De veêler vedelde zacht zijne veêl, begeleidende de stem van den vinder,
die zong hoog en heldhaftiglijk uit van een ridder van Tafel-Ronde. De
vinder, uit zijn tasch, had zijn handschrift genomen; het was hem zoo
kostbaar, zeide hij, als een zwaard aan den ridder, als een koninkrijk
aan den Koning en het was een klein boeksken van perkament, dat hij fijn
had beschreven met zijn goudhel klinkende rijmen. En terwijl vedelde de
veêler zijn veêl, hief de vinder het boeksken omhoog en kuste het en
zeide; het was zijn gedicht en zijn kunst en hij behoefde het nauw in te
zien want hij kende het wel bij harte en uit hoofd. En hij hoopte, God
zoû hem vergeven de mesdade, die hij aan zijne redenen deed, en de
wijsheid verleenen, groot, om zonder meswende van Gawein te zingen. En
hij zong van Gawein en hij wist, dat hij zong vóór Gawein, maar hij
zweeg bescheidenlijk van het bloedbad, en Gawein was er hem dankbaar
voor. En zijn stem gloeide, terwijl hij zong van Gawein. Hij zong
eentonig zuiver zijn lang reciet, hoe Gawein, Koning Arturs neve, wien
in den noen wiesen de krachten, niet enkel de krachtigste, maar ook de
hoofschte was en de allerdapperste, de allerdapperste!
--Lancelot is óók de allerdapperste, fluisterde Gawein verlegen zijn
schoonvader in. En harde hoofsch daarbij.
De allerdapperste, zong de vinder voort, en die een moederserpent
versloeg met vier felle, jonge drakinen!!
--Ik heb in de grot, niet lange geleden, de geraamten nog wel
aanschouwd, fluisterde Gawein en bloosde en hij ontroerde hevig, toen de
vinder van Gringolette zong. Lace, zijn goede wrene was dood en begraven
bij de rivier, maar Ysabele... zij was herleefd! Nu hoorde hij
nauwelijks meer naar des vinders jeeste, die hem bezong. Nu zag hij met
kloppend hart neêr op de bloeiende roze, op de zoo blanke lelië, die
bloeide aan Koning Assentijns voet. Nu voelde hij Vrouwe Venus hem
heftig doorvaren; nu wist hij, dat hij beminde als hij nooit bemind had,
zelfs niet zijn gestorvene vrouw. Ysabele, Ysabele, de oude naam
weêrtrilde met een nieuwen klank bij het trilleren der vedelsnaren door
Gaweins ontroerde gemoed: Ysabele, Ysabele, zoo jubelde het boven alle
die hoofden uit in de verwulfde burchtzale. Ysabele, Ysabele, zoo zouden
de engelen zingen in Paradijs om wie hen verlaten had en neêr was
gedaald op aard tusschen zegen en regen van rozen en leliën, lelië en
roze zijzelve!
Maar toen de vinder gezongen had en met den veêler in de keukens was
afgedaald om tusschen alle de serianten kostelijk te worden onthaald en
toen allen zich ter ruste trokken terug en ook Gawein en Amadijs waren
binnen hunne kamer, toen leunde Gawein aan het boograam en zag naar
buiten in de stille, starrige nacht. En hij herdacht, dat de dingen en
Aventuren zich herhaalden, maar zich toch niet herhaalden. Destijds was
hij hier dwars door een bloedbad binnen gedrongen, maar had hij die
nacht zijne Ysabele gekust, Ysabele, die hij uit zijne droomen reeds
kende; Ysabele, die hij daarna geschaakt had! Ysabele, die toch zijn
zoete vrouw was geworden! Nu was hij hier met eere ontvangen, maar hij
kuste niet Ysabele. Hare kamenieren hadden haar weg geleid in haar eigen
vertrek en haar ontkleed en ter ruste gelegd en haar princessekroontje,
als het behoorde, gezet op de treê van het bedde en haar hondje sliep
zeker in het midden der kemenade.
En Gawein staarde naar buiten.
