HOOFDSTUK XXVIII

Lancelot had medelijden met zijn vriend.

--De poort van Amoreuse-Garde staat immer open tot gastvrijheid, sprak

Lancelot met zeer milde stem.

En Gwinebant, in zich wèl ijzerzuchtig op Gawein om Ysabele, die

schoone, deed zich geweld aan en voegde er hoofsch aan toe:

--En de ophaalbruggen lagen immer neêr gelaten.

Gawein glimlachte hoofsch terug.

--Ik begrijp, zeide hij, zeer welwillend.

--Zoo groote feloenen waren de ridderen niet, die wij daar mochten

ontmoeten, verontschuldigde Bohort met diepe bas en schudde energisch

ontkennend zijn kolossigen helmkop.

--Wij speelden met hen werptafelspel, zeide Hestor, zoo modest hij het

zeggen kon.

--Wij ddd...ronken met hen c...c...c...clareyt en zoete

p...p...pigmentwijn, stotterde Ywein wat meer, nu hij zekerder werd van

zijn zaak, tegenover Gawein.

Maar Acglovael schaterlachte:

--Wij aten met hen tam en venizoen!

--En wij josteerden harde hoofschelijk met hen! glorifieerde, kraaiende

als een haantje, Meleagant.

--Uw Aventure, lieve gezellen, glimlachte steeds Gawein zoo hoofsch, dat

zij alle vijf begrepen, dat Gawein hen begreep; verliep dus zoo wel als

het maar verloopen konde en ik ben harde blijde u allen in welstand te

ontmoeten. En zoo gij keert tot Camelot en tot onzen genadigen heere,

Koning Artur, keer ik met u, want ik heb mij meester gemaakt van het

Zwevende Scaec: ziet, hier steekt het uit de tassche van mijn arsoen!

En Gawein wees op de punt van het schaakbord, dat uit zijn

zadelboogtasch omhoog stak.

Alle de ridders verwonderden zich.

Het Scaec! Het Zwevende Scaec! Het Scaec--dat Merlijn uit had doen

zweven om Aventure te brengen--het Scaec had Gawein gevonden, gegrepen:

hij ging het den Koning brengen!

--Maar het is harde te-broken! zeide Gawein.

En zij zagen rondom Gawein malkanderen allen aan met een onderling

kruisvuur van vragende blikken. Aventuur? Had het Scaec Aventure

gebracht in de groote vernooye van hun leven...?

--Keeren wij tot Camelot, mijne lieve gezellen, noodde mild Lancelot:

hij voelde zich wel beschaamd te weten van het Scaec, dat Merlijn had

gezonden...

En hij reed links van Gawein, terwijl Gwinebant zich rechts van hem

rijde en toch blijde was, trots zijn ijverzucht om Ysabele, die schoone,

dat Gawein zonder meswende de queste, die geene echte queste geweest

was, volbracht had.

Maar achter hem fluisterden de andere ridders; Sagremort:

--Het Zwevende Scaec... was het nu tooverië of was het niet tooverië?

Galehot:

--Het is zoo tooverië, dat het te-broken is, harde....

Ywein:

--Het is ttt...ooverië, want Merlijn blijft een ttt...oovenaar.

Bohort zeide niets; omdat hij zoo reuzig groot was en toch de leider

geweest der ridders, die gingen zoeken naar Gawein, Mordret, Didoneel,

was hij nog steeds beschaamd de fout van alles geweest te zijn in de

zake van Amoreuse-Garde....

Meleagant zeide ook niets, omdat hij op eens niet meer zeker

was--twijfel zat hun wel min of meer in het bloed--of de ridders met wie

hij in Amoreuse-Garde had gejosteerd wel allen eerlijke ridderen waren

geweest...

Maar Acglovael schaterde op eens, wijzende naar een wijde vlakte, die

zij langs reden en waarover vele kudden schapen als eene zee heen

golfden, gedreven door tal van hard aanloopende herders:

--Ziet, gezellen, gonder, die dulle schapen vlieden en die dullere

herderen bachten!

