Hoog reeds was gerezen de zon, toen Gawein ontwaakte, verbaasd, dat hij
daar lag in het woud. Gringolet liep te grazen en rondom Gawein lagen in
het gras het zadel, zijn helm, zwaard, schild, speer en
maliehandschoenen. En toen hij zag, dat zijn ros er was en daar rustig
te grazen liep, was hij blijde, Gawein en vergeleek den jongen hengst
bij de verscheidene Gringolette, die ook nooit ware weg gedwaald, van
haar heer, de lieve wrene, die hij, lace, had dood gezwommen...
Nu wilde hij meer ook niet marren en stond op en rukte zijne maliëncotte
recht om de leden: ridder-van-aventure rust wel eens min te gemake dan
hij doet in wonde-genezend wonderbed in gastvrijen burcht aan den weg...
Hij wreef Gringolet de flanken en zaâlde het fluks en helmde zich en
gereidde zich en zat op en reed verder toen door. Weemoed en geluk
beiden wemelden door zijn ziel, die de morgeneenzaamheid zoet dronk,
weemoed om Alliene, geluk om Ysabele, en hij dacht daartusschen door aan
vele vrouwen en tusschen de vele vrouwen rees dan immer weêr de eene
jonkvrouw: Ysabele...
En zij bleef alleen...
Wat de keuze van wegen en wendingen des wegs betrof, zoû hij zich vroom
overgeven aan Sint Michiel, die hem wel leiden zoude als het was
beschikt, dat hij het Scaec zoû vinden... Vaak was het reeds hem voor
gezweefd, tot het in den burcht van Endi was omneêr gevallen,
verdwenen... Wat zoo het in den burcht nog verstoken lag? Maar hij had,
alleen en met Ysabele samen, gezocht in alle hagedochten en hoeken,
achter alle deuren, in alle duwieren en hij meende wel: het Scaec was
weêr weg gezweefd uit het kasteel... En hij zoû het weêr zoeken en hij
zoû het eenmaal vinden en weêr de gunste winnen zijns Konings, Arture,
naast de minne van zijne jonkvrouw: Ysabele...
In wisselende gepeizen Gawein, stapte het ros rustig door: de morgenzon
verried de geheimenissen van het woud; reeds geelden de laagste bladeren
en verguldden in nazomer-zonneschijn en de lucht verzichtbaarde heel
blauw door de takken en er zweefden de gestapelde wolkgevaarten. Toen
tusschen wat vogels, die tjilpten, eerst onhoorbaar bijna, dra
duidelijker, het zacht gesnor weêrtrillerde en Gawein, als tartte het
hem, ginds, héél hoog, tegen de blauwe lucht, tegen de blanke wolkbergen
het Scaec zag zweven, een ruitachtigen vogel gelijk en het schitterde
even op van de kostelijke stukken, die stonden steeds roereloos
overeind. Het Scaec; het Scaec, dáar was het. Waar zoû het hem nu
geleiden? In welken burcht, tot welk Aventuur? Het ging tegen den noen,
en Gawein, nuchter reeds dag en nacht lang, voelde toch zijne krachten
wassen als immer in hem zijne kracht wies tegen den noen.
O, tot alles was hij dezen dag voorbereid, trots weemoed en trots geluk;
tot alles was hij bereid om het tartende Scaec eindelijk meester te
worden! En voor het eerst sedert de nieuwe queste, sedert gisteren en
dien dag van heden, spoorde Gawein Gringolet en draafde het den weg
over, sprong het hoog over de hindernissen van omver gevallen boomen en
reed het uit het woud op opener vlakte, met wazige heuveling toe
glooiend den horizon ommerond, terwijl het Scaec, als een trillende
leeuwerik, hoog, heel hoog, boven Gaweins hoofd bleef hangen... O, zoo
Gringolet vleugelen hadde aangeschoten, hij zoû door de zomerluchten het
Scaec na zweven, na zweven, tot hij het hàd in zijn greep! En Gawein,
bijna onbewust zijn ros steigeren doend of het werkelijk de hooge lucht
in konde zweven, staarde steeds verlangend naar het Scaec, trillende,
trillerende, daar boven hem... Hij had een kreet als een knaap, die een
vlinder wil grijpen; hij richtte, zonder het te weten wellicht, zijne
opene maliënhand naar het onbereikbare, tartende, hoog daar in de lucht
hangende glinsterding...