Het scheen hem toe, dat zijn geluk en zijn weemoed om zijn late liefde
zich mengden.... Zoo, als buiten zich mengden de aardegeuren en de verre
starreglanzen met het zachte bruischelen der bladeren van het omringende
foreest.... En met het vreemde ruischelen van die zacht zilveren
wolkjes...
Maar die geen wolkjes waren, geen nevel en geen mist en geen
windeveêren....
Maar wel zilverige wieken als van waterjofferen en van libellen:
sylfewieken...
Ook Ysabele's kemenade was vol van dien zelfden vreemden zilverschemer
en schijn, dien Gawein, naar buiten starende, zag wemelen uit den
hemel....
En Ysabele, op haar kuische bed, wendde zich zachtekens om, met een
gebaar als omhelsde zij een, die naast haar lag op de leêge plaats....
En zij droomde van Gwinebant....
En Gwinebant, ver weg, droomde van Ysabele...
Maar Gawein stond en staarde vol weemoed en vol geluk.
Het was hem of zijn leven begon.
Het was hem of heel zijn leven zich met wonder en heldendaad en tooverië
had voorbereid tot alleen dit zoete, onvoldane verlangen.
Het was hem of er niets was geweest dan dit.
Of dit het alleenlijke, eenige Aventuur hem was...
En eindelijk wendde hij zich van het boograam. Trad de trede omneêr en
toe op het bedde.
Daar lag Amadijs, roerloos, de oogen geloken, achterover het hoofd op
het ronde oorkussen.
En hij deed of hij sliep.
En Gaweins zwaard lag naast den schildknaap, uit zorg reeds neêr
gelegd, want het was goed voor ridder en knape te slapen met hun zwaard.
Gawein legde zich naast het zwaard, dat lag tusschen hem en Amadijs.
Gawein sliep niet, hij lag en staarde in de schaduwen van het baldakijn
boven zich. Hij glimlachte met open oogen. Vrouweschimmen van wie hij
bemind had, vervloeiden voor zijn droomende oogen open en telkens
tusschen haar ijle genevel glansde het hemelsche vizioen van Ysabele op.
Amadijs' hand lag niet op zijn eigen zwaard, dat ter andere zijde hem
lag, maar over Gaweins eigen zwaard.
* * * * *
Den volgenden dag zochten allen in den burcht naar het Zwevende Scaec,
dat, als Gawein en Amadijs verklaarden, boven den breeden burcht zich
had laten zinken naar omlaag. De baroenen en edelvrouwen, de pagiën en
lijfstaffieren, allen zochten, gingen trappen op, trappen af, bestegen
de tallooze torens, daalden in de tallooze duwieren af en ook Gawein en
Ysabele zochten. En Gawein toonde Ysabele het duwiere, waar hij, meer
dan tien jaren her, met hare moeie, Ysabele als zij geheeten, met Koning
Assentijns schoone dochter--zóó vergramd was de Koning geweest, toen hij
Destijds van hun kussen gehoord had!--in ketens was neêr geworpen. En
Ysabele, de zoete, ontzette, maar Gawein vertelde haar, dat de geest van
een ridder, dien hij eenmaal gered had, hen beiden uit den kerker
bevrijd had.... En al het vreemde en ongewone spookte om hen beiden
heen, in het nauwelijks door de vlammende toortijtsen der hen
vergezellende knapen opgelichte schemerduister: de atmosfeer van het
Destijds, terwijl zij zochten naar het Scaec en het niet vonden. De
herinnering aan den geest van een ridder... een Zwevend Scaec, dat zij
zochten, hier in dezen burcht, dien Gawein eenmaal had ingenomen, hij
alleen strijdende en verslaande vierwerf twintig man aan elk der twaalf
poorten....
--Gij versloegt tachtig malen twaalf mannen, mijn oom? verwonderde
Ysabele, terwijl zij buiten het duistere duwiere traden; over de trappen
stegen en daalden eindeloos de burchtgenooten, zoekende. Gij versloegt
zoo vele mannen, gij, alleen? Ja, ik weet, ik las er van in de jeeste,
de zelfde, die de vinder ons gisteren zong!