De ridders hielden stand in de schaduw der beuketakken, die bogen over

den weg, en over de in zonneschijn wazende vlakte naderden de vluchtende

schapen met de, achter hen rennende, herders. En hoorden de ridders

roepen de herders:

--Groote baroenen en valiante wiganten! Helpt ons! Helpt ons allen van

den lande Endi! Helpt ons allen van de maisniede van den Koning

Assentijn!

--Wat geschiedt?? riepen Gawein, Lancelot, Gwinebant.

De herders hieven wanhopig de staven op.

--De Koning van Noordhumberland, Clarioen, hij komt met een heir Endi

belegeren! Hij is onzen Koning booze, Assentijn, den goede! Hij is booze

om den Karre-ridder, dien onze Koning te zijnen hove houdt... Hij is

booze, dat onze Koning zijne princesse en kleindochterlijn weigert te

geven aan zoo kwaden prins!

--Ysabele!! riepen Gawein en Gwinebant uit.

--Helpt ons, valiante wiganten en groote baroenen! riepen de herders.

Grijswit wollige zee, golfden de schapen aan langs den weg.

--Waar is de weg, die ten snelste voert naar Endi? riep Gawein.

Want dolende ridders wisten zelden de kortste wegen.

--Hierheen! Gonder! schreeuwden en wezen de herders. Over de vlakte

terug! En dan...

De tien ridders, op hunne steigerende rossen, wierpen zich over de

vlakte, ongeduldig; zij hoorden niet meer. Hun metalen gerammel van

rusting en wapenen klaterde en ratelde op in den overdadigen

zonneschijn. Zij waren prachtig, alle tien dravende, hunne zilververguld

glinsterende, metalen silhouetten op de forsche, zware, omhoesde rossen

krachtig duidelijk in het trillende, neêr vloeiende licht van den noen.

Rondom hun weg stormende vaart golfden de schapen, schreeuwden de

herders en scheerden de verschrikte zwaluwen....

* * * * *

Toen onstuimig de tien ridders van Tafel-Ronde, na een hevigen rit over

vlakten, door bosschen, tusschen moerassen, langs wegen en langs

omwegen, aanstormden over heide en weide en den koningsburcht van Endi

kregen in het gezicht, zagen zij, werkelijk, als de herders hen hadden

doen denken, een schouwspel, dat hen verbaasde. Want een ontzaglijk heir

lag gelegerd wijd rondom den burcht heen; de groote tenten en

pauwillioenen waren in dichte massa op geslagen; er waren groene,

blauwe, en roode, en de gouden arenden van Noordhumberland blikkerden op

alle de tentepunten tegen het groen van de bosschen of tegen het blauw

van de lucht. En toen de ridders zagen het heir, zoo groot, zoo breed,

zoo lang rondom den burcht van Koning Assentijn gelegerd, begrepen zij,

dat zij, tièn ende niet meer ende niet minder, het Groote Aventuur

moesten bestaan: het Groote Aventuur den burcht te ontzetten, omdat

Koning Assentijn toch bevriend was met Koning Artur van Logres, omdat

's Konings Assentijns kleindochter, de princesse Ysabele--al wisten zij

haar ook verloofd aan dien zelfden Clarioen, die het Rijk van Endi was

binnen gevallen--de geliefde was van Gawein of van Gwinebant: daar waren

zij onder malkanderen niet zeker van maar zij wilden het uit hoofschheid

niet vragen, noch aan Gwinebant, noch aan Gawein. Zij wisten alleen, dat

zij tegen een geheel leger strijden zouden, zij met hun tienen slechts,

als echte wiganten, die zij waren. Nu ja, nu zij beter schouwden omrond,

handen voor oogen, want de ventaliën nog opgeslagen, zagen zij wel over

weide en heide, langs omwegen en wegen, tusschen moerassen, door

bosschen en over vlakten, aanstormen alle de onderhoorigen van Endi,

kleinere vazallen en serven: zij kwamen hun heer ontzetten maar de tien

wiganten lachten er om tegen elkaâr, want ter nauwer nood zouden die

dorpers en kaerelen, velen slechts gewapend met houweelen, spaden,

schoppen en stokken, de krijgsknechten bezig kunnen houden van Clarioen!

