Tot groote verwondering van Gawein en zijn schildknaap beiden, staken
vier torenwachters op de vier hoogste torens hunne koperen, schelle
horens en staken op alle andere torens de wachters de hunne! Zoo dat het
koperen rumoer vervulde den hemel, die te avonden aanving en Gawein
meende, dat dadelijk de strijd beginnen zoude en de gewapenden buiten de
eerste poort zouden treden in fellen aanval om te verslaan wie waagde
Koning Assentijn te belagen.... Maar hoe groeide niet Gaweins verbazing
toen wel de dubbele poort breed opende maar op de brug over de eerste
gracht des Konings drossaet verscheen met hoofschen groet tusschen tal
van lijfstaffieren en zeide tot Gawein:
--Heer ridder, mijn Koning zendt wie hem gekond wordt door zijner
torenwachters geschal als ridder van prise met schildknape zijnen
koninklijken groet ende bidt u binnen te rijden en biedt u beiden
gastvrijheid aan.
Hoofsch antwoordde verrast Gawein en reed met Amadijs binnen over de
brug en zij reden de twaalf poorten door en de elf bruggen over en in
den wijden burchthof naderden hen garsoenen; zij stegen af en de
garsoenen ontgespten hun sporen en ontgordden hun de zwaarden en de
drossaet noodde hen den burcht in. Voor zoo zeer hoofsche ontvangst in
het slot, dat hij Destijds had ingenomen, hij strijdende alleen tegen
honderden mannen, meende Gawein niet minder hoofsch te zijn door nog,
vòòr hem name en rang werd gevraagd, te verklaren wie hij was en van
waar hij kwam. En hij zeide:
--Mijn wellieve heere drossaet, ik dank u voor zoo beminnelijke
noodiginge en joyeuselijke innekomst nu deemster zich breidt over woud
en weide en dolende ridder met zijn knape herberg zochten, harentare,
voor geheel de nacht zich spreidt. Maar voor gij mij verder voert den
koning Assentijn te moet, bidde ik, dat gij mij meldet: ik ben Gawein
van Koning Arturs Tafel-Ronde ridder; ik ben Gawein, des Konings
Assentijns schoonzone eenmaal, voor mijn schoone wijf, Ysabele, des
Konings dochtere, stierf; ik ben Gawein, eenmaal des Konings Assentijns
vijand en zijner dochtere schaker.... Ik ben Gawein en deze hier is
Amadijs, mijn knape-van-wapenen.
De drossaet zeide, dat hij Gawein en Amadijs melden ging. In de groote
zale, slechts met enkele stallichten op luchters aan den muur verlicht,
wachtte Gawein en wachtte Amadijs, beiden, ongewapend. Toen passen
buiten weêrklonken, deuren werden geöpend en binnen trad de Koning,
Assentijn, met enkelen zijner baroenen en pagiën. Hij was groot en
somber; onder zijn kroon hingen de grauwe lokken om zijn gerimpeld
gelaat en het trof Gawein, dat zijn roode mantel en hermelijnen kraag
motputterig waren en wel gesleten, zoo als die van Koning Artur zelven.
En het trof Gawein ook wel, dat er zoo vele oude Koningen heerschten
alom in het rond, in deze landen, die de zee in het rond alomme
omspoelde, zoo heel veel oude Koningen.... Gawein groette eerbiedig zijn
schoonvader maar deze bleef recht, fronsende, voor hem staan,
doorpriemende hem met nog vurige, booze oogen, fronsend de zware
brauwen. En zeide toen eindelijk:
--Mijn here schoonzoon tegen wille en dank, mij heeft wonder wat zaken
gij zoekt en twi gij tot Endi dus zijt gekomen? Komt gij om te jagen of
te josteeren, komt gij aventure zoeken en begeert gij goed of kwaad?
--Mijn machtige heere Assentijn, Koning van dezen rijken lande en
wellieve heere schoonvader, antwoordde allerhoofscht Gawein. God, die
voor ons geboren werd, moge u loonen om zoo vele poorten als gij geboodt
te openen voor mijne passagië en om die vriendelijke vrijheden, die gij
uw gast heet. Verstaat wel in uw zin, mijn edele heere: dat ik te Endi
ben gekomen, dat heeft mij àl dat Scaecspel gedaan, het zelfde, dat is
neêr gezweefd binnen uw koninklijken burcht en dat ik zoek om het te
brengen tot Camelot, aan mijn heere, den Koning Artur....
