Die nacht viel er het volgende voor in den koninklijken burcht van Endi:
Droom weefde over en weêr van Ysabele naar Gwinebant en van Gwinebant
naar Ysabele...
En Amadijs, de schildknaap, die naast Gawein op het zelfde bedde gewoon
was te slapen, sliep niet die nacht naast Gawein, het geen Gawein niet
bemerkte, omdat hij, wakende zelfs, droomde van Ysabele...
Den volgenden morgen zaten, na afscheid van den Koning, van Ysabele, van
allen, die nu op de hoogste transen uitkeken, de vijf ridders van
Tafel-Ronde op.
Wees des gewes, lezer, dat Lancelot, Gwinebant, Galehot en Sagremort
Amoreuse-Garde gingen belegeren.
En dat Gawein--maar waar school toch Amadijs? dacht Gawein--op queste
toog naar het Scaec.
Dat Amadijs hem niet vergezelde, merkte nauwlijks Gawein. Hij was vòl
geluk, om Ysabele. Er was een stralende zon in zijn ziel of de zon, die
aan den hemel straalde, zich terug kaatste in zijn ziel, als een groote
glans in een spiegel. Toen hij omzag voor de laatste maal, zag hij de
vier speren zijner vier makkers, geheven, glinsteren, met de zon aan de
punten en wuiven tot lesten groet. En zag hij op den hoogsten trans iets
wits, dat wuifde: Ysabele, die bewoog haar wijle... Hij wuifde terug,
met de speer.
De weg, dien hij gekozen had, ging eenzaam het wijde woud in. Dolende
ridder kiest weg naar bezieling van hoogere macht: bezieling van Sint
Michiel of van den rijken Gode van Hemelrijk. En als hij den weg gekozen
heeft, vroom, om het goede te doen naar ridderplicht en de gevaarvolle
queste te volbrengen, wacht hij het Aventuur, dat hem te moet op den
wege zal komen. Draken waren dood en spookten alleen met hunne skeletten
in bergspelonken; reuzen bestonden sinds lang niet meer; ook niet meer
de vreeslijke reuzinnen, die Pantasilde heetten of hoe ook en die in
heel hooge torens woonden: die lagen in ruïne nu langs den weg...
Feloenige ridders, ja, lace, bestonden nog en belaagden damoselen en
sloten haar op in Amoreuse-Garde maar vier valiante wiganten gingen den
burcht belegeren. En een betooverd Scaec zweefde wel nog de lucht door,
maar bleef onvindbaar, ongrijpbaar, die vogel, die vlinder...
Met huiver van eerbied heugde Gawein zich door zijn stil liefdegeluk
heen de stem van den Koning Artur, zoo als die uit Merlijns rood gouden
trompet had geklonken, booze en verstoord, omdat Gawein lauw was
gebleken in de queste naar het Scaec.
Zekerlijk, hij was nu weêr op weg naar het Scaec. Hij had den weg
gekozen en seinde zich... Hij zoû het zoeken, hij zoû het vinden en
grijpen! Maar hiervan werd hij zich wel bewust: zoo Koning Artur hem
booze bleef omdat hij niet het Scaec vond en bracht, zoû hij harde veel
toren hebben in zijn harte, dat loyaal blijven den Koning zoû, vol
riddertrouw en liefde van baroen en vazal... Maar zoo Ysabele hem niet
meer zoû minnen, minnen zoo als Vrouwe Venus hèm minnen had doen
Ysabele, zoû hij sterven. Hij had velen bemind van de edelvrouwen en van
de jonkvrouwen in de kasteelen, die de dolende ridders aan het einde van
den dage tegen komen om gastvrijheid voor de nacht te vragen; hij had
rondom zijne eerste Ysabele, zijn zoete wijf, velen bemind met de minne,
die Vrouwe Venus geeft voor een oogenblik--zoo als de roze bloeit, een
dag of één nacht of enkele uren--en hij had zijne eerste Ysabele zelve
jaren bemind, maar zijne tweede beminde hij tot den dood... Een
ridder-van-aventure moge vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk
telken male verslaan, als het Vrouwe Venus' wille is, kan hij beminnen
tot den dood... Sterven van minne kan alles wat mint: de dag sterft om
