Toen zeide de Koning Wonder tot zijn hoogen gast:
--Heere, zijt te gemake, ik bid u zeer daaromme en neem van wat u
gevalt.
Waarop Gawein antwoordde als het behoorde:
--Hier is, hooge vorst, genoeg van alle zaken: niet gebreekt mij, wil
mij gelooven; ik ben harde wel te gemake.
Er zaten aan de andere tafelen de baroenen des Wonderrijks: er waren
hertogen en graven bij en eene hertogin schertste met Amadijs, dien zij
bekoorlijk vond, zoo jong en ernstig en zoo lieflijk bijna als een
jonkvrouw.... En Gawein, omziende aan des Konings zijde, verwonderde
zich wel, vreemd te moede, want al twijfelden alle die gonen, die daar
zaten en aten, aan het Wonder, waarvan hun heer de Koning was, er was
geen droefenis om hen: zij lachten en dronken en dreven jolijt ende
riveel, en Gawein, in zijn geheimste ziel, meende: als het Wonder niet
bestond, of niet van machte meer ware, zoû het geheele Rijk toch weldra
vergaan!? Zoo als hij meende, dat het Land van Logres, Koning Arturs
rijk, lace, vergaan kon, als ten slotte geen Aventure zich meldde en hij
zelve niet slagen zoû in de queste.... Maar zulke gedachten schenen niet
om te gaan in dier edelen en schooner vrouwen testoyierende hoofden en
Gawein, ernstig, verwonderde zeer en plotseling scheen het hem toe, dat
twee gevleugelde geniï met omgekeerde, brandende fakkelen, zweefden
tusschen de appele-boomen, zichtbaar door de bogen der zale en toen
binnen zweefden over de zorgelooze gasten in de burchtzale van den
Mirakele....
Maar tal van knapen staken tal van toortijtsen en stallichten aan op
gouden kandelaren en zij gingen om met bekkens van goud en kannen van
goud en schonken het geurige water en boden de dwale om zich de vingers
te drogen. Maar den Koning was het hoofd op de borst gezonken; hij
sliep, moede en uitgeput, want hij wist het nieuwe Wonder niet meer en
Gawein begreep, dat hij het Zwevende Scaec dit maal niet bij Koning
Wonder vinden zoû.
Toen het feestmaal ten einde was, gingen de gasten zich divertieren in
de vergieren in amoereuzelijke vië ende jolijt en zag Amadijs, dat
Gawein zich verloor met de edelvrouw van het leliewitte schoothondje,
tusschen de boomstammen door der bongerds, in de welwillende schaduwen,
die als donker fulpen pauwillioenen waren....
Amadijs bespeurde het met een schok zijns harten en vluchtte toen voor
de hertogin, die hem naderde met een bescheiden geruisch van haar kleed
van sindaal. En hij vluchtte naar de kemenade en legde zich, alleen, op
het wonderbed, dat vroeger de gewonde ridders genas in vier-en-twintig
uren. Maar dat nu van weinig waarde geworden was, want zelfs na
zes-en-dertig uren slapens genazen er lijfsgevaarlijke wonden niet te
allen deele. En Amadijs legde er zich ruggelings alleene op en omdat hij
alleene was, en alleene bleef, nam hij Gaweins breed zwaard-in-scheede,
drukte dat tegen de borst en bedacht of het wonderbed nog kracht genoeg
in had om van minne te doen genezen, die stak met pijlen van pijne....
* * * * *
Den volgenden morgen namen Gawein en Amadijs, gewapend, afscheid van
Koning Wonder en van zijn jolijselijk hof. Wonder omhelsde Gawein zeer
innig en zeide, dat het zeker de laatste male was, dat hij den dapperen
wigant zoû hebben aanschouwd want dat hij zich sterven gevoelde, omdat,
lace, het nieuwe Wonder niet meer was van zijn weten.
En Gawein sprak hem troost toe, zoo als hij vermocht.
