Lancelot had medelijden met zijn vriend.
--De poort van Amoreuse-Garde staat immer open tot gastvrijheid, sprak
Lancelot met zeer milde stem.
En Gwinebant, in zich wèl ijzerzuchtig op Gawein om Ysabele, die
schoone, deed zich geweld aan en voegde er hoofsch aan toe:
--En de ophaalbruggen lagen immer neêr gelaten.
Gawein glimlachte hoofsch terug.
--Ik begrijp, zeide hij, zeer welwillend.
--Zoo groote feloenen waren de ridderen niet, die wij daar mochten
ontmoeten, verontschuldigde Bohort met diepe bas en schudde energisch
ontkennend zijn kolossigen helmkop.
--Wij speelden met hen werptafelspel, zeide Hestor, zoo modest hij het
zeggen kon.
--Wij ddd...ronken met hen c...c...c...clareyt en zoete
p...p...pigmentwijn, stotterde Ywein wat meer, nu hij zekerder werd van
zijn zaak, tegenover Gawein.
Maar Acglovael schaterlachte:
--Wij aten met hen tam en venizoen!
--En wij josteerden harde hoofschelijk met hen! glorifieerde, kraaiende
als een haantje, Meleagant.
--Uw Aventure, lieve gezellen, glimlachte steeds Gawein zoo hoofsch, dat
zij alle vijf begrepen, dat Gawein hen begreep; verliep dus zoo wel als
het maar verloopen konde en ik ben harde blijde u allen in welstand te
ontmoeten. En zoo gij keert tot Camelot en tot onzen genadigen heere,
Koning Artur, keer ik met u, want ik heb mij meester gemaakt van het
Zwevende Scaec: ziet, hier steekt het uit de tassche van mijn arsoen!
En Gawein wees op de punt van het schaakbord, dat uit zijn
zadelboogtasch omhoog stak.
Alle de ridders verwonderden zich.
Het Scaec! Het Zwevende Scaec! Het Scaec--dat Merlijn uit had doen
zweven om Aventure te brengen--het Scaec had Gawein gevonden, gegrepen:
hij ging het den Koning brengen!
--Maar het is harde te-broken! zeide Gawein.
En zij zagen rondom Gawein malkanderen allen aan met een onderling
kruisvuur van vragende blikken. Aventuur? Had het Scaec Aventure
gebracht in de groote vernooye van hun leven...?
--Keeren wij tot Camelot, mijne lieve gezellen, noodde mild Lancelot:
hij voelde zich wel beschaamd te weten van het Scaec, dat Merlijn had
gezonden...
En hij reed links van Gawein, terwijl Gwinebant zich rechts van hem
rijde en toch blijde was, trots zijn ijverzucht om Ysabele, die schoone,
dat Gawein zonder meswende de queste, die geene echte queste geweest
was, volbracht had.
Maar achter hem fluisterden de andere ridders; Sagremort:
--Het Zwevende Scaec... was het nu tooverië of was het niet tooverië?
Galehot:
--Het is zoo tooverië, dat het te-broken is, harde....
Ywein:
--Het is ttt...ooverië, want Merlijn blijft een ttt...oovenaar.
Bohort zeide niets; omdat hij zoo reuzig groot was en toch de leider
geweest der ridders, die gingen zoeken naar Gawein, Mordret, Didoneel,
was hij nog steeds beschaamd de fout van alles geweest te zijn in de
zake van Amoreuse-Garde....
Meleagant zeide ook niets, omdat hij op eens niet meer zeker
was--twijfel zat hun wel min of meer in het bloed--of de ridders met wie
hij in Amoreuse-Garde had gejosteerd wel allen eerlijke ridderen waren
geweest...
Maar Acglovael schaterde op eens, wijzende naar een wijde vlakte, die
zij langs reden en waarover vele kudden schapen als eene zee heen
golfden, gedreven door tal van hard aanloopende herders:
--Ziet, gezellen, gonder, die dulle schapen vlieden en die dullere
herderen bachten!