de zon, die van hem scheidt; de roos om den nachtegaal, dien zij meende,
dat tot haar zong; de maagd om den man en ook de man kan sterven om de
maagd. Maar hij zal het nooit zeggen, de man, de ridder, de
ridder-van-aventure, die nooit vreesde van Aventure en van Wonder; hij
zal het nooit zeggen maar de vinders zeggen het later, de vinders, die
de jeesten boeken van heldenfeit en van liefde en ze dan voor zingen bij
het begeleidende spel der veêlers, in de lange avonden, des winters
vooral, aan de ooren der ontroerde vrouwen... En der ontroerde mannen
ook, maar die zeggen en toonen hunne ontroering niet... Zeker, de
ridders sterven van liefde soms... Gawein wist niet dadelijk welke
ridders reeds van liefde waren gestorven; hij heugde het zich niet uit
de jeesten, was ze zeker vergeten maar zeker, er waren er, die van
liefde waren gestorven... Niet op hun bedde, als de bleeke jonkvers,
maar op het slagveld en in de battalgiën, als de helden, sterk van arm
nog en onweêrstaanbaar van zwaardzwaai tot het einde toe, maar met de
barst in het hart, waaruit bloedde het leven, te gelijk, dat het bloed
uit de wonde bloedde...
Maar Gawein behoefde niet aan dien weemoed zich over te geven, want
Ysabele beminde Gawein, o zoete joye! en zelfs al huwde zij een ouden
Koning, zoû zij hem beminnen, de nog zuivere en van onschuld zoete, als
Guenever Lancelot beminde!
En de zon straalde in Gaweins ziel terug, als een groote glans in een
spiegel...
Langzaam stapte Gringolet, de jonge hengst, over de krakende takken, die
lagen verwaaid over den weg. En het was stil in het woud als in de
tijden, toen de witte priesters, de Druïden en de witte priesteressen
hier hunne geheimenissen hadden gevierd in de groote bladertempels,
waarvan de eikenstammen de zuilen waren. Zelfs de vogelen zwegen. Geen
Aventuur wachtte op aan de wending des wegs en hoe ook spiedde Gawein,
het Scaec zweefde niet op... Dralende rit te ros door het maar even
ritselende woud, schijnbaar doellooze doling des ridders door het maar
even doorruischte, schaduwvolle geheimenis,--meer beloofde deze dag niet
te brengen. En Gawein, toch tevreden en zoet gelukkig, de gedachte maar
even doorrild door dien toch niet te verdrijven weemoed, die als een
schaduw ligt ter zijde van het allergrootste geluk, ademde op, zuchtte
op, glimlachte op, zocht het Scaec, dacht en droomde Ysabele, Ysabele
altijd en haar droombeeld blankte daar ginds voor hem uit als een zoet
vizioen...
De nacht zonk. Zij weefde hare stille blauwte tusschen de ijlere, zwarte
takken en twijgen; zij stapelde hare stille zwartheid tusschen de
dichtere en donkere stammen. Zij strekte haar valen schemer uit over den
vergrauwenden weg, nauw begaanbaar voor het telkens in woekergewas zich
verwarrende ros. En Gawein zag geen burcht en wist deze wegen ook weinig
en heugde zich niet kasteel of kapelle of welke woning ook in deze
contreien... Hij wist alleen de richting: Westwaarts was hij gereden,
Westwaarts had hij gekozen, volgens ingeving van Sint Michiel, zijn
weg, en hij wist alleen, dat een breede rivier daar wezen zoû, zoo hij
zich heugde deze oorden van vroegere dwalingen... En werkelijk, daar
blauwde in de nacht de vloed en verder op vloeide die, blanker, in de
late maan, die rees, later, deez' nacht, dan zij gerezen was de nacht
van gisteren toen Gawein Ysabele onder aan de burchtmuren gevonden
had... En breed en kalm stroomde, bijkans zonder kabbelingen, de
maannacht weêrspiegelende stroom en de witte glansen vloeiden van de
lange rietstengelen af en versmolten dan in het glinstere water...