Toen reden ridder en schildknaap--maar weet wel, die was Alliene, o
lezer!--de rivier langs; zij verdwaalden en Gawein, die bespiedde of
niet wederom Aventuur hem zoû ontmoeten, zeide:
--Mijn welschoone knape, Amadijs, Aventuur ontmoet niet meer iederen dag
van zijn queste den dolenden ridder, schijnt het; vermoedelijk is het
beducht geworden telken male zich te openbaren op dezen gladden weg,
dien ik meer dan een maand geleden ben afgëijld in Morgueine's
tooverwagen. Geerne echter hadde ik ontmoet een ridder, niet al te
feloenig en dien ik, om welke reden ook, had moeten bekampen en dan had
overwonnen maar niet verslagen, want ik had hem geerne gezonden op
eerewoord naar mijn Konings Arturs hove, naar Camelot, opdat hij zoude
melden van Didoneel en van Mordret, want hun dood ligt mij zwaar op het
harte. Nu weet, lace, de Koning, nog niet en ietwat van deze droeve
Aventure! En uzelve, zoo jong en teeder, wage ik niet te vragen alleen
te gaan tot Camelot en ook vreeze ik des Konings gramschap voor u, zoo
gij hem meldt, dat twee zijner dierbaarste ridderen keytieven waren,
verholen voor aller oogen en nu dood liggen, begraven op kerkhove bij de
kapelle. Daarom, laten wij samen dolen; allicht zweeft het Scaec weêr
op, in het gelucht, gelijk een leeuwrik, en licht ons voor, waar wij het
vangen kunnen....
En zij doolden door het woud, samen. Het woud werd ontzaglijk wijd, de
zware eikenboomen stonden er reusachtig met eeuwoude stammen en
knoestig verwrongen tronken en lieten door hunne zware bladerenweefsels
nauwelijks lichtschijn door van den dag. Tegen den noen groeiden Gawein
zijne heldenkrachten, zoo als het hem steeds gewoon was en hij was
bereid voor alle Aventuur, maar er bood zich hem niets aan. Het woud
scheen verlaten van dieren en menschen en draken en ridders, van vogelen
zelfs in de takken. En een huiveringwekkende beklemming hing onder de
boomen, die reeds de eerste bladeren deden vallen met ritselingen, die
Amadijs schrikken deden hoewel hij zich had voorgenomen met mannemoed
alles door te maken wat hem aan de zijde Gaweins zoude overkomen kunnen.
Woud was dit zeker, in vroegere eeuwen gewijd aan payeinsche godheid en
door de priesters van toen en de priesteressen, die er met het sikkelmes
misteltak en maretwijg sneden, met menschelijke offers geëerediend op de
groote, vierkante steenen, zich hier en daar, door vreemd, onkerstelijk
inschrift overgroefd, verduidelijkend in sombere schaduw en
geheimzinnigheid. Tot als een groote vlinder, laag over den grond, die
geen weg meer teekende, het Scaec, het juweelene Scaec, met de enkele
stukken en den schaakmat bedreigden koning voort fladderde, verdween
tusschen het lage hout, weêr te voorschijn zweefde en tusschen de
boomstammen als een uitweg zocht....
Gawein en Amadijs wezen het beiden elkaâr en nu het wederom verschenen
was, rees in Gawein het goede vertrouwen en volgde hij het Scaec, zoo
vlug Gringolet het vermocht maar het fladderde boomstammen om, verdween
telkens, dwarrelde weder te voorschijn, met een duidelijk waarneembaar
gebruis als van een grooten hommel, een brommende paardevlieg.... Het
scheen zijn achtervolger te tarten; buiten het woud, dat plotseling
eindigde op ruime weiden, vol plassen, die reeds rossigden in de
dalende zon, wiekte het hooger de lucht in, lokte ridder en knaap, de
gloor-overspeelde moerassen over: daar zouden in de nacht de euvele
geesten zweven tusschen misten en nevelen heen....
Tot het plots in een rechte vaart, een pijl gelijk, schoot door de lucht
en de ruiters hunne rossen aanzetten ten draf.
--Ik en weet niet, zeide Gawein; waar wij herberg zullen ontmoeten voor
deze nacht. Maar wij kunnen ons dat Scaec niet en laten ontgaan,
wellieve knape!
Amadijs--maar hij was Alliene, zijt des gewes, o lezer!--draafde zijn
heer achterna; na een geheelen dag rusteloos dolen door woud en over
weide was hij hongerig en moede, als de jonkvrouw, die hij was, wel
zeker zijn mocht, maar een zoet geluk was er tevens pijnlijk wrang in
zijn ziel om den rit, den dravenden ridder achterna, die reed het
Zwevende Scaec achterna....
* * * * *
Plotseling herkende Gawein de landstreek, die hij door draafde.
Hier was hij geweest, jaren her!
Tien jaren her en daar, in de richting, die het Zwevende Scaec had
verkozen en waarhenen het fladderde, hoog in de lucht, om zich
plotseling te laten recht neêr zinken, in een glinsterende spiraal, rees
de reusachtige burcht Endi van Koning Assentijn!
Daarheen was jaren her, was Destijds Gawein gereden om Ysabele te
winnen, des Konings dochter....
