende om der Noordhumberlanders nieuwe hoop en

verwachting... Zelfs Clarioen, de Koning, was ginds staande in de vlucht

gebleven, riep luide, wie hem de princes toe zoû voeren, die zoû

ontvangen de helft zijns koninkrijks!--en er was in het rond heviger

strijd weêr ontvlamd...

Terwijl alle de Ronde-Tafel-ridderen aandraafden tot soccoers, tot

soccoers!

Nu riep Gawein, omringd van de baroenen van Endi, hen toe hem Gwinebant,

gewond en bezwijmende, op zijn knie te beuren.

De baroenen beurden Gwinebant op Gaweins rechterknie omhoog en hij wierp

zijn nu geheel bezwij menden gezel dwars op het voorarsoen, vóór zich

heen.

Maar Ysabele, na kreet van smart, was van haar paard gegleden en toe

gëijld, niets achtende dan Gwinebant, dien zij stervende meende...

O, zij was zoo wit en broos als een bloem, die dadelijk vertrapt zoû

worden, tusschen zoo vele woelende orsen, getrokken zwaarden, gerichte,

gekruiste speren.

Maar zoodra zij de vier, vijf passen genaderd was, die haar nog

scheidden van Gwinebant en Gawein, trok Gawein haar omhoog...

Op zijn slinke knie, waar langs Gwinebants hoofd hing.

--Ysabele! riep Gawein. Neem Gwinebants hoofd in uw schoot!

En te gelijker tijd omarmde hij tot steun de princes in zijn linkerarm,

het schild voor haar en Gwinebant in de lengte.

En het zwaard hoog geheven in de rechtervuist; gebeurde dit niet alles

zoo snel als het niet is te zeggen of te zingen door vinder of

minstreel?

--Naar Camelot! riep Gawein den baroenen toe, die stegen weêr op en het

was een hevig gevecht tusschen de baroenen en hunne schildknapen met de

Noordhumberlanders.

De baroenen en de toegeschoten acht Ronde-Tafel-ridders omringden Gawein

ter bescherming, terwijl hij dwars door de woeling draafde naar Camelot.

Daarheen was over de vlakte de weg schoon geveegd.

De Noordhumberlanders vluchtten nu allen en overal weg...

Ook Clarioen meende niet goed te doen zoo lange te toeven, daar zijne

ridders hem toch niet Ysabele hadden geschaakt... Geheel Noordhumberland

vluchtte...

Maar Gawein, in razenden draf op Gringolet, dien hij bijna alleen met

den druk zijner knieën dwong en die nauw tikte met de hoeven den grond,

naderde Camelot, waar de eerste ophaalbrug omneêr knarste aan de zware

ketenen...

Steeds lag bij Gawein Gwinebant vóor over op het breede zaâl; steeds

hield Gawein Ysabele omarmd op zijn slinke knie; welke andere ridder van

Kerstenhede had dit fayt zoo kunnen volvoeren!

Ysabele had den stukkenden helm van Gwinebant ontgespt, in haar schoot,

weg de stukken des helms geslingerd en haars liefs gewonde, blonde,

ooggelokene hoofd bloedde rood in hare blanke handekens en over heur wit

sammeten kleed...

Zoo, de baroenen om hen, de acht Tafel-Ronde-ridders rondom hen, als een

wijde kring van bescherming en Koning Assentijn tusschen zijn lijfwacht

volgende, draafde Gawein de eerste brug over van Camelot.

Gejuich riep hem toe van wallen en tinnen en torens...

En de vrouwen op den hoogsten torentrans, rondom Guenever, galmden het

blijde heil!

In hield Gawein den draf en reed de volgende brug nu over...

Alle de bruggen, die neder vielen, de een na de ander, reed hij over:

hij reed het burchtplein nu op...

Op den drempel der opene burchtpoort was Koning Artur, krank en gesteund

door zijne pagiën, verschenen.

Rondom Gawein, te paard nog met zijn zwaren, dubbelen last, verdrongen

zich de haastig afgestegen baroenen en de acht wiganten.

Zij beurden eerst Gwinebant, bezwijmd, af...

En legden hem onder de koningslinde over de treden van 's Konings zetel.

Zij tilden toen Ysabele af...

En hare handen en hare witte schoot waren rood van bloed.

Toen, te paard nog, sloeg Gawein zijne ventalië op...

En snakte naar den hemel, om lucht.

Zij zagen allen, dat hij doodsbleek was.

--Gawein! riep Ysabele, heffende hare geheel roode handekens. Mijn

Gawein, dien ik zoo minne, zijt gij gewond?!

Gawein, los latende zwaard en schild, voelde onder zijn hart, waar het

door de maliën bloedde...

En Ysabele begreep, dat hare handen en schoot rood waren van het bloed

van Gwinebant en van Gawein beiden.

--Gawein en Gwinebant zijn beiden gewond! riepen de ridders tot den

Koning Artur.