--Het gaf mij toren, zoete Ysabele, zeide Gawein, verlegen voor de
maagd, om het bloedbad, dat hij eenmaal hier had aangericht; zoo vele
dappere mannen te moeten verslaan, maar het was, weet gij, om uwe moeie
Ysabele te winnen, voor Koning Amoraen.... Maar die stierf van
verlangen, voor ik haar bracht....
--Is het véél mannen, mijn oom, vroeg Ysabele; voor éénen ridder om te
verslaan: vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk?
--Het is nog al veel, Ysabele, zeide Gawein en bloosde. Maar het is niet
zoo veel of Lancelot zoû het fayt-van-wapenen ook hebben kunnen bestaan.
--En Sagremort?
--Sagremort ook, bij Sint Michiel! verzekerde krachtig Gawein. En ook
Bohort, Hestor of Acglovael, wees des gewes, mijne zoete nicht!
--Maar... Galehot? vroeg Ysabele vol belang.
--Zekerlijk zoude Galehot het hebben volbracht! hield Gawein vol. En
Ywein eveneens, zonder sparen!
--En ook... Gwinebant, mijn oom?
--Gwinebant is de jongste, die mede aan zit aan Tafel-Ronde en hij is
met Lancelot mij komen verlossen--uit de Valleie van Ontrouwe
Ridderen.... Hij is een dierbare jongeling mij, Ysabele, en harde
valiant en ik twijfel niet, of hij, als wij allen, had het volbracht,
het fayt-van-wapenen....
Ysabele glimlachte, heimelijk verheugd en zij stegen de trap op, die
wentelde, steeds zoekende naar het Scaec.
--Ik en zie het niet, oom.
--Ik en zie het evenmin, Ysabele.... Amadijs, ziet gij het Scaec?
Gawein wendde zich om naar den schildknaap, die volgde eenige treden
lager.
--Ik en zie het niet, mijn heer, antwoordde Amadijs zoo treurig en
zacht, dat het Ysabele trof.
--Wij en zien het niet, zeiden de baroenen en de edelvrouwen, die mede
opgingen, afdaalden.
Gawein en Ysabele waren op een der torenterrassen gekomen. De zomerlucht
veropenbaarde boven hunne hoofden onmetelijk en zware blanke wolkmassa's
stapelden er, drijvende uit en in elkaâr.
--Dus Gwinebant, herhaalde Ysabele en hare stem klonk nu zoo vreemd, zoo
zacht en treurig, als Amadijs' stem had geklonken; Gwinebant is wèl
krachtig en harde valiant...? Vierwerf twintig man aan elke onzer twaalf
poorten... zoude hij als gij, mijn oom... kunnen verslaan... om een
jonkvrouw te winnen...? Het is zoo veel bloed... te veel bloed...! Maar
het zoude zijn om te winnen een jonkver... eene jonkver, die hij minde,
en trouwe was zijne minne, niet waar, mijn oom?
--Zaagt gij ooit Gwinebant, Ysabele?
--Ik zag hem eene male.... Tijdens het tornooi, lesten jare.... Ik gaf
hem mijne mouwe, die hij vast hechtede aan zijn helm.... Sedert, sedert
zag ik hem niet meer....
--Nooit meer, Ysabele? Nooit meer?
--Ik en zag hem nooit meer, mijn oom, zeide Ysabele en glimlachte nu
zacht en zij sprak niet van hare droomen. Maar zeg mij, mijn oom, zoo
hij met Lancelot waardig was u te verlossen uit de Valleie der Ontrouwe
Ridderen, aan wie is hij dan zoo trouwe als Lancelot is aan koninginne
Guenever??
--Gwinebant zeide het mij nimmer, Ysabele, antwoordde Gawein, turende
van de wolken naar de boomen. En plotseling riep hij luid uit, zoodat
zijn stem overal om den burcht weêrklonk:
--Het Scaec! Daar ginder! Het Zwevende Scaec! Tusschen de boomstammen
van het vergier!!
En hij wees....