Ysabele was haar grootvader genaderd en had hare witte handekens gelegd
over des ouden Konings Assentijns rood fluweelen schouders en Gawein
dacht om dit gebaar aan Koning Artur en aan Guenever, maar het meeste
dacht hij aan zijne eigene, lace, gestorven vrouw en het scheen hem toe,
dat zij herboren ginds voor hem stond, maar schooner nog, jeugdiger dan
hij haar ooit gezien had. Hij werd zich bewust, Gawein, niet trouw aan
hare nagedachtenisse te zijn, maar omdat Gawein nooit trouw was geweest
en meende, dat niet iedere ridder zóó trouw kon zijn als Lancelot was
aan zijne amië, koninginne Guenever, voelde Gawein zich niet zondiger
dan God hem had willen scheppen. Van Gwinebants liefde en trouw--al had
Gwinebant hem mede met Lancelot bevrijd uit de Vallei der Ontrouwe
Ridders--wist Gawein niets, al had hij sedert wel eens gedacht: wie is
toch Gwinebants liefde en aan wie zoû hij zoo trouw zijn, dat hij
waardig is naast Lancelot te gaan....
Zoo waren Gaweins gedachten, terwijl hij als aanbiddende, handen
gevouwen, de jonge Ysabele aanstaarde en Amadijs, achter hem, het hart
klopte van ijverzucht om Gaweins hem verradend gebaar. Maar de oude
Koning Assentijn, opstralend zijn rimpelgelaat als een winterlandouw in
lentezon, zei, nemende in de zijne Ysabele's handeke:
--Zoet dochterlijn van mijn zaligen zoon, wij danken u voor zoo lieven
zorg en vrome gepeize maar deze gasten namen ons den vespertijd en
deden ons vergeten, dat avondmale ons wacht. Weet gij, wie deze ridder
is, mijne roze? Hij is des Konings Arturs ridder van Tafel-Ronde, hij is
Gawein; hij is die gone, die tien jaren her dezen mijnen koninklijken
burcht belegerde, alleen hij, strijdende tegen vierwerf twintig man aan
mijner twaalf poorten elk; hij is die gone, die ze alleen versloeg,
zelfs zonder den schilknaap dien ik nu achter hem zie, en door het bloed
waadde... weet gij, mijne roze, tot wie? Tot uwe moeie, tot mijne
schoone dochter, die heette Ysabele als gij heet, en hij, die wigant,
hij voerde haar weg, hij schaakte haar, hij bracht haar verre naar
Camelot en, lace, zij stierf, van den kinde in haren schoot en van den
vloek haars vaders; zij stierf! En nu, mijne roze, verschijnt mij die
heere schoonzoon, of niets en ware geschied, en ik vrage u, gij, mijne
zoete lieve: zeg mij en raad mij: wat moèt ik met dezen moordenaar van
mijn kind en van mijne mannen?
--Bij mijne trouwe in Paradijs! juichte zacht Ysabele en hare stem klonk
lieflijker, meende Gawein, dan Guenevers stem, dan zijner eigene Ysabele
stemme geklonken had, dan de gulden vogelkens zongen op den wonderboom
in Guenevers vergier. Dus zijt gij, o edele ridder en groote wigant,
mijn eigen oom, Gawein? Der Aventuren Vader zijt gij? Mijner zalige
moeie gemaal? Zijt gij de onvergelijklijke, de allerhoofschte, de
allerdapperste, de ridder aller ridderen aller onzer oude Koningen? Wees
wellekom dan, mijn oom-lief! Ik ken u, al ben ik bijna niet meer dan een
kind en al zag ik u ook nimmer! Want ik las van uwe wondere
fayten-van-wapenen, die de clerken sinds tien jaren reeds hebben op
geschreven in klankvol vallende rijmen en, o wonder Toeval, juist heeft
een vinder, die kwam met zijn veêler en vroeg verlof de jeeste voor te
zingen van u, o mijn oom, en van uwe heldendaden! En juist wilde ik
verlof vragen mijn heere Koning en grootvader den vinder met zijn veêler
te doen zingen en spelen in de groote burchtzale, voor alle de
burchtgenooten, zingen en spelen van u, o groote wigant vol heerlijke
prise, van u, o mijn oom-lief, dien ik nu zekerlijk kussen mag met love
en blij riveel!
En Ysabele, de handekens uitgespreid, trad nader, terwijl Gawein haar
naderen zag als een wonder. In den gelen gloor van de luchters der
knapen was zij immer als uitglanzende in een stralenkrans, zoo wit en
goudblond als een engel, hemelsche schijning in de sombere, gewulfde
zaal en Gawein, betooverd, wachtte af. Hij wist nu, dat Ysabele hem
dicht was genaderd; hij knipte de oogen; hij voelde hare koele handekens
aan zijn kloppend voorhoofd; hij voelde haar kus op zijn rechter- en
linkerwang; hij wist niet te zeggen, noch te doen; hij hoorde alleen
weêrklinken haar stemmeke van gouden klanken:
--Wat gij doen moet met mijn heer oom, met uw heer schoonzoon, mijn heer
Koning en grootvader? Gij moet hem eeren als een ridder en gast van
hoogste prise, gij moet hem lief hebben als een zoon en maag, dien in
jaren gij niet en zaagt, gij moet hem nooden met ons aan den male, gij
moet hem daarna mede doen zitten op hoogste eereplaats in de burchtzale
om door vinder met veêler hem toe te doen zingen zijn eigene jeeste,
zijn eigenen roman van heldendaden! O mijn zoete heere, o mijn lieve
grootvader, en gij moet terug nemen alle veete en vloek en vergeten al
van vijandschap en zoo vele kwadertiere dingen, of ik en trouwe niet
Koning Clarioen van Noordhumberland; wees des gewes, mijn booze Koning!