Maar niet voor zich....
Om haar te winnen voor minnezieken Koning Amoraen, die hem het Zwaard
met de Twee Ringen zoude afstaan....
Indien hij de jonkvrouw hem bracht.
Dat was het Tooverzwaard met de Twee Ringen, waarvoor hij eindelijk bij
Koning Wondere had kunnen inruilen het Scaec van Destijds.... Maar omdat
Amoraen was gestorven van verlangen, voór Gawein hem de jonkvrouw
bracht, had Gawein Ysabele, die hij zoo lief had gekregen, voor zich
behouden en haar mede met het Scaec naar Camelot gevoerd.
Lace, zij was gestorven!
En alle Gaweins herinneringen beroerden hem hevig....
Toen hij landstreek en burcht herkende!
* * * * *
Het Scaec was midden tusschen tallooze torens van den burcht neêr
gezonken, spiralende glinstering.
En Gawein, intoomende zijn Gringolet, zoodat Amadijs dadelijk hem ter
zijde was, werd zich bewust het zelfde kasteel binnen te moeten dringen,
dat hij Destijds met zoo vele moeite was binnen gedrongen....
Destijds!!
Om de jonkvrouwe....
Nu om het Zwevende Scaec zelve....
En tal van muren en grachten met tal van poorten omringden den
dreigenden reuzenburcht, dien het ziedende water omgaf....
En hij herinnerde zich: Destijds had hij aan iedere poort en bij iedere
gracht moeten verslaan, hij alleen aanzienlijke heirmacht van gewapende
mannen, vóór hij, zegevierende, was binnen gedrongen!
Het Aventuur herhaalde zich!
Hoe anders het zich ook herhaalde....
Maar toen haalde Gawein ruim adem en juichte in zijn gemoed en gevoelde
zich getroost, dat de nieuwe queste niet, als Destijds, was aangevangen
met den strijd tegen een draak, nu weêr wel voor hem doemde de zware
riddertaak.
Alleen een wel versterkten koningburcht in te nemen!
Alleen eene geheele bezetting te verslaan!
Want zeker zoû de burcht niet minder waakvol verdedigd zijn dan
Destijds....
Toen Gawein er zijne Ysabele gevonden had....
Zie, daar dampte reeds de altijd ziedende rivier en wie er in verdronk,
verbrandde even eens....
Twaalf muren omringden den burcht en tusschen iedere twee muren groefde
een diepe gracht en ziedende wateren omringden het al.
Was Koning Assentijn niet de zwaarmoedigste, somberste, oude Koning der
oude Koningen, die in deze landen van Brittannië en Wallis over hunne
koninkrijken schepters hieven?
Was het niet bekend, dat Koning Assentijn niet gaf om Aventure?
Toch zoû Aventure den burcht van Endi nu naderen, want alleen, alleen
zoû Gawein wederomme en ten tweedenmale Assentijns burcht moeten nemen:
Amadijs zoû hem van nut en noode niet en zijn....
En hij zeide tot zijn schildknaap:
--Wellieve knape, aanzie! Dezen burcht, waar binnen het Scaec verzonk,
als ik denk, moet ik winnen om mijn queste tot goeden einde te brengen
en moet ik alleenlijk winnen, o Amadijs, als ik reeds deed, tien jaren,
her: Destijds! En nu bidde ik u, op hoofschheid: zeg mij, zoudt gij
niet, nu zich zoo groote Aventure en gevaarlijk dangier mij voor doet,
voor uwe vrouwelijkheid minder gevaarlijk kiezen en mijn boodschapper
willen zijn naar Camelot, naar mijn Koning Arturs hove, om te melden van
Mordret en van Didoneel, wier dood mij zwaar op het harte weegt. Want
mijn moed is wel droeve om beider lot en omdat ik twee ridders van
Tafel-Ronde versloeg en mijnen heere nog niet kondschap zond van zoo
allersmartelijkste dingen! Zeker, de weg is lang, maar goede ontmoeting
bereidt de Hemel zoo wel voor als kwalijke en eenmaal te Camelot, als
des Konings gramschap om mij over uw zoete hoofd is gegaan, zal mijn
heere en de koningin gewes den kondschapper eere doen.
--Mijn zoete heere, zeide Amadijs; doen zal ik als gij beveelt en gaan
kond doen den Koning Artur van den dood mijner belageren; trotseeren wil
ik zijn gramschap maar liever ware het mij u te beschutten alhier in den
strijd en voor u te sterven zoo ik vermocht....
Nauw had Amadijs zoo gesproken of....