Zij beloofden malkanderen dus, onze ridders, met manwaarhede ende op

handslag, te strijden voor Koning Assentijn en voor de princesse

Ysabele, hoewel Sagremort even nog riep:

--Maar wil zij nog koninginne van Noordhumberland worden of wil zij het

niet meer: dat is de vrage......

Waarop Acglovael schaterde, Ywein iets stotterde, terwijl Gawein zeide:

--Mijne lieve gezellen, mart nog een wijle... Ziet, ik heb het Zwevende

Scaec gegrepen, ik heb de queste voltooid! Ik en durf niet met dit

kostbare pand in mijn artsoentassche ten strijde tijgen. Laat mij het

hier, bij dezen eik, begraven en sneef ik in de battalgië, zoo zal wie

van u negenen gespaard blijft, bij den rijken God van Hemelrijk het

Scaec uit delven en het met mijne trouwe en minne brengen den Koning

Artur...

Zij stegen allen af; zij hielpen allen met de zwaarden een kuil te

graven; Gawein legde er het Scaec met de stukken in, breidde er

varenbladeren over; zij wierpen de kuil weêr vol zand; zij zwoeren er

boven hun riddereed bij de kruizen hunner zwaardgevesten; zij zaten op

en sloegen de ventaliën omneêr. En toen, met éen kreet, stormden zij los

in de richting, waar het vijandelijke leger lag voor de hoofdpoort van

den burcht, in het gezicht van den burchthof met de koningslinde,

waaronder Koning Assentijn gewoon was te zitten. Op alle de wallen van

den burcht, bij de poorten en de opgetrokkene ophaalbruggen wemelden de

ijzeren krijgsknechten, afwachtende den aanval en de baroenen van Endi

herkenden van af de barbekanen de tien Tafel-Ronde-ridders, die aan

kwamen stormen, zoo als zijzelven de baroenen herkenden en hen toe

wuifden en schreeuwden moed te houden; uit het grootste boograam zagen

de tien gezellen den Koning Assentijn spieden, terwijl zijne edelheeren

hem weêrhielden zich verder in het gezicht te wagen, in het bereik van

vijandelijke werpspies of pijl. Maar boven op de hoogste tinnen zagen de

tien, en Gwinebant en Gawein het eerst, wuiven iets wits: het was de

wijle van Ysabele; het was Ysabele tusschen den drom der edelvrouwen en

dienaressen; het waren alle de vrouwen van Endi, die daar boven de

belegering aan zagen, den strijd zouden durven aanzien en terwijl hare

eigene kreten slechts zwak den tien ridders toe klonken, nu die bewogen

de speren tot groet en tot bemoediging, weêrschetterde fel het gekef der

tallooze schoothondjes, die de edelvrouwen mede op dien hoogsten toren

hadden genomen, in hare armen, aan hare boezems, in hare schootplooien

van klêederen van sindaal en siglatoene, de blaffende hondekopjes

duidelijk te onderscheiden met felle oogjes en tallooze, zich heesch

blaffende zwart open keeltjes en over alle die vrouwen en hondjes

wapperde wijd-uit de groen-geluw-roode vaan van Endi......

Maar in het kamp van Clarioen, Koning van Noordhumberland, die booze

was, dat zijn ridder Lionel van de Schandekar bevrijd, de Kar zelve

onttooverd was, en die booze was, dat de Koning Assentijn hem door

boodschappers plotseling geweigerd had zijne kleindochter, de schoone

Ysabele, tot vrouw en tot koninginne--waren de tien Ronde-Tafel-ridderen

gezien!

Het zwevende schaakbord · 第 33 / 44 题