Assentijn, de oude Koning, had plaats genomen in een zetel bij de tafel,
balde zijn vuist, die hij neêr plofte en zag Gawein, voor hem staande
met achter zich Amadijs, doordringende aan, het harige hoofd schuddende
als doen zoû zijn kop een ontevreden leeuw.
--Welzoo, zeide Assentijn. Mijn valiante wigant en schoonzone, komt gij
heden een scaecspel zoeken, dat binnen mijn muren schijnt neêr gezweefd?
En waarom ook niet? Gij, ridderen van uwen Koning Artur, die nimmer der
Aventuren zat en heeft, zoekt immers immer het een of het aâr in queste,
door deze landen van Brittannië en van Wallis? Waarom en zoudt gij niet?
Zijt gij niet reeds tien jaren her hier geweest, mijn wel hoofsche
ridder, mijn lieve Gawein en kwaamt gij toen niet mij mijne dochter
ontschaken, Ysabele, die schoone, om haar te voeren tot Amoraen, zoo
weinig abel om haar zelve te winnen, en die u het Zwaard met de Twee
Ringen in ruil voor zoo zoete bruid zoû afstaan, het Zwaard, dat gij
weêr bij den Koning Wonder zoudt inruilen voor een Zwevende Scaec? Was
het niet zoo? Amoraen stierf te wel gevoegelijker oogenblik, zoo dat
gij zelve mijn zoo zoete kind kondt behouden en voor het Zwaard het
Scaec ontvingt en met Scaec en Ysabele tot Camelot over kwaamt waar gij
gefesteerd werdt met grooter joye om zoo glorieuze wapenenfayten. Was
het niet alles zoo, mijn wellieve schoonzoon tegen wille en dank? Bij
mijne koningskrone, Destijds versloegt gij aan mijner twaalf muren
twaalf poorten telken male vierwerf twintig man, zonder waan! en wel
gewapend; gij drongt binnen mijn burcht en toen gij gevangen laagt in
donkere duwiere en mijn dochter tot u kwam, wist gij haar te schoffieren
en te ontvoeren daarna.... Zoû ik dan heden, naar nieuwe zede en
costume, maar niet bet doen u alle poorten te openen, u hoofschelijk te
ontvangen en u te vragen wat gij wenscht? Wees gewes, dat ik blijde ben,
valiante wigant, dat gij mij niet mijne zoete kleindochter vraagt, mijne
leste troost, die Ysabele heet als haar arme moeie, uw wijf, mijne zoete
dochter, die stierf in kinderbedde, als ik hoorde gewagen.... En zeg mij
nu, Gawein, wenscht gij, dat ik u zegge: ga en doorzoek mijn kasteel en
zoek het Tooverscaec, dat hier binnen zweefde en dat Koning Artur
wenscht te zijnen bezit en keer dan terug tot Camelot, in pays en vrede?
Zittende, de vuist op de tafel, had de oude Koning met verbeten woede
gesproken, terwijl Gawein, achter zich Amadijs, die zeer wonderde om wat
hij hoorde, voor hem stond een stoute scholier gelijk, die door den
boozen magister gescholden werd. Tot Gawein zich verdedigde:
--Machtige Koning, Assentijn van Endi, voor ik u spreek van het Scaec,
waarom ik op queste toog, zoude ik u willen zeggen: Ysabele, uwe
dochter, had ik lief reeds voor ik haar trof, had ik lief reeds in mijne
droomen, waar binnen zij verscheen, als door tooverië in vele schoone
tooverzalen. Ysabele, uwe dochter, herkende ik zoodra ik haar zag en zij
herkende mij uit haar eigenen droom. En met vele listen vroeg zij u,
haren vader, met mij te doen wat zij wilde en zij deed mij binden met
sterke koorden en werpen in den duwiere maar zoodra wij alleen waren,
ontbond zij mij en koosden wij en kusten wij....