De ridders hielden stand in de schaduw der beuketakken, die bogen over
den weg, en over de in zonneschijn wazende vlakte naderden de vluchtende
schapen met de, achter hen rennende, herders. En hoorden de ridders
roepen de herders:
--Groote baroenen en valiante wiganten! Helpt ons! Helpt ons allen van
den lande Endi! Helpt ons allen van de maisniede van den Koning
Assentijn!
--Wat geschiedt?? riepen Gawein, Lancelot, Gwinebant.
De herders hieven wanhopig de staven op.
--De Koning van Noordhumberland, Clarioen, hij komt met een heir Endi
belegeren! Hij is onzen Koning booze, Assentijn, den goede! Hij is booze
om den Karre-ridder, dien onze Koning te zijnen hove houdt... Hij is
booze, dat onze Koning zijne princesse en kleindochterlijn weigert te
geven aan zoo kwaden prins!
--Ysabele!! riepen Gawein en Gwinebant uit.
--Helpt ons, valiante wiganten en groote baroenen! riepen de herders.
Grijswit wollige zee, golfden de schapen aan langs den weg.
--Waar is de weg, die ten snelste voert naar Endi? riep Gawein.
Want dolende ridders wisten zelden de kortste wegen.
--Hierheen! Gonder! schreeuwden en wezen de herders. Over de vlakte
terug! En dan...
De tien ridders, op hunne steigerende rossen, wierpen zich over de
vlakte, ongeduldig; zij hoorden niet meer. Hun metalen gerammel van
rusting en wapenen klaterde en ratelde op in den overdadigen
zonneschijn. Zij waren prachtig, alle tien dravende, hunne zilververguld
glinsterende, metalen silhouetten op de forsche, zware, omhoesde rossen
krachtig duidelijk in het trillende, neêr vloeiende licht van den noen.
Rondom hun weg stormende vaart golfden de schapen, schreeuwden de
herders en scheerden de verschrikte zwaluwen....
* * * * *
Toen onstuimig de tien ridders van Tafel-Ronde, na een hevigen rit over
vlakten, door bosschen, tusschen moerassen, langs wegen en langs
omwegen, aanstormden over heide en weide en den koningsburcht van Endi
kregen in het gezicht, zagen zij, werkelijk, als de herders hen hadden
doen denken, een schouwspel, dat hen verbaasde. Want een ontzaglijk heir
lag gelegerd wijd rondom den burcht heen; de groote tenten en
pauwillioenen waren in dichte massa op geslagen; er waren groene,
blauwe, en roode, en de gouden arenden van Noordhumberland blikkerden op
alle de tentepunten tegen het groen van de bosschen of tegen het blauw
van de lucht. En toen de ridders zagen het heir, zoo groot, zoo breed,
zoo lang rondom den burcht van Koning Assentijn gelegerd, begrepen zij,
dat zij, tièn ende niet meer ende niet minder, het Groote Aventuur
moesten bestaan: het Groote Aventuur den burcht te ontzetten, omdat
Koning Assentijn toch bevriend was met Koning Artur van Logres, omdat
's Konings Assentijns kleindochter, de princesse Ysabele--al wisten zij
haar ook verloofd aan dien zelfden Clarioen, die het Rijk van Endi was
binnen gevallen--de geliefde was van Gawein of van Gwinebant: daar waren
zij onder malkanderen niet zeker van maar zij wilden het uit hoofschheid
niet vragen, noch aan Gwinebant, noch aan Gawein. Zij wisten alleen, dat
zij tegen een geheel leger strijden zouden, zij met hun tienen slechts,
als echte wiganten, die zij waren. Nu ja, nu zij beter schouwden omrond,
handen voor oogen, want de ventaliën nog opgeslagen, zagen zij wel over
weide en heide, langs omwegen en wegen, tusschen moerassen, door
bosschen en over vlakten, aanstormen alle de onderhoorigen van Endi,
kleinere vazallen en serven: zij kwamen hun heer ontzetten maar de tien
wiganten lachten er om tegen elkaâr, want ter nauwer nood zouden die
dorpers en kaerelen, velen slechts gewapend met houweelen, spaden,
schoppen en stokken, de krijgsknechten bezig kunnen houden van Clarioen!