Tot plots het alleronverwachtste gebeurde...
Er knalde iets...
Vreemd geluid, vreemd toovergeluid in de eenzame wereld van heuvelen,
vlakte, wolken en woud....
Er knalde iets, vermoedelijk aan het Scaec...
En uit het Scaec, ter zijde, ontplofte een blauwe damp, dadelijk
verijlende in de blauwere lucht...
En toen, o wonder, als ware aan het Scaec iets gebroken, viel het, snel,
wirrelende sneller en sneller uit de lucht en Gawein, openmonds van
verbazing, zag het neêr vallen midden in de vlakte, in het ruige gras!
Hij reed er met razende vaart heen, vreezende, dat het hem ontsnappen
weêr zoû, maar toen hij de plek, waar het viel, had bereikt, vond hij
het liggen tusschen de halmen.
Hij was zoo verbaasd, dat hij niet aanstonds af steeg en greep.
Maar toen wierp hij zich af uit het zaâl, greep het Scaec...
De stukken rolden door malkanderen heen, hoewel zij toch aan het bord
bleven hangen.
Het spel was in de war: aan metalen draadjes slingerden de stukken over
het bord.
Het gouden koninkje zelf--Artur na gebootst, sierlijk gedreven
beeldje--was los geraakt en Gawein raapte het op uit het gras en bezag
het...
Hij had het Scaec!
Maar de partij was niet meer uit te spelen...
Hij had het Scaec... maar het bord met de juweelen velden was gebroken.
Gawein bekeek het nieuwsgierig.
Het had, naar het scheen, een dubbelen bodem... Die was gebarsten... En
in de holte van dien dubbelen bodem ontdekte Gawein een vreemd, klein,
sierlijk enghien, zoo ingewikkeld, dat het hem wel een raadsel scheen:
het waren heel kleine radertjes, met tal van ijzeren draadjes over en
weêr verbonden en alle die fijne draadjes lagen door elkaâr gesprongen,
verwrongen, verkronkeld tot een hopeloos verward klein kluwentje en
Gawein schudde zijn hoofd en haalde onwetend, hij zelve verward in alle
zijn denken van Wonder en Aventuur, de schouders op. Hij keek er maar in
en tastte met blooten vinger voorzichtig aan de metalen draadjes en aan
de radertjes maar begreep er niets van: alleen begreep hij, dat tooverië
en wonderlijke enghiene, groot of klein, wel heel veel met malkanderen,
zoo niet alles, te maken hadden. Maar één ding wist hij zeker, hij hàd
het Scaec, ook al was het gebroken. Het zag er zelfs zoo uit, als of het
nimmer meer weg kon zweven, als of het niet zweven meer kon. En
zorgvuldig voegde hij de, aan de metalen draadjes hangende, stukken bij
elkaâr en borg schaakbord en stukken in de tasch, die in zijn voorsten
zadelboog was. Het schaakbord kon er niet heelemaal in: het stak er met
den bovenkant uit. Wat leek het een mizerabel Tooverschaakbord, zoo als
het daar, op geborgen, uit de zadelboogtasch stak! En Gawein, terwijl
hij op steeg en langzaam stappende weg reed van daar, was vol
gedachten... Wat zoû zijn Koning hem zeggen, zoo hij te Camelot terug
kwam, met het stukkende Schaakbord, dat niet zweefde meer en waarop geen
partij meer was uit te spelen! Zoo dat de Koning, zoo hij wederom had
gedroomd, vreeze kon voor het verlies zijner krone koesteren! Het deed
Gawein heel veel leed, dat hij dit Scaec niet als het eerste terug
bracht, ongerept en nog tooverkrachtig... Ja, er waren tusschen hemel en
aarde meer vreemde dingen dan een dolende ridder vermoeden kon! En
Gawein, moede des denkens, schudde zijn hoofd en haalde zijn schouders
op... En dwaalde als de hengst wilde, het woud weder in...