Bekoord om zoo stille schoonheid, staarde Gawein, tusschen de telkens
zijn blik brekende stammen en takken en zwarte sluiers wevende bladeren,
de rivier toe, tot hij eensklaps verschrikte... Want over het water
gleed als een witte vrouw weg, meê met den stroom, gleed zij, haar witte
gewaad plakkende om hare leden, haar gouden haar plakkende om heur witte
gelaat en schouders, als of de stroom zelve haar liefdevol het hoofd
hield omvat en zoo mede sleepte in zachte maar sterke vaart... En toen
Gawein haar zag, seinde hij zich en seinde hij een kruis naar de
verdronkene toe... En steeg toen af, nam het paard bij den teugel en
liep dichter toe naar den oever... En van af den oever herkende hij wie
daar, dood, verdreef op den stadigen stroom... Het was Alliene, het was
de jonkvrouw; het was Amadijs, het was zijn vergeten schildknaap en
Gawein begreep alles en zijn geluk, dat zon in zijn hart was geweest
dien dag, verzwijmde in eenen om de smart en het medelijden, die hij
gevoelde, om den schrik, dat hij niet eerder begrepen had en zoo weinig
van hoofschheid gepleegd had tegenover de ongelukkige maagd, die hij
gered had maar niet bemind, en hij herinnerde zich het zwaard tusschen
hen beiden in, in de leêge, onverschillige nachten... Maar hij
herinnerde zich niet, dat die onverschilligheid juist eerbied was...
Toen welde het in Gawein vol van wroeging en weemoed en van groote smart
en hij waadde, zijn ros aan den toom, door het riet en trad in het water
tot aan de borst, verder dan de stroom de drijvende mede voerde... En
daar wachtte hij haar op. Het paard hinnikte luide de manenacht in, als
begreep het van geschied onheil, en Gawein sidderde heel koud van groote
droefheid en van berouw, eindeloos, als schenen om hem heen nacht, woud,
water weemoed-stilte en verzwegene smarten. En toen, het paard achter
zich, hinnikend weêr de nacht in en zich angstiglijk dringende tegen hem
aan, greep Gawein Alliene in zijn armen--het riet brak om hem en
ritselde--en zag haar, bleek hij, in het bleeke, natte, van gouden haar
omplakte gelaat, waarin de oogen als door de watergeesten schenen toe
gestreken. En hief haar gelaat toen hooger en kuste haar met zijn
eersten kus op haar natten, dooden mond.
Het paard hinnikte heviger... En Gawein liet de doode toen zachtekens
zijne armen uit glippen, zoo dat zij drijven bleef op den waterstroom en
hij stuwde haar liefdevol zoo, dat zij, in het midden des strooms,
verdreef... Daar zag hij haar na; zij dreef verder in den geheel nu
gloeienden maneschijn en het scheen of er een glimlach was opgebloeid om
den bleeken mond, die was opener geloken. En Gawein keek haar lange na
en seinde zich en seinde een kruis toe naar de verder weg drijvende...
Zij dreef naar de wijde zee toe, die is het groote, weldadige, alruime
graf, zoeter dat zilten graf dan welke aardsche kuil ook zoû wezen... En
toen hij haar niet meer zag, zij verdrijvende als een zacht zilveren
kabbeling, witte lijn, wèg met alle kabbelingen en verlijningen van het
verdere water, steeg hij uit water en riet, druipende de zilveren
stralen van zijne zilveren rusting. En zuchtte diep maar niet meer van
geluk.
En hief, zuchtende, den arm en sloeg zich met de gemaliede vuist op het
voorhoofd onder de opgeslagen ventalië... En knielde neêr en bad zijne
orisone voor Alliene's ziele, die wellicht dezen oogenblik reeds, éven
een donkere vogel, dompelde in vagevuursche wateren, om blànk en louter
weêr op te zweven, terwijl haar lijf nog zelfs ter zeeë niet in was
gespoeld en dáár nog dreef, dáár, in de verte...
En toen, diep zuchtende weêr, steeg Gawein op en reed door en de donkere
gevoelens waren niet van hem af, in de schaduwen van de nacht. Toen hij
moede gleed van zijn moede ros en zij beiden zonken op het mos, onder de
zwarte bladeren der boomen en sliepen, de ridder het onthelmde hoofd
tegen de ademende flank van zijn paard, en hij droomde... van Ysabele.