De Koning sloeg met de vuist op de tafel, zoodat de echo's verschrikten
en elkander na joegen de wanden der zalen langs:
--Ik weèt het, bij mijne trouwe! riep Assentijn. Zij was een onwaardig
koningskind en ik heb haar gevloekt en zij is gestorven, maar meent gij,
Gawein, dat gij rècht waart haar mij te ontschaken en weg te voeren naar
Amoraen, die haar niet zelve dorst winnen, en toen hij zoo jongstiglijk
dood bleek en gij uw ridderwoord niet en behoefdet gestand te doen, haar
zelf te behouden tot eigen wijf? Meent gij--en de Koning gaf een tweeden
vuistslag ter tafel en de echo's ijlden wat zij ijlden konden--dat gij
recht waart vierwerf twintig man aan iedere mijner twaalf poorten te
verslaan om te dringen binnen mijn kasteel waar ik u niet en van noode
had? Zekerlijk, gij waart een wigant: de koppen en beenen en armen en
rompen lagen harentare in plassen van bloed; gij waaddet, Gawein, door
den bloede en gij zettet u neêr in eene wachtzale en at en dronkt van
wat gij vondt en gij drongt door tot wij u eindelijk gevangen namen en
Ysabele mij, naar het scheen, bij liste verzocht u die nacht te mogen
bewaken en ik zoo zot was de bede der kwade, die u bevrijden wilde, toe
te staan. Maar meent gij, Gawein, dat gij recht waart? Meent gij, dat
gij recht waart op queste te gaan van een Zwaard, dat u niet behoorde,
op queste te gaan van een Scaec, dat u niet behoorde, op queste te gaan
van een Bruid, die u niet behoorde? En maar dapperlijk er op los te
houwen, tot gij uwen zin hadt? Gij waart sterker dan alle mijne
serianten, die gij versloegt en ik zoude u verbazen, denke ik mij, zoo
ik u zeide, dat gij geen hoofsch ridder waart, gij, die geloofd wordt
als de hoofschte van allen maar, in gemoede, mijn schoonzoon tegen wille
en dank en weduwnaar mijner arme dochter, bedenk eens: zijt gij recht
heden ten dage voor mij te verschijnen en te vorschen naar een Scaec,
dat schijnt binnen gezweefd tusschen mijne barbekanen en dat gij
bezitten wilt terwijl het mij voor komt dat wat mijne barbekanen vrij
van wille binnen zweeft, het mijne is en niet het uwe en niet des
Konings Arturs??
Beduusd bleef Gawein voor den Koning staan en achter hem verwonderde
zeer Amadijs. Woorden vond niet Gawein en het duizelde hem in zijn
ridderkop. Eindelijk echter meende hij te kunnen spreken en zeide hij,
hoofsch en bijna nederig hoewel toch waardig omdat hij zich geen schuld
was bewust meer dan God op hem geladen had bij zijne vleeschlijke
geboorte:
--Assentijn, machtige Koning en vader mijner wellieve en, lace, te vroeg
verscheidene Ysabele, gij zegt mij vele woorden en zekerlijk, zij
verbijsteren mijne ziele en mijnen armen geest. Want zij zouden mij goed
recht van ridderschap moeten betwijfelen doen zoo ik meende, dat gij
recht waart met zoo vele woorden tot mij te richten. Ik weet alleen, dat
ik 's Konings Arturs Ronde-Tafelridder ben en dat, wen hij een queste
verlangt--dat zij om Scaec of Graal of Speer of wie of wat ook--ik opsta
van Tafel-Ronde en gereed mij verklaar.... En dat, als ik vroom ben der
Maagd en Haar Kind, Gode van Hemelrijk, die voor ons geboren werd... en
dat als ik bescherme zoo weduwe als weeze... en dat als ik versla
feloenen, keytieven en ribauden... Gawein kon zijn reeds zoo moeilijken
zin niet voltooien: de deur der zale opende; knapen met stallichten ter
hand traden binnen; in een plotsen, gelen kaarsengloor, verscheen eene
zoo blanke en blonde jonkvrouw, zoo lieflijk en uitermate schoon, dat
Gawein, verblind, tevens verstomde en de handen, onbewust, hief en
vouwde als zoude hij knielen gaan en aanbidden!
--Mijn wellieve grootvader en edele Koning, zeide de jonge Ysabele;
vergeef uwe kleindochter, dat zij u storen komt maar haar angst, waar
dat gij bleeft, was groot en hare harte was vol gepeize om u....
En de jonkvrouw naderde, als een droom, zoo blond, zoo blank, zoo wit in
haar witte, nauwe kleed van sindaal, zoo goud heur haar als het goudene
draad, waarmede jonkvrouwevingers de aureolen der heiligen borduren, dat
Gawein het harte stille stond en dat hij meende: een engel naderde maar
een engel, die zijne gestorvene Ysabele was....