Plotseling zag hij op. Was hij op weg naar Camelot? Om Koning Artur het
Scaec te brengen...? Hij dacht niet, dat deze weg naar Camelot voer...
En, waarom wist hij niet goed, maar vermoedelijk, omdat de voltooiïng
van deze queste hem zich onbehagelijk deed gevoelen in zijn riddergemoed
en hem afleidde van zijn geluk om Ysabele, vond hij in eens alle deze
dingen van groote vernooye: deze foreesten, die zoo op elkander geleken,
dat een dolende ridder er immer verdwaalde; deze wegen, die alleen
gemaakt schenen om dolende ridders, nog meer dan hun roeping reeds was,
te doen verdwalen; dat Aventuur, dat wel bekroond scheen met uitslag
maar zoo twijfelachtig, omdat het Scaec waarlijk voor niets meer
deugde... En booze op zichzelf en op alles en niet heel vroom aan Sint
Michiel, met iets als een vloek binnensmonds, keek Gawein alle
richtingen uit, meende, hij moest nu Zuidwaarts rijden, was werkelijk
van niets meer zeker... Tot hij--blijde was hij in zijne vereenzaming
het te hooren!--hoefgetrappel aan hoorde naderen over de krakende
takken, die lagen verward over den weg, en meende welbekende stemmen te
vernemen... Een dier stemmen riep:
--Ja, waarlijk, bij den rijken God van Hemelrijk! De Aventuren en zijn
niet meer van het geluchte, zoo menigerwerve meldden zij zich aan:
Gawein is gegaan om een Scaec...
--En heeft twee onzer eigene gezellen, die feloenen waren, gestraft!
--Eéne belaagde damosele gewroken en bevrijd!
--En wij...
Maar de aannaderende ruiters waren de wending van den weg omgeslagen en,
in zicht van Gawein, herkende deze, twee aan twee naast malkanderen
rijdende, de negen ridderen van Tafel-Ronde:
Lancelot, Gwinebant, Galehot, en Sagremort en tevens Hestor en
Meleagant, Acglovael, Ywein en Bohort!
En de negen--van hunnen kant--herkenden Gawein en zij juichten hem
blijde tegen en Gawein, zeer hoofsch, juichte tot zijne makkers terug.
En hij vroeg:
--Ik zie, mijn lieve gezellen vier, Lancelot, Gwinebant, Galehot en
Sagremort, gij hebt wel spoedig onze vijf andere makkers bevrijd uit
Amoreuse-Garde!
Gelukkig, dat Acglovael hierop in een juichenden schaterlach uit
barstte, want de andere uit Amoreuse-Garde verloste ridders keken heel
erg strak en verlegen.
--Acglovael schaterlachte, zei Galehot en glimlachte; dat is het beste,
dat Acglovael kan doen om zich te verontschuldigen.
--Waren zij gevangen of niet gevangen, twijfelde Sagremort; dàt is de
vrage...
--Dddd...aar en was niemand gevangen, in Amoreuse-Garde, stotterde Ywein
maar even; en die ddd...amoselen wilden niet en bbb...evrijd worden...
--Zoo dat wij werkelijk, Gawein, verklaarde, klein maar dapper,
Meleagant; geen feloenige ridderen te bekampen meer hadden, wees des
gewes, wellieve gezel!
--Zij kwamen en gingen, de ridderen, legde Hestor het heel eenvoudig uit
aan Gawein. En er waren er bij van Koning Mirakel...
--Van Koning Ban...
--Van Koning Assentijn ook!
--En van alle andere oude Koningen van Kerstenhede rondomme! riepen door
elkaar Acglovael, Ywein, Meleagant en Hestor.
--Het is alles de fout van Bohort! beschuldigde met vingerwijzing Ywein.
En de drie anderen, wijzende met vingers ook, beschuldigden:
--Het is alles de fout van Bohort!
--Wat wilt gij! zeide Bohort en sloeg vuurrood de oogen neêr, hoe reuzig
hij zat op zijn ros. Die damoselen hingen zoo verleidelijk uit de
vensteren toen wij aan kwamen om haar te verlossen...!