Zij beloofden malkanderen dus, onze ridders, met manwaarhede ende op
handslag, te strijden voor Koning Assentijn en voor de princesse
Ysabele, hoewel Sagremort even nog riep:
--Maar wil zij nog koninginne van Noordhumberland worden of wil zij het
niet meer: dat is de vrage......
Waarop Acglovael schaterde, Ywein iets stotterde, terwijl Gawein zeide:
--Mijne lieve gezellen, mart nog een wijle... Ziet, ik heb het Zwevende
Scaec gegrepen, ik heb de queste voltooid! Ik en durf niet met dit
kostbare pand in mijn artsoentassche ten strijde tijgen. Laat mij het
hier, bij dezen eik, begraven en sneef ik in de battalgië, zoo zal wie
van u negenen gespaard blijft, bij den rijken God van Hemelrijk het
Scaec uit delven en het met mijne trouwe en minne brengen den Koning
Artur...
Zij stegen allen af; zij hielpen allen met de zwaarden een kuil te
graven; Gawein legde er het Scaec met de stukken in, breidde er
varenbladeren over; zij wierpen de kuil weêr vol zand; zij zwoeren er
boven hun riddereed bij de kruizen hunner zwaardgevesten; zij zaten op
en sloegen de ventaliën omneêr. En toen, met éen kreet, stormden zij los
in de richting, waar het vijandelijke leger lag voor de hoofdpoort van
den burcht, in het gezicht van den burchthof met de koningslinde,
waaronder Koning Assentijn gewoon was te zitten. Op alle de wallen van
den burcht, bij de poorten en de opgetrokkene ophaalbruggen wemelden de
ijzeren krijgsknechten, afwachtende den aanval en de baroenen van Endi
herkenden van af de barbekanen de tien Tafel-Ronde-ridders, die aan
kwamen stormen, zoo als zijzelven de baroenen herkenden en hen toe
wuifden en schreeuwden moed te houden; uit het grootste boograam zagen
de tien gezellen den Koning Assentijn spieden, terwijl zijne edelheeren
hem weêrhielden zich verder in het gezicht te wagen, in het bereik van
vijandelijke werpspies of pijl. Maar boven op de hoogste tinnen zagen de
tien, en Gwinebant en Gawein het eerst, wuiven iets wits: het was de
wijle van Ysabele; het was Ysabele tusschen den drom der edelvrouwen en
dienaressen; het waren alle de vrouwen van Endi, die daar boven de
belegering aan zagen, den strijd zouden durven aanzien en terwijl hare
eigene kreten slechts zwak den tien ridders toe klonken, nu die bewogen
de speren tot groet en tot bemoediging, weêrschetterde fel het gekef der
tallooze schoothondjes, die de edelvrouwen mede op dien hoogsten toren
hadden genomen, in hare armen, aan hare boezems, in hare schootplooien
van klêederen van sindaal en siglatoene, de blaffende hondekopjes
duidelijk te onderscheiden met felle oogjes en tallooze, zich heesch
blaffende zwart open keeltjes en over alle die vrouwen en hondjes
wapperde wijd-uit de groen-geluw-roode vaan van Endi......
Maar in het kamp van Clarioen, Koning van Noordhumberland, die booze
was, dat zijn ridder Lionel van de Schandekar bevrijd, de Kar zelve
onttooverd was, en die booze was, dat de Koning Assentijn hem door
boodschappers plotseling geweigerd had zijne kleindochter, de schoone
Ysabele, tot vrouw en tot koninginne--waren de tien Ronde-Tafel-ridderen
gezien!