En Ysabele, met de armen om ouden Assentijns mottigen kraaghals van
hermelijn, lachte hem in de oogen, dat de Koning schudde het hoofd,
ontevreden op zich, omdat hij zóó zwak was voor zijner kleindochter
omvleiïngen.
--Dat zij dan! zeide hij, opstaande, de rimpels nog diep gefronst. De
jaren zijn gewenteld, de straf is voltrokken: mijn arme kind, heb ik,
wil ik eerlijk zeggen, nie ende nooit gevloekt hoewel ik zeide, dat ik
het deed; zij heeft er, Gawein, de vrucht van haren schoot bij in
geboet, zeg ik; gijzelve, Gawein, gij zijt een dapper wigant, hoewel gij
een roofridder zijt van damoselen en van scaecspelen.... Bij mijne
trouwe, ik bedenk mij, o roze: weet gij ook iets van een zwevende
scaec--niet het eerste, van tien jaren her, dat uw heere oom met zijne
bruid mede naar Camelot voerde--maar van een ànder, ook toover-enghien,
dat zoû gezweefd zijn binnen onze muren, een vogel gelijk in zijn kooi?
Ysabele beval den burcht te doorzoeken.
En overal zochten de dienaren en kamenieren.
Maar zij vonden geen schaakspel.
--Morgen, mijn oom, zeide Ysabele; met den nieuwen dag, wen zonneschijn
in de duisterste hoeken schijnt, zullen wij zoeken naar dat tweede,
Zwevende Scaec....
--O mijne tweede, leliëzoete Ysabele! zeide Gawein vervoerd, terwijl
Amadijs, achter hem, luisterde jaloerschelijk. Kendet gij mij? Laast gij
van mij? Liefdet gij een luttel den held?
--Ik kende u, ik las van u, ik liefde u al zoo zeer, mijn held en oom!
zeide Ysabele. En ik dacht: mocht eenmaal de ridder, die mij zal dienen,
wen ik koninginne van Noordhumberland ben, dienen als Lancelot Logres'
koninginne doet, mijn oom gelijken: Gawein!
Maar de edelknapen met de lange stallichten geleidden Gawein en Amadijs
naar de kemenade, hun toe bedacht.
Wees gewes, o lezer, dat er een wonderbed stond, waarin ridders van
hunne wonden genazen, want zulke wonderbedden stonden nu bijna in
iederen koninklijken burcht, maar zij waren niet altijd zoo vervallen
als dat allereerste--van ouden Koning Wondere--en niet altijd zoo modern
hygiënisch als het bedde, dat Merlijn voor Camelot had gemaakt en voor
de Ridders van Tafel-Ronde: het wonderbed van Koning Assentijn was maar
van gemiddeld comfort. En de statie-kleederen lagen gereed en in de zale
werden reeds de tafelen op schragen gelegd en er werd op toebereid tam
en venizoen en klaar gezet clareit en pigmentwijn en hypocras en
malvezij en de knapen rijden reeds de bekkens van rooden goud en de
dwalen om de vingers te wasschen en te drogen daarna en de seneschalk
zette met zijne dienaren de stopen op de dresseren en het was alles zoo
als het overal was, in iederen koningsburcht, op dit uur van den laten
avond, als de dolende ridderen binnen waren en de blijde bellen van het
avondmaal sprenkelden de helle klanken langs gaanderijen en langs
gangen....
En na het versterkende maal deed Assentijn eere zijn gasten.
Gawein zat naast den Koning op zijn breeden troon en zeer verwonderde
hij zich als hij dacht aan Destijds, toen alles zoo anders geweest
was....
En Ysabele--o zij heette als Gaweins verstorvene vrouw en zij geleek zoo
zeer op haar!--zat op kussens van scharlaken aan grootvaders voet....
En Amadijs zat neêr aan den voet van Gawein....
En de burchtgenooten, baroenen en edelvrouwen en lijfstaffieren en
pagiën overvulden de zale en zaten of stonden achter of bogen zich uit
de binnenbogen der hoogere gaanderijen.
En licht van kaarsen gloorde zacht overal....
Toen traden de vinder op met zijn veêler en de knapen haastten zich met
sneller de laatste tafelen weg van de schragen te nemen en zij namen de
schragen zelve weg.
En de veêler, terwijl de vinder boog, vedelde zacht op zijne veêl....