--Maar Camelot is ontzet!

--Noordhumberland is op de vlucht!

Het snorde boven Camelot; de fenix vloog aan.

--Legt Gawein en Gwinebant dadelijk op het wonderbed! riep Merlijn, nog

in de lucht, en daalde in het vergier.

Terwijl Guenever, met hare vrouwen, van den toren gedaald, naar buiten

stortte......

En Lancelot ziende, uit riep:

--Lancelot! Lancelot! Zijt gij behouden?!

En zij kuste en omarmde Lancelot en Koning Artur, zoo krank, deed of hij

niet zag.

--Legt eerst Gwinebant, beval zacht Gawein. Ik volg hem stappans......

Op zijn bevel tilden dadelijk drie, vier ridders Gwinebant op en droegen

hem binnen, naar het wonderbed, waar hij in één dag zoû genezen.

--In éen dag, o zoete Ysabele! verzekerde koninginne Guenever, hare

armen om de princes, die zij ontroerd zag en wier minne zij ried.

Gawein, nauw geholpen door zijne gezellen, was uit het zadel gegleden.

Hoe bleek zag hij en hoe rood van bloed droop zijne cotte, hoewel hij

zoo recht stond, als of niets met hem geschied was.

--Gawein! riep Keye, die kluchtig hinkende aankwam. Gij zijt gewond!

Maar gij allen, ridderen, ziet gij dan niet, heer Koning, ziet gij dan

niet, dat Gawein is gewond......?

De Koning Assentijn, met zijn lijfwacht, was binnen gereden.

--Ziet gij dan niet allen, riep Keye voort; dat Gawein is gewond,

zwaarder dan is Gwinebant? Legt hem dadelijk naast Gwinebant in het

wonderbed of zijn leven rint hem weg uit den lijve!

De gezellen, één oogenblik, meenden, dat Keye spotte als altijd.

Maar hij spotte niet.

En Merlijn, van uit het vergier, zag--en hij ontzette er om, dat Gawein,

staande zoo recht, maar zóo bleek reeds, als veeg was des stervens......

En dat zelfs het wonderbed niet meer van noô was.

Maar Gawein, recht naast zijn ros, had uit de diepe arsoentasch een

vierkant ding genomen, dat was omwikkeld in een lange, witte reep van

sindaal...

De beide Koningen begroetten elkander, Guenever neeg voor Assentijn en

terwijl allen zeer bezorgd om Gawein henen drongen--de Koningen en de

vorstinnen, de ridders en de baroenen--naderde Gawein zijn heer, Koning

Artur, die, krank, was neêr gezegen, in den zetel, onder de linde.

En Gawein knielde op de trede.

En hij zeide met vaste stem, die van heel ver scheen te komen:

--Mijn wellieve Heere, mijn Oom, mijn hooge Koning van Logres! Ik, uw

ridder Gawein, dien gij wel dulddet aan uwe Tafel-Ronde, waar wij immer

geloofden in Wonder en dat het eenmaal wederomme zoû keeren, waar wij

immer geloofden in Aventure, dat is vië van dolenden ridder der

Kestenhede...... zie: hier brenge ik u dit Zwevende Scaec! Ik vond het

en ving het voor u en ik wond er de mouwe om van Ysabele, de schoone,

die ik minne...... Mèt het Scaec, o mijn Koning, voer ik tot Camelot

Ysabele, zoo als ik...... Destijds!...... eene Ysabele, wacharme, en een

zwevende Scaec tot Camelot ook voerde. Toen was het zóo...... nu is het

anders: nu is het beter misschien en grooter Wonder en edeler Aventure!

Want nu, met Ysabele en met het Scaec, bracht ik ook mijn gezel,

Gwinebant, en mocht hem van den doode redden......

Gawein bood Koning Artur het Scaec in de handen, uit de los gewondene

mouwe...

Toen gevoelden de gezellen hoe lief zij Gawein allen hadden en hoe

prachtig hij was, omdat hij aan Wonder geloofde...

Maar tevens gevoelden zij een vreemde wroeging...

En zij wisten eigenlijk geen van allen waarom...

Maar Merlijn, die ook de wroeging zich in zijn menschenhart bewust werd,

wist, daar ginds, ver, toe ziende uit het vergier, wèl waarom zij

elkander allen aanzagen met een schakeling van blikken, die nog niet

geheel begrepen...

--Het wordt alles zoo als het wordt, dacht Merlijn, om zich te

verontschuldigen. Ook zonder mij en zonder dat ik Zwevende Scaeken

zend...

Koning Artur had, met van geluk bevende handen, uit de handen van

geknielden Gawein, het Zwevende Schaakbord ontvangen: de gouden en

zilveren stukken, voor het einde des spels, stonden op de juweelen

velden juist zoo als zij stonden, toen het Scaec weg was

gezweefd.........

Het zwevende schaakbord · 第 